Filosofen van deze tijd

boek

Maarten Doorman en Heleen Pott (Red.)

Filosofen van deze tijd is een dikke turf van 509 bladzijden. Er worden dan ook 30 hedendaagse filosofen besproken, allen denkers die zich na de Tweede Wereldoorlog hebben gemanifesteerd. Van elke auteur wordt zijn werk, aangevuld met enkele biografische gegevens, besproken en een lijst van publicaties en secundaire literatuur meegegeven. Omdat het werk ontworpen is als handboek voor studenten, kan de lezer zich aan volledigheid verwachten, zij het in al zijn beknoptheid. Vandaar de literatuurtoevoeging ter aanvulling op het einde van elke bespreking. Dat elk hoofdstuk één auteur behandelt, heeft als gevolg dat ze alle afzonderlijk kunnen gelezen worden. Het boek is dus tevens een naslagwerk. Wens je degelijke en beknopte informatie over één van de filosofen, dan volstaat het deze er even op na te slaan. Het is evident dat ook niet-studenten zich aan deze degelijke informatie kunnen laven. 33 auteurs hebben aan het boek meegewerkt, Doorman en Pott inbegrepen. De eerste editie verscheen in 2000 en deze editie is de twaalfde en is herzien. Er is een voorwoord, een inleiding, een biografie van de medewerkers en een namenregister.

In de inleiding schetsen Doorman en Pott de grote filosofische stromingen van de twintigste eeuw die uitmondden in een onoverzichtelijk hedendaags kluwen. De historische gebeurtenissen zijn niet vreemd aan die ontwikkelingen en aan de naar voor komende onderwerpen. Er treedt ook een vermenging op met de wetenschappen, zoals de sociologie, psychologie, culturele antropologie, politicologie, literatuurstudie en kunstbeschouwingen. Dat is een bijkomend kenmerk van de meeste hedendaagse filosofieën. De wetenschapsfilosofie is sterk gaan aanleunen bij de empirie om de wetenschap als verschijnsel te ontdekken en de eerbiedwaardige filosofie is zich buiten de universiteit om aan het profileren. De filosofie is bovendien in de loop van de twintigste eeuw door de molen van het scepticisme gegaan. Dat alles leidde ertoe dat geopteerd werd voor de behandeling van afzonderlijke denkers en niet van stromingen, hoewel nog wel gemene delers kunnen ontwaard worden.

Dat de samenstellers het risico genomen hebben om filosofen op te nemen van wie nog niet duidelijk is of ze de eeuwige roem ooit zullen bereiken, kan alleen maar toegejuicht worden. De voorzichtigheid hierin van andere soortgelijke uitgaven maakt ze minder representatief. Ze eindigen ook meestel met de jaren zeventig van de vorige eeuw. Gezien elke filosoof afzonderlijk behandeld wordt ligt het voor de hand dat mijn bespreking hetzelfde stramien volgt. Veronica Vasterling, docent gender studies aan de Radboud Universiteit Nijmegen, die reeds eerder over Martin Heidegger en zijn leerlinge Hannah Arendt publiceerde, neemt Heidegger voor haar rekening. We maken kennis met de auteur en met zijn bezwaard nazi-verleden. Vasterling ontvouwt het denken van Heidegger, beknopt, volledig en accuraat, langsheen de ontwikkeling die hij doormaakte. Bijzondere aandacht verdient het verband tussen Heideggers nazi-verleden en denken. De ommekeer in de metafysica is ook maatschappelijk bedoeld, maar omdat Hitlers wereld een andere richting uitging dan Heidegger voor ogen had, was hij daarover ontgoocheld. Hij heeft echter nooit zijn nazi-verleden afgezworen. Een nadenkertje is ten slotte de uitspraak van Vasterling: ‘(…) wat Heidegger bedoeld heeft met ‘zijn’ is nog steeds aanleiding tot debat (…)’.

