De tragiek van de bevrijding

boek

Frank Dikötter

Frank Dikötter (°1961) is een Nederlander die doceert aan de universiteiten van Hong Kong en Londen. Hij woont in Hong Kong. Dit boek maakt deel uit van een trilogie. Eerst verscheen Mao’s Great Famine (2010), waarin Dikötter op grond van archiefmateriaal de afgrijselijke hongersnood tijdens de Grote Sprong (1958-1962) beschrijft. Hij spreekt daar over minstens 45 miljoen doden. Deel twee behandelt de periode 1949-1957. Het derde deel gaat over de Culturele Revolutie (1966-1976). In de periode 1949-1957 kreeg de communistische maatschappij zijn specifieke vorm: de landbouw werd gecollectiviseerd en de staalindustrie werd opgebouwd met de opbrengsten van de boerderijen.

Het boek begint met de burgeroorlog van 1945-1949, in China de periode van de bevrijding genoemd, maar door de auteur omschreven als de verovering door uithongering. Steden werden omsingeld en bewust afgesloten van de graanvoorraden van het platteland. Dit leidde bij de inwoners tot het eten van gras, insecten en boomschors en uitzonderlijk tot kannibalisme. Dikötter geeft voorbeelden van steden in Mantsjoerije, waar 160.000 mensen omkwamen van honger. Mao’s Volksbevrijdingsleger, waarin Deng Xiaoping een prominente rol speelde, kon Beijing (31 januari 1949) en andere steden innemen zonder één schot te lossen. De inwoners boden geen verzet uit angst voor een langdurige uithongering. Toch deed Mao zijn intrede in Beijing pas maanden later, in een gepantserde Dodge limousine, die in de jaren ’30 gebouwd was voor Tsjang Kai-sjek.

De inname van steden gebeurde telkens met de nodige show en met het roepen van slogans zoals “Lang leve de Communistische Partij” en “Lang leve voorzitter Mao”. Voor velen leek Mao inderdaad de verlosser van China. Elke toespraak van hem werd onthaald op een donderend applaus. Het platteland werd anders, maar niet zachter aangepakt: de opgejutte boeren kregen aanvankelijk een stuk grond, in ruil voor het aanklagen en uitmoorden van de vorige landeigenaars. Ongeveer twee miljoen landheren werden vermoord, levend begraven of in stukken gesneden, hoewel ze vaak nauwelijks meer bezit hadden dan hun arme buren. Hun kinderen ondergingen dezelfde slachting. Tsjang vluchtte met 1 à 2 miljoen nationalistische aanhangers naar Taiwan. Drie decennia of langer hadden zij geen contact meer met hun familie op het vasteland.

Einde 1949 werd ook Xinjiang veroverd. Dit moslimgebied is strategisch gelegen en rijk aan grondstoffen. Op 7 oktober 1950, terwijl de aandacht van de wereld op de oorlog in Korea gericht was, viel het leger van Mao Tibet binnen en veroverde ook dat gebied. Daarna vond de Grote Terreur plaats tegen alle overblijvende vijanden van de partij. Mao legde de quota vast: 1 op 1000, maar op vele plaatsen werden er twee of drie geëxecuteerd of doodgemarteld. Ook hier waren kinderen bij. Einde 1951 waren er twee miljoen mensen uitgemoord. Nog meer zaten opgesloten of pleegden zelfmoord. Geweld was het wezen van de revolutie, maar terreur zaaien en intimideren hoorden er evenzeer bij.

Een ander aspect van de “bevrijding” was het komaf maken met de vele buitenlanders die in China verbleven. Rond 1920 waren dat er minstens 350.000, maar zelfs na het teruggeven van de concessies (1918-1943) was hun aantal gegroeid tot ruim een half miljoen. Chinese kuststeden waren even kosmopolitisch als Europese of Amerikaanse. De communisten maakten er korte metten mee. Hun bedrijven, culturele en liefdadige organisaties werden in beslag genomen, ze vlogen het land uit, maar moesten alle persoonlijke bezittingen achterlaten. Velen verdwenen spoorloos. Katholieke geestelijken ondergingen de ergste vernederingen en folteringen.

In de plaats van de Europeanen en Amerikanen, kwamen de Sovjets massaal naar China. In oktober 1950 waren ze met 150.000. Maar in tegenstelling tot de Westerlingen, hadden zij weinig of geen contact met de Chinese bevolking. De CCP was vanaf het begin gefinancierd door de Komintern, hoewel Stalin vaak (1927, 1945, 1949) op twee paarden wedde. Hij vernederde Mao bij zijn eerste bezoek aan Moskou. Toch kwam het tot een vriendschapsverdrag en wederzijdse handel en werd het Russisch de enige vreemde taal op school, net zoals in het Oostblok. De Russisch-Chinese samenwerking leidde ook tot de Korea-oorlog. De auteur legt gedetailleerd uit hoe Stalin en Kim Il-Sung de oorlog samen voorbereidden. Maar Stalin was zo sluw om zelf geen troepen te leveren. Daarvoor stuurde hij Kim in april 1950 naar Mao. Die ging akkoord, want hij had de lucht- en zeemacht van Stalin nodig om Taiwan te veroveren, wat uiteindelijk niet gebeurd is.

Stalin leverde wel tanks en vliegtuigen aan Noord-Korea en Russische generaals planden de aanval op 25 juni 1950. De troepen van Zuid-Korea werden snel verjaagd. Truman liet Amerikaanse troepen onder leiding van MacArthur uit Japan overkomen. Vijftien VN-lidstaten voegden zich bij hen. Zij dreven de aanvallers weer naar het Noorden, tot ze overrompeld werden door een paar miljoen Chinezen. Voor de VS was dit een zware vernedering, voor Mao een grote eer. Bij de Chinezen vroren hele eenheden dood, omdat ze niet gekleed waren voor temperaturen van -30°, de ijskoude wind en de vallende sneeuw. In 1951 sloegen de Amerikanen terug, onder leiding van generaal Ridgway. MacArthur wou nucleaire wapens inzetten, maar werd in april 1951 ontslagen door Truman.

Vanaf 1951 begonnen de onderhandelingen. Mao rekte ze, omdat 21.000 Chinese krijgsgevangenen weigerden terug te keren naar hun land. De loopgravenoorlog ging nog twee jaar door, met veel slachtoffers, vooral door gebrek aan voedsel en medicijnen. Na Stalins dood volgde er een bestand. Van de drie miljoen Chinese soldaten waren er 400.000 omgekomen. Toch triomfeerde Mao: hij had de machtigste natie ter wereld tot een gelijkspel gedwongen. Maar een groot deel van de Chinese bevolking en van de wereld had drie jaar in angst geleefd voor een derde wereldoorlog. En China had zich blauw betaald aan de Russische wapenleveranties. De economische kostprijs van de oorlog was enorm : de militaire uitgaven slokten 55 % op van de totale begroting.

De bevolking werd afgeperst om deze mee te betalen door een derde van hun loon of van hun oogst af te staan, ook als ze straatarm waren. De leiding van de afpersing lag onder andere bij Deng, die in het zuidwesten, de graanschuur van China, zoveel graan liet afpakken van de boeren, dat ze geen zaaigoed overhielden voor het jaar daarop. Boeren probeerden een deel van hun graan te verbergen, maar ze werden zolang afgeranseld en gefolterd tot ze alles afgaven. Deng werd beloond: hij werd vicepremier en lid van het Politbureau. Ondertussen bleef de Chinese desinformatiemachine de bevolking wijsmaken dat Amerika een hel was voor zijn miljoenen armen en dat het zich schuldig maakte aan biologische oorlogsvoering. Deze campagne leidde ertoe dat de mensen zich massaal lieten inenten, maskers gingen dragen en aangespoord werden om de vijf plagen te doden: vliegen, muskieten, vlooien, luizen, ratten. Zelfs honden werden uitgeroeid in de steden.

Een volgende fase (1952-1956) was de gelijkschakeling en de omvorming tot ‘Nieuwe Mens’, het communistische ideaalbeeld. Iedereen werd herschoold aan de hand van de communistische catechismus. Dit deel begint met de zuivering of de grote schoonmaak binnen de partij. Hoge en lage partijfunctionarissen werden genadeloos geëxecuteerd wegens corruptie en verduistering van geld. Ongeveer vier miljoen ambtenaren werden vervolgd en zwaar mishandeld, omdat ze zich “hadden laten omkopen door de bourgeoisie”. Ook kleine zelfstandigen en bedrijfsleiders werden hard aangepakt, vernederd, gefolterd en tot bekentenissen gedwongen. Velen pleegden zelfmoord. Deze strijd tegen de “bourgeoisie” legde de handel en industrie grotendeels plat, zodat de werkloosheid de hoogte in ging.

De “Gedachtecorrectie” dan. Intellectuelen en hoger opgeleiden waren voor Mao verdacht en moesten omgevormd worden tot goede communisten. Wie zich niet meteen bekeerde, werd ontslagen en vloog naar de gevangenis of naar een heropvoedingskamp. Er kwam een strenge censuur op kranten, boeken en uitgeverijen. Theater, opera, film en ballet kregen een nieuwe functie, namelijk de communistische boodschap uitdragen. Films kwamen dikwijls uit de Sovjet-Unie in plaats van uit Shanghai. Boeddhistische kloosters werden verwoest of omgebouwd tot kazernes, scholen en fabrieken. Monniken werden gedood of naar een heropvoedingskamp gestuurd, geschriften verbrand, gronden onteigend. Niemand mocht nog intreden in een klooster.

Vóór 1949 telde China drie miljoen katholieken en protestanten. Ze werden soms urenlang verhoord, ze moesten hun banden met het buitenland verbreken en hun geloof in het openbaar verloochenen. In 1951 werd de katholieke “patriottische kerk” opgericht. Ze predikte het woord van de staat. De protestanten die zich er niet bij aansloten, kregen huisarrest of werkkamp. Kerken werden leeggehaald. En in zulke kerken hingen spandoeken: “Leve Mao”, “Leve het communisme”. In 1954 was het aantal katholieken gehalveerd en van de 16.000 kerken bleven er slechts 3.252 over. In 1955 volgde nog eens een arrestatie van 1.500 christenen. Ook moslims werden geslagen en gelyncht. Moskeeën werden onteigend. In Xinjiang vielen duizenden doden bij opstanden. Honderdduizenden kolonisten werden er gevestigd. En het ergste moest nog komen. In 1966 openden de Rode Gardisten de echte aanval op de islam. Vele gelovigen werden toen uitgeroeid.

Een ander aspect van de revolutie was dat van de gebroken beloften. Naar het voorbeeld van Lenin, beloofden Mao en de zijnen aan de mensen wat ze het liefst hoorden: land voor de boeren, zelfstandigheid voor de minderheden, vrijheid voor de intellectuelen, eigendomsbescherming voor de zakenlieden en meer welvaart voor de arbeiders. Die beloften werden één na één gebroken. De ambtenaren van Tsjang Kai-sjek, die op het postkantoor, stadhuis of politiekantoor gebleven waren op vraag van de communisten, werden afgedankt of gevangen gezet. In 1952 werden bedrijfsleiders opgepakt en uitgescholden door opgezweepte arbeiders. Samen met de landheren en de rijke boeren, hoorden zij tot de “slechte klassen van de bevolking”. Hele familievermogens verdwenen. 800.000 eigenaars, van kleine winkeliers tot grote fabrikanten, werden beroofd van al hun bezittingen.

Alleen al in Shanghai pleegden in twee maanden tijd 600 ondernemers zelfmoord. Op korte tijd veranderde deze bruisende stad in een zieltogend verval. Duizenden fabriekjes sloten de deuren. Winkelcentra, ook in andere steden, leken doods en verlaten. De werkloosheid schoot omhoog. Fuzhou, recht tegenover Taiwan, spande in 1950 de kroon met 100.000 werklozen op een half miljoen mensen. Het Engels, de taal van de “imperialistische uitbuiting”, werd overal verboden. Ook de mode veranderde snel, d.w.z. verdween. Juwelen, make-up, ringen werden verboden. Al snel zat iedereen in hetzelfde pak en zag er hetzelfde uit. Nooit waren zoveel mensen uiterlijk zo gelijk. De onafhankelijke rechtbanken werden vervangen door volkstribunalen van ongeschoolde arbeiders en boeren.

In datzelfde jaar verloren ook de overblijvende zelfstandige boeren hun grond en hun vee. Ze werden gedwongen om samen te werken en hun gereedschappen en werkdieren aan elkaar uit te lenen. In 1955 was 14% van de boeren lid van een coöperatie, in 1956 was dat al meer dan 90%. Vanaf 1953 zorgde het staatsmonopolie op graan dat een boerengezin nog maar recht had op 145 kilo in plaats van 300. Dit leidde tot hongersnood in vele gebieden. Miljoenen Chinezen verdwenen in de “laogai”, afkorting van laodong gaizao of verbetering door arbeid. Behalve arbeid, was er vooral veel indoctrinatie. Het voorbeeld was de Russische goelag. Ook de Chinese kampen lagen (en liggen) verspreid over heel het land. De foltermethodes en de vernederingen waren gruwelijk.

De propagandamachine werkte goed. China bazuinde zijn successen uit, met productiecijfers die even indrukwekkend waren als de Russische. Geselecteerde buitenlanders werden gratis rondgeleid in modelscholen, modeldorpen, ziekenhuizen, fabrieken, coöperaties etc. De Derde Wereld keek met respect naar het land dat er zogezegd in slaagde al zijn inwoners dagelijks eten te kunnen geven. De toespraak van Chroesjtsjov (1956) had niet alleen gevolgen in Polen en Hongarije, maar ook in China. Mao hoorde niet graag dat Stalin onschuldigen had opgesloten en vermoord en dat hij de landbouw kapot had gemaakt, want hij had hetzelfde gedaan. En hij hoorde nog minder graag wat Gomulka in Polen verkondigde, namelijk dat Polen verarmd was door de Russische uitbuiting.

Naar Hongaars voorbeeld, braken ook in China stakingen en betogingen uit van studenten en arbeiders. Mao beloofde beterschap, hij verklaarde dat Stalin voor 70% gelijk had en voor 30% ongelijk. Die procenten worden door de Chinese leiders nu ook op Mao gekleefd. Maar Mao veroordeelde krachtig de Hongaarse opstand. Hij gaf de mensen de kans om hun mening te uiten op grote vellen papier, maar de tijd van bloeiende bloemen was snel voorbij. Wie kritiek uitte of deelgenomen had aan betogingen of aan stakingen, werd zwaar gestraft.

Dikötter stelt dat tussen 1949 en 1957 minstens vijf miljoen Chinezen het leven verloren. Dat zijn er vijf miljoen teveel, maar vergeleken met de 45 miljoen die volgens hem omkwamen tussen 1958 en 1962, is dat niet zo’n indrukwekkend cijfer. Hoewel de CCP ongenadig hard optrad, bleef het ledenaantal groeien. Naast opportunisten, waren dat vooral idealisten, die in Mao bleven geloven, ook als ze zelf naar de laogai werden verbannen. De propaganda die Mao de wereld in stuurde, was zo handig verpakt, dat ook buiten China vele intellectuelen erin geloofden, decennialang. En helaas ook auteurs van handboeken geschiedenis in Vlaanderen en Nederland.

Dikötter haalde zijn cijfers uit archiefmateriaal en uit 20 pagina’s artikels en boeken. Bij dat regionaal archiefmateriaal zitten rapporten van de Chinese geheime dienst, teksten van afgedwