Doeners en Denkers

boek vrijdag 08 oktober 2010

Yves Desmet en Jos Geysels

Uit recent onderzoek blijkt dat nog maar 17% van de Belgen vertrouwen heeft in hun politici. Daarmee scoren de democratisch verkozen vertegenwoordigers van de burgers zelfs lager dan journalisten en reclamemakers. Alleen bankiers doen het nog slechter. Die lage score van de politici in ons land heeft ongetwijfeld te maken met het erbarmelijke beleid van de voorbije jaren, maar volgt wel een trend die al decennialang bezig is, ook in andere landen trouwens. Een van de belangrijkste oorzaken is allicht de complexiteit van de problemen waarmee alle bewindvoerders te maken hebben tegenover de wens van de burgers om te komen tot snelle oplossingen. Vooral politici van de traditionele partijen (christen-democraten, socialisten en liberalen) hebben het de voorbije jaren steeds moeilijker om hun genuanceerde standpunten over te brengen. Het gevolg is dat ze steeds verder afkalven ten voordele van populistische partijen die inspelen op de angst en onzekerheid bij de burgers en de indruk geven dat ze de maatschappelijke problemen pijnloos en radicaal kunnen oplossen. Niet dat de traditionele partijen vrij zijn van populisme – denk aan het kartel van CD&V met NVA dat in 2007 de kiezers voorhield om het probleem BHV met ‘vijf minuten politieke moed’ op te lossen – maar eenmaal in de regering beseffen ze dat er water in de wijn moet gedaan worden. Maar de meer fundamentele reden is de ontideologisering van de politiek die al een tijd aan de gang is.

Juist op dat ogenblik en tegen die trend in komen journalist Yves Desmet en oud-politicus Jos Geysels met het boek Doeners en Denkers op de proppen. Het betreft de neerslag van een reeks dubbelgesprekken die ze voerden met een aantal Vlaamse toppolitici die een duidelijk ideologisch profiel hebben en hun favoriete intellectuele inspirator of voorbeeld. Zo krijgen we een goed beeld van het gedachtegoed van de betrokken politici en de intellectuele bronnen waaruit ze hun inspiratie, maatschappijbeeld en engagement putten. Het resultaat is een opeenvolging van heldere standpunten en goed onderbouwde analyses die een verademing vormen tegenover het kortetermijndenken, de oneliners en het platte politieke opportunisme die het politieke handelen in de Wetstraat zozeer domineren en juist de oorzaak vormen van zoveel afkeer bij de burgers. Desmet en Geysels stellen vooraf vast dat de relatie tussen partijen en hun kiezers de voorbije decennia grondig veranderd is. Terwijl er vroeger een grote vorm van loyaliteit bestond, gedragen burgers zich nu als een soort ‘aandeelhouders’ die azen op een snel rendement voor de stem die ze op iemand hebben uitgebracht. Een tweede trend is het afwentelen van elke verantwoordelijkheid op de in hun ogen falende overheid. Ten slotte is er ook de vaststelling dat in tegenstelling tot vroeger niet langer ‘de besten van een samenleving’ betrokken zijn bij de politiek maar vaak elders carričre maken.

De diverse politici, Jean-Luc Dehaene, Vera Dua, Karel De Gucht, Frank Vandenbroucke, Bart De Wever, Guy Verhofstadt en Herman Van Rompuy, vonden (of zoeken) hun inspiratie bij de meest uiteenlopende economen, filosofen en sociologen die uiteraard verschillende standpunten innemen, maar toch zijn ze het, net als de politici, over één trend eens. We beleven het einde van het tijdperk van het neoliberalisme en het wilde kapitalisme die sinds de jaren tachtig het intellectuele, politieke en economische discours zo beďnvloed hebben. Typerend hiervoor was de schuldbekentenis van Alan Greenspan, de voormalige voorzitter van de Amerikaanse centrale bank, die er zijn hele leven stellig van overtuigd was dat de accumulatie van welvaart het best kon gebeuren door het voortdurend wegnemen van hindernissen binnen de vrije markt, door dereguleringen, privatiseringen en zo weinig mogelijk controle van de staat. Na de bankencrisis zei hij in oktober 2008 voor een commissie van het Huis van Afgevaardigden dat hij fout was geweest. Dit bewustzijn komt aan bod bij Frank Vandenbroucke en Guy Verhofstadt. De eerste zegt in zijn gesprek met de Franse socioloog Pierre Rosanvallon dat de socialisten zich al te gemakkelijk hebben neergelegd bij de dominantie van de vrije markt. De tweede geeft in zijn interview met Nobelprijswinnaar economie Amartya Sen toe dat hij vroeger geloofde dat markten zichzelf kunnen controleren.

Het lijkt wel de grote herontdekking van de noodzaak van een actieve overheid die duidelijke regels oplegt, zoals ook Adam Smith voorstond. ‘Hij verdedigde niet alleen de rol van de staat bij het aanbieden van publieke diensten zoals onderwijs en het steunen van de armen, maar hij was ook bezorgd over de ongelijkheid en de armoede die zou kunnen blijven bestaan in een verder succesvolle markteconomie’, aldus Sen waarmee hij zich afzet tegen de zogenaamde neoliberalen en libertariërs van de Chicago School. Die regels zouden volgens beide politici moeten komen op wereldvlak waarmee ze zich keren tegen de nationalistische tendensen om terug te vallen op de natiestaat als voornaamste regulator. Ook Jean-Luc Dehaene toont zich in zijn gesprek met de Amerikaanse futuroloog Alvin Toffler voorstander van mondiale regels die men zou moeten kunnen opleggen, alhoewel de Amerikaan daar bijzonder sceptisch tegenover staat. ‘Amerika heeft een traditie van wantrouwen tegen hiërarchisch leiderschap’, waarmee hij in enkele woorden de positie van zijn land en zijn leiders verwoordt die al lang weigeren mee te werken aan internationale akkoorden, denk aan de implementatie van de richtlijnen van de Internationale Arbeidsorganisatie, het Kyotoprotocol en de erkenning van het Internationaal Strafhof in Den Haag.

Volgens de Franse filosoof Luc Ferry, de gesprekspartner van Herman Van Rompuy, hebben we vandaag niet alleen te maken met het failliet van het neoliberalisme op financieel-economisch vlak, maar ook met een sociologische en spirituele crisis. Hij ziet een duidelijke deconstructie van de traditionele waarden en de kerk, een grote proliferatie van de angst – ongetwijfeld een van de redenen waarom populistische discours zo aanslaan – en toenemende liefde voor onze naasten, kinderen en familieleden. Voor Van Romuy is die liefde voor de naaste de essentie van zijn christelijk geloof en hij benadrukt dat niets belangrijker is dan de mens. Dus ook niet de natie, het vaderland of God waarvoor zoveel Europeanen zich in het verleden opgeofferd hebben. De conservatieve publicist Theodore Dalrymple en zijn gesprekspartner Bart De Wever, wijzen dan weer op het morele verval en wijzen met een beschuldigende vinger naar het Verlichtingsdenken. Volgens De Wever is ‘de kruistocht tegen ouderwetse en te religieuze waarden’ te ver gegaan en daar zijn de jaren zestig volgens hem schuldig aan. Daar heeft de Amerikaanse topdiplomaat Robert Cooper in zijn gesprek met Karel De Gucht een andere kijk op. Zo verwijst hij naar de marsen voor burgerrechten in 1968 en de burgerrechtenwetgeving die daaruit voortvloeide, onmiskenbaar een groot succesverhaal en een aanzet naar meer individualisering van de samenleving. Daar zijn nogal wat intellectuelen bevreesd voor, behalve dan Alvin Toffler die zich als oudste van alle deelnemers nog het meest optimistisch toont.

Het doemdenken zit hem vooral bij de filosoof Ton Lemaire, gekozen door Vera Dua, die de aanpak van de huidige crisis totaal onvoldoende vindt. Hij pleit voor een gigantische en mondiale mentaliteitsverandering waarin niet langer gepleit wordt voor meer groei, maar voor een ‘concept van vrijwillige eenvoud’. Wat dit juist betekent, komt in dit boek niet duidelijk aan bod maar wel in zijn nieuwste publicatie De val van Prometheus waarin hij het geloof in de vooruitgang en onze verslaving aan consumptie hekelt, en pleit voor een radicale verkleining van onze ecologische voetafdruk. ‘Al die oplevingsplannen die iedereen nu bedenkt om het (kapitalistische economische) systeem draaiende te houden, bewijst dat er over dat systeem zelf niet fundamenteel wordt nagedacht’, aldus Lemaire, die er aan toevoegt dat geen enkele partij, ook GroenLinks niet, het dogma van de economische groei in twijfel durft te trekken. Maar Vera Dua beseft dat ze als politica een ‘verteerbaar’ programma moet voorleggen teneinde kiezers te overtuigen en benadrukt dat men het milieuprobleem moet oplossen samen met sociale rechtvaardigheid, ‘of je verdwijnt snel in antihumanisme en puur groene spiritualiteit’.

Doeners en Denkers is een interessant politiek boek omdat het beter dan andere de tijdsgeest weergeeft, het einde van het dominante neoliberalisme en marktfundamentalisme, en de houding daar tegenover van bewindvoerders met uiteenlopende achtergronden. Hun analyses van wat er misloopt komen in zekere mate overeen, maar de richting waarin ze willen uitgaan verschilt dan weer grondig. Daarmee geven Desmet en Geysels indirect aan hoe cruciaal een democratie is. De Franse filosoof Claude Lefort zei het als volgt: “De democratie is de enige samenlevingsvorm die het onophefbare sociale conflict dat aan de basis van elke maatschappij ligt, erkent. Meer nog, ze leeft van dat conflict. Het is haar bron van energie en vernieuwing. De conflictualiteit kan in een democratie noch worden opgeheven, noch te boven gekomen.”


Recensie door Dirk Verhofstadt

Binnenkort verschijnt een recensie van het boek ‘De val van Prometheus’ van Ton Lemaire

Yves Desmet en Jos Geysels, Denkers en Doeners, De Bezige Bij, 2010, 187 blz.

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be