Michel ter Hark, kenner van de analytische filosofie en van Wittgenstein, vangt zijn vertoog aan met een schets van de cultureel hoogstaande omgeving waarin de denker opgroeide en van ondergane invloeden. Aan de hand van sprekende voorbeelden laat hij ons kennis maken met de taalbetekenissen in de kennisverwerving, zowel uit de Tractatus als de Untersuchungen. Hans-Georg Gadamer is een invloedrijke vertegenwoordiger van de filosofische hermeneutiek. Uitgangspunt is Aristoteles’ verstaan van de ethiek, namelijk als uit de ervaring opgebouwd. Ook het interpreteren kan volgens Gadamer slechts plaats vinden dank zij bekendheid met haar praktijk. Dat heeft de docent ethiek van de gezondheidszorg, Guy Widdershoven, ertoe gebracht om Gadamers filosofische hermeneutiek aan de hand van diens eigen tekst te verduidelijken. Interpreteren blijkt een proces te zijn dat begint met verwachtingen en voortdurend bijgesteld wordt en waarin het concrete voortdurend met het algemene dialogeert. Dat is ook wat de mensen overal en altijd doen wanneer zij proberen te begrijpen. Dialoog overbrugt verschillen in perspectief en blijft concreet gebonden aan wat moet geïnterpreteerd worden.

Sjaak Koenis, docent ‘Sociale filosofie’ aan de universiteit van Maastricht, geeft kritiek op Karl R. Poppers logisch negativisme omdat het bepaalde facetten van de werkelijkheid onontdekt laat, maar hij laat evenmin na om het belang van Popper voor de wetenschapsfilosofie en de sociale en politieke filosofie te beklemtonen. De vooruitgang zowel in de wetenschappen als in de maatschappelijke instituties komt er doordat mensen leren van hun fouten. Jan Hoogland, docent ‘Reformatorische wijsbegeerte’ aan de Universiteit Twente, meent dat het denken van Theodor W. Adorno, hoewel voorbijgestreefd in haar geheel, elementen bevat die thans nog bruikbaar zijn. Dat zou kunnen samen hangen met zijn vak. De reformatorische wijsbegeerte verwerpt immers de waardevrijheid van de wetenschap en Adorno is nu net iemand die, steunend op Marx en Weber en een identiteitstheorie, een maatschappijanalyse maakt waarbij vraagtekens gezet worden bij de rationaliteit van de Verlichting. Bij Adorno is overigens ook de these te vinden dat er een direct verband is tussen de Verlichting en de nazie-uitspattingen. Een bewering die onterecht is, maar door Hoogland niet bekritiseerd wordt.

Ger Groot ontvouwt het existentialisme van Sartre langsheen diens persoonlijk leven en de historische achtergrond, omdat ze met elkaar verweven zijn en ze elkaar verduidelijken. Vanuit de dialectiek van het zijn en het vernietigen ervan, is de vrije mens van Sartre, volgens Groot, uiteindelijk zelf God geworden en loopt hij vast in zijn eigen contradictie. Evenmin voor het politieke denken van Sartre is Groot mals. Ook wordt Sartres studie van de schrijvers Jean Genet en Gustave Flaubert besproken en in diens denken gesitueerd. Sartre was een monument, maar zijn denken wordt niet integraal door Groot gewaardeerd. Renée van Riessen is docent ‘Christelijke filosofie’ aan de Universiteit Leiden. Zij behandelt de filosofie in relatie tot de christelijke en joodse levensbeschouwing. Zij is derhalve goed geplaatst om het denken van Emmanuel Levinas, joods denker die bij de christenen op heel wat goodwill kan rekenen, te beschrijven. Is het denken van de tweede helft van de 20e eeuw meestal door de Holocaust getekend, bij Levinas die in een concentratiekamp verbleef, is deze gebeurtenis nog van een meer doorvoelde betekenis. Zijn denken is ethisch. In de asymmetrische relatie tot de andere ligt een moreel appel vervat. Zijn denken is ook religieus omdat dit gebeuren in zich een spoor naar het transcendente draagt.

Marja van Nieuwkerk is senior beleidsmedewerker kunst en cultuur bij de gemeente Amsterdam; Cris van der Hoek, die eerder reeds over Hannah Arendt publiceerde, doceert wijsbegeerte aan de Hogeschool van Amsterdam. Zij laten de lezer kennis maken met het politieke denken van Arendt in al zijn facetten. Naar het einde toe volgt een vergelijking met het politieke denken van Jean-François Lyotard, die elders in het boek nog aan bod komt. Maarten Coolen, gastdocent Wijsbegeerte aan de Universiteit Amsterdam, bespreekt de fenomenologische filosofie van Maurice Merleau-Ponty. Daartoe geeft hij ook een inleiding tot het denken van Husserl, die nog tot een vorige generatie behoorde en in het boek dus niet behandeld wordt. Husserl is immers de ontwerper van de fenomenologie. Het eigene van Merleau-Ponty’s bijdrage is dat hij het menselijke lichaam in het centrum van de perceptie plaatst. Het is dank zij ons lichaam dat wij de wereld ontdekken en waarnemen. Coolen neemt zijn tijd om dat alles duidelijk te maken, alsof hij in de aula voor de studenten staat.

De naam Willard Van Oman Quine staat voor logica, taal en werkelijkheid en kenleer. Menno Lievers, docent taalfilosofie en metafysica aan de Universiteit Utrecht, maakt ons wegwijs in diens denken. Net als bij Coolen valt het op hoe Lievers met voorbeelden de tijd neemt om de gedachten van Quine duidelijk te maken, maar dat zou men van elk van de auteurs kunnen zeggen. Het welgekende beeld dat Otto Neurath ooit gebruikte om de status van onze kennis te kenmerken haalt Lievers in verband met Quine aan: ‘Wij zijn als schepelingen die hun schip op volle zee moeten herstellen, zonder het ooit in een dok uit elkaar te kunnen halen om het met de beste materialen te vernieuwen.’ Lievers confronteert, om af te sluiten, Quine met Wittgenstein en formuleert de kritieken van Davidson, Chomsky, Dummett, Kripke, Putman, Evans en Stroud, allen filosofen die zich op hetzelfde terrein bewogen.

Met Simone de Beauvoir keren we terug naar het existentialisme. Karen Vintges, docent politieke en sociale filosofie aan de Universiteit Amsterdam, publiceerde reeds over de Beauvoir en over feminisme. De Beauvoir kan gezien worden als degene die een ethiek uitwerkte op Sartres individualistische uitgangspunt, maar vooral is zij gekend om haar werk, ‘De tweede sekse’, waarin zij het vrouw zijn vooral als een cultuurgegeven beschrijft. Haar literaire werk draagt de stempel van haar ethische filosofie. Vintges noemt het filosofisch-ethische romans. Zij stelt dat ook de autobiografie van de Beauvoir een moreel doel dient door aan de buitenwereld te laten zien hoe een vrouw haar onafhankelijkheid kan beleven. Emeritus hoogleraar Theo de Boer behandelt het denken van Paul Ricoeur. Dat Husserl met zijn fenomenologie een stempel op een aantal filosofieën na hem heeft gedrukt, blijkt nog maar eens bij de bespreking van Ricoeur. Net als Gadamer onderwerpt hij Husserls fenomenologie aan een diepgaande kritiek. De Boer beschrijft dit gebeuren en de ontwikkeling die ze doormaakte, vooral dan rond de noodzaak van interpretatie in de menswetenschappen, met als kernvraag de mogelijkheid van een universele moraal in een diversiteit van culturele intuïties.

Met Donald Davidson zwenken we weerom naar de analytische taalfilosofie. Filip Buekens, docent taalfilosofie en analytische wijsbegeerte aan de universiteit van Tilburg en van Leuven, kiest ervoor om het veelzijdige denken van Davidson vanuit een welbepaalde invalshoek te belichten, namelijk zijn analytische hermeneutiek. Het gaat dus over begrijpen en betekenis en wat daar mee samenhangt. Buekens publiceerde overigens reeds eerder over Davidson. Het voordeel van een bespreking van het rechtvaardigheidsdenken van John Rawls is dat men blijkbaar met één boek volstaat. René Gabriëls, docent Filosofie aan de Universiteit Maastricht, stelt immers vast dat al het voorgaande werk als een voorbereiding tot diens A Theory of Justice kan bestempeld worden en dat al wat erna kwam een kritisch voortbouwen inhoud op datzelfde werk. Dat betekent uiteraard niet dat zijn andere werken niet ook zeer belangrijke ideeën bevatten. Voor Gabriëls behoort Rawls, samen met Heidegger en Wittgenstein tot de top drie van meest invloedrijke filosofen van de twintigste eeuw, wat niet wegneemt dat deze hoge boom ook veel wind vangt, maar Gabriëls verzuimt niet om ook de kritiek op Rawls overzichtelijk weer te geven.

Professor Louis Boon, decaan en medeoprichter van de ‘University College Maastricht’, kenschetst Thomas S. Kuhns wetenschapsfilosofie treffend als de overwinning van de paradox van enerzijds het inherente conservatisme en anderzijds de voortdurende vernieuwing van de wetenschap. Door Kuhn direct of indirect aan het woord te laten, weet Boon diens ideeën levendig voor de ogen van de lezer te projecteren. Hij gaat ook dieper in op een belangrijke bron van Kuhns inspiratie: de ontwikkelingspsychologie van Jean Piaget. Dat laatste maakt een onderdeel uit van de kritiek die Boon op Kuhn uitoefent. De initiator van het filosofische postmodernisme, waarin de grote vooruitgangsverhalen het moeten afleggen, is Jean-François Lyotard. Frans van Peperstraten, hoofddocent filosofie aan de Tilburg University, bespreekt chronologisch de werken van Lyotard waardoor we geleidelijk inzicht krijgen in diens denken en diens betekenis vandaag. Michel Foucault wordt door Machiel Karskens, emeritus hoogleraar politieke en sociale wijsbegeerte aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, op de rooster gelegd. Het dwarse, baanbrekende en polemieken genererende denken van Foucault doet hij minutieus uit de doeken en becommentarieert hij.

Jozef Keulartz, verbonden aan de universiteit van Wageningen, behandelt het denken van Jürgen Habermas gespreid over diens ganse loopbaan, waardoor niet enkel het eindresultaat voorgesteld wordt, zoals vaak het geval is, maar de ontwikkeling van diens gedachten. Eigenlijk is het niet echt een ontwikkeling, maar meerdere malen een radicale ommekeer. Hoewel Habermas in zijn jeugd verbonden was met het nazi-regime, is hij, van zodra het hem duidelijk werd hoe misdadig het was, er een fervente opponent van geworden. Keulartz getroost zich veel moeite om de voorkeur van Habermas voor Herbert Marcuse boven Horkheimer en Adorno uit te leggen. Alle drie waren ze leden van de maatschappijkritische Frankfurter Schule. Omdat Marcuse niet in het boek beschreven wordt, haal ik even een zin aan uit de tekst van Keulartz die het denken van Marcuse typeert en dat de richting aangeeft waarin de keuze van Habermas wordt gemotiveerd: ‘Terwijl Horkheimer en Adorno ervan uitgaan dat wetenschap en techniek naar hun wezenlijke aard op beheersing zijn gericht, onderstreept Marcuse het ideologisch misbruik dat van wetenschap en techniek gemaakt wordt om de surplusrepressie in stand te houden.’ Vanzelfsprekend verwaarloost Keulartz Habermas’ theorie van het communicatieve handelen, waarmee hij meestal vereenzelvigd wordt, niet.

Door stelselmatig vertrekkend van eenvoudige vaststellingen en verder stap voor stap de wording en de opbouw van de redenering van Jacques Derrida te volgen, introduceert Dirk de Schutter, docent wijsbegeerte aan de EHSL te Brussel, de lezer op een heldere wijze in diens denken. Hij sluit zijn uiteenzetting af met een verdediging van Derrida tegenover de verwijten dat hij nihilistisch, amoreel en apolitiek zou zijn, maar hij doet dat weerom steunend op Derrida zelf. Annemie Halsema, docent Wijsbegeerte aan de Vrije Universiteit Amsterdam, presenteert de lezer het denken van Luce Irigaray. De naam Irigaray deed bij mij een belletje rinkelen toen ik deze in verband bracht met een studie door Sokal en Bricmont uitgevoerd en neergeslagen in het boek Intellectueel bedrog. Postmodernisme, wetenschap en antiwetenschap (EPO, 1999). Naast een pseudo-wetenschapper als Lacan, bij wie Irigaray psychoanalyse studeerde, en andere postmoderne denkers als Julia Kristeva, Bruno Latour, Gilles Deleuze en Jean Baudrillard figureert ook Irigaray in de studie. Omdat Irigaray een belangrijke vertegenwoordigster is van een bepaalde richting binnen de feministische beweging is zij in het rijtje van hedendaagse filosofen wel op haar plaats.

Ik ben benieuwd wat Halsema weet te vertellen. Zij geeft een objectief relaas van het genderdenken van Irigaray, waarin psychoanalytische elementen van Lacan figureren. Er is niets verkeerd aan het objectief weergeven daarvan, maar ik had wel verwacht dat er minstens een verwijzing naar de niet onbesproken wetenschappelijkheid van Lacans denken in de tekst zou te vinden zijn. Dat is toch verre van onbelangrijk. Filosofie is geen wetenschap, maar men moet niettemin geen loopje met de wetenschap nemen. Mariëtte Bakker, filosoof werkzaam als (web)redacteur, en Jan Flameling, organisator van denkvakanties, workshops en cursussen filosofie, ontvouwen het denken van Richard Rorty in zijn dialoog met de Angelsaksische en continentale filosofie en met de Franse en Duitse tegenstellingen in het kennistheoretische en politieke denken.

Ger Groot, docent filosofie en literatuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen en filosofische antropologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, bespreekt het denken van de katholieke filosoof Charles Taylor. Hij doet dat zo voortreffelijk dat de tekst mij toelaat een alternatieve lezing van Taylor te geven: Taylors originaliteit bestaat erin dat hij als katholiek de moderniteit omarmt, maar dan wel op een genuanceerde manier. Dat wil zeggen dat hij de wortels van de moderniteit in het geloof legt en het resultaat van die moderniteit bestempelt als een negatieve ontwikkeling. Het goede komt dus van het geloof, het slechte van de (Verlichte?) uitwerking. In het concept van het authentieke leven schijnt Taylor het individu te handhaven, maar hem tegelijk, als vrije keuze, in een gemeenschap te plaatsen die bepalend is voor zijn houding. Identiteit blijkt enkel te kunnen in het kader van die gemeenschap. Het dient gezegd dat Groot het denken van Taylor niet tel quel laat, maar kritiek spuit op een nog indringender wijze. Met John R. Searle belanden we terug in de taalfilosofische richting en wel de Ordinary language philosophy. Michiel Leezenberg, docent aan de Universiteit van Amsterdam, ontleedt de taalfilosofie en de filosofie van het mentale en het sociale van Searle en heeft ook oog voor diens niet theoretisch engagement.

Julia Kristeva wordt door Ieme van der Poel, docent Franse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, behandeld. Hier vinden we eveneens een invloed van Lacan, die ik als een poëet beschouw en niet als een wetenschapper. Freud heeft lange tijd een vooraanstaande en invloedrijke positie bekleedt in het domein van de psychologie en ook daarbuiten. De wetenschappelijkheid van zijn theorieën hebben evenwel een flinke deuk gekregen, terwijl de wetenschappelijkheid van Lacan, die eveneens een grote aanhang kende en naar het schijnt nog kent, reeds van in het begin in twijfel werd getrokken, een twijfel die verder gaat dan de kinderziektes van een jonge wetenschap . Dat schrijfsters als Irigaray en Kristeva zich door de psychoanalyse en het Lacanisme hebben laten leiden is dus niet zo verwonderlijk. Het is al even aannemelijk dat zij zodoende in een boek over filosofen van deze tijd terecht komen. Het zou echter nog mooier gestaan hebben indien van der Poel in haar kritiek van deze veranderde tijdsgeest zou gewag gemaakt hebben. Het feit dat van der Poel specialiste is in de Franse letterkunde is misschien nog een excuus, maar wat doet Kristeva dan in een boek over filosofen. Filosofie is dan wel geen exacte wetenschap, maar dat wil niet zeggen dat alles kan, flagrante onwaarheden incluis. Ik vind het spijtig, vooral omdat de bespreking zelf kwalitatief voortreffelijk is.

Van Daniel Dennett heb ik nooit iets gelezen. Alles wat ik over hem weet is via derden. Dat is ook het geval (= via derden) voor de beschrijving van Monica Meijsing, docent Wijsbegeerte aan de Tilburg University en gespecialiseerd in de Phylosophy of mind (lichaam-geest verhouding, bewustzijn, identiteit en perceptie), maar nergens heb ik een zo duidelijke uitleg over Dennetts denken gelezen als bij haar. Het is zo goed geschreven dat Dennetts ideeën er bij mij alleen maar door aannemelijker geworden zijn. Vooral de nauwe samenhang tussen mentale activiteit en hersenwerking was overtuigend. Je moet wel de moeite doen om het cartesiaanse model, dat we allen ingebakken meegekregen hebben, opzij te zetten en open te staan voor zijn redenering. Het is mij ook duidelijk geworden dat, hoewel primair intentioneel gedrag niet bestaat, intentionaliteit als psychologische verklaring van menselijke gedragingen nog niet uit te sluiten is. Dat moet kunnen gesitueerd worden in het concept van de vrije wil zoals Dennett haar beschrijft.

Marianne Boenink is docent wijsbegeerte aan de Universiteit Twente en zij doet onderzoek op het gebeid van de ethiek. Dat maakt haar geschikt om Martha C. Nussbaum te bespreken. Deze Amerikaanse filosofe heeft ook vermaardheid verworven in Europa, waar zij bekend is om haar eigen kijk op de ethiek, waarin de gevoelens weer hun plaats krijgen. Zij steunt daarbij op haar belangstelling voor de literatuur en het morele denken van Aristoteles. Zonder haar aanvankelijke standpunten ontrouw te zijn, verbreedden haar onderwerpen zich tot maatschappelijke problemen en het politieke, met een kosmopolitische ondertoon. Heel wat van haar werk is ook in het Nederlands vertaald.

Heleen Pott en Ties van de Werff, die zijn PhD voorbereid onder Pott, behandelen het denken van Peter Sloterdijk. Na het lezen van de tekst weet ik nog altijd niet waar Sloterdijk voor staat, maar dat is niet te wijten aan de auteurs en ook niet aan mijzelf, want ik denk dat ik daarmee een beetje de essentie van Sloterdijk te pakken heb gekregen. Een pluim dus voor de auteurs. Dat wil evenmin zeggen dat Sloterdijk wartaal spreekt, ver daarvan. Hij staat midden in de culturele realiteit en spuit zijn provokante waarheden alle richtingen uit. Ik heb de indruk dat hij een wereld schept door het samenbrengen van uiteenlopende elementen die tot nog toe niet tot het domein van de filosofie behoorden, maar er wel een plaats in krijgen. Ik zou het noemen: de vastlegging van ‘la parole parlante’ uit Signes van de Franse filosoof Merleau-Ponty. Kenmerkend voor Sloterdijk is blijkbaar ook zijn beeldspraak, zoals de voorstelling van de vluchtigheid van onze hedendaagse cultuur als ‘schuim’. Heidegger construeerde een eigen taal om aan haar ontoereikendheid tegemoet te komen; Sloterdijk doet het met een rijke beeldentaal. De Oudgriekse filosoof Anaximenes gebruikte eveneens beeldspraak om abstracte begrippen uit te drukken. De verdichting van stoffen stelde hij door het verviltingsproces voor. Het gaat niet enkel om de uitdrukking van een abstract begrip, maar ook om de plasticiteit van de voorstelling.

Waar de wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn, die ook in dit boek besproken wordt, de sociologische benadering van de wetenschappelijke bedrijvigheid met historische gegevens voert, doet Bruno Latour antropologische onderzoek naar de bestaande praktijken, zoals participerende observatie in een laboratorium. Latour stelt vast dat niet de waarheid van een bewering bepaalt of ze aanvaard wordt, maar het aanvaard worden bepaalt of een bewering waar is. Met voorbeelden en uitweidingen ontleend aan Latour zelf, maakt Tsjalling Swierstra, professor Filosofie aan de Universiteit Maastricht, diens stelling duidelijk. Gezien de eerder flauwe kritiek van Swiestra, een kritiek die in schril contrast staat tot de degelijkheid van de presentatie, zal ik er zelf wat aan toe voegen.

Dat niet wetenschappelijke factoren het al dan niet aanvaarden van wetenschappelijk werk kunnen beïnvloeden is nog min nog meer aannemelijk en wordt ook door wetenschappers ervaren. Maar, dat wetenschappelijke criteria er zo weinig toe doen als uit de filosofie van Latour te voorschijn komt, is echter wat te eenzijdig. Neem bijvoorbeeld de psychoanalyse, die reeds aan bod kwam. Jaren heeft deze leer een onterechte en prestigieuze plaats gekregen in de wetenschappelijke dieptepsychologie en ook in de maatschappij als geheel en dat is ongetwijfeld een schoolvoorbeeld voor de theorie van Latour. Maar, uiteindelijk, onder de invloed van de sceptische beweging, is haar onwetenschappelijkheid ontmaskerd en wel vanuit het streven naar wetenschappelijke zuiverheid, iets waarvoor bij Latour geen plaats blijkt te zijn. Ook peeronderzoek waaraan wetenschappelijke artikelen onderworpen worden, vormen een filter tegen de verspreiding van onwetenschappelijke bevindingen, ook al glipt er soms minder goed werk door de mazen van het net. Dat is een bevestiging van zowel het sociaal karakter van de wetenschap, dat Latour beschrijft, als van haar ‘zuiverheid’.

Aansluitend hierop wil ik de aandacht vestigen op een boek dat vorig jaar verscheen van de hand van Gustaaf C. Cornelis en de titel draagt: Eerlijke wetenschap (Lannoo Campus). Daarin wordt onomwonden wetenschappelijke fraude behandeld alsook een voorstel om eraan te remediëren. Slordig peeronderzoek van wetenschappelijke artikelen komt er ook in aan bod. Volgens Gijs van Oenen, docent praktische filosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, moet iemand die geen affiniteit heeft met Lacan niet aan Slovoj Zizeks werk beginnen. Nu, dat is dan tijd uitgespaard. Maar ik zal toch de bespreking van van Oenen doornemen. Immers, het is niet omdat Lacan prietpraat vertelt dat iemand die zich op hem beroept dat per se ook doet. Uit onzin ontstaat misschien toch noch zin. Zizek is niet een auteur die onder één noemer valt te ressorteren. Zijn mediageile provocaties daar gelaten, heeft hij, naast zijn laagtes, ook zijn hoogtes, maar die beoordeling kan met een wervelend denken als dat van Zizek enkel in detail besproken worden. Ik stel mij wel de vraag of Zizeks ontnuchterende originaliteit soms niet als gewoonweg onzin moet afgedaan worden. De bewering van van Oenen dat het genot van de Zizek-omelet iets te veel in het breken van de eieren ligt vind ik zo treffend dat ik niet kan nalaten het hier aan te halen.

Bij de bespreking van het vorige hoofdstuk, namelijk over Zizek, had ik het over de mogelijkheid om vertrekkende van Lacan toch zinnige dingen te produceren. Dat lijkt mij het geval te zijn bij Judith Butler. Omdat ik haar pas met dit boek leer kennen (Voordien was haar naam voor mij aan slechts vage ideeën verbonden.) en dus moet voortgaan op wat mij nu verteld wordt, houd ik dat toch nog even in beraad, maar de tekst van Veronica Vasterling en Adriano Habed, master Filosofie cum laude aan de Radboud Universiteit Nijmegen, geven mij wel vertrouwen. Het centrale begrip in Butlers filosofie is performativiteit. Performativiteit gaat voorbij aan zowel culturalisme als naturalisme om de aandacht voor normatieve discursieve praktijken centraal te stellen. Steunend op de dieptepsychologie en de sociale gebondenheid van het individu, ontwikkelt zich haar denken in een politiserende richting. Zij participeert dan ook ten volle in alle heikele hedendaagse controversiële thema’s. Het begrip kwetsbaarheid speelt daardoor een belangrijke rol in het theoretiseren daarover, in combinatie met het begrip performativiteit.

Meerdere medeauteurs van het boek halen Lacan en de psychoanalyse onproblematisch aan. Freud en later ook Lacan hebben een stempel gedrukt op het denken van heel wat filosofen, zodat het niet onverantwoord is deze beide (beruchte) iconen aan te halen. Ondertussen zijn we al wat wijzer geworden en werden onwetenschappelijke aspecten van hun systemen ontmaskerd. Voor wie daar meer wil over vernemen verwijs ik graag naar het boek van Filip Buekens, Jacques Lacan: Proefvlucht in het luchtledige (2006), uitgegeven bij Acco. Deze kritiek is zowat de enig belangrijke die ik op het boek meen te moeten uiten. Stuk voor stuk zijn de behandelingen, voor zover ik daarover kan oordelen, degelijk, volledig en ook begrijpelijk. Ze bieden de studenten, wel niet een inzicht in de grote stromingen van het hedendaagse denken, maar wel een waardevolle bespreking van het denken van de individuele vertegenwoordigers van dat onoverzichtbare kluwen van stromingen. De samenstellers hebben gekozen voor de individuele benadering omdat het blijkbaar een onbegonnen werk is om grote lijnen te ontdekken in de hedendaagse wijsbegeerte. De onderlinge beïnvloeding en verwantschappen geven aanleiding tot een wirwar van uiteenlopende combinaties van ideeën. Misschien hebben we nog niet de samenvattende woorden gevonden om tussen de diverse individuele denkgehelen te discrimineren.

Dat het boek in eerste instantie voor studenten is bedoeld betekent niet dat ook anderen er niet mee gediend zijn. Wie, net als de studenten, een introductie tot de hedendaagse filosofie wenst of een naslagwerk daarover, is met deze editie op zijn wenken bediend.


Recensie door Hendrik Vanmassenhove, PhD.

Maarten Doorman en Heleen Pott (Red.), Filosofen van deze tijd. Amsterdam, Prometheus Bert Bakker, 2014, 509 p.

Links
mailto:info@liberales.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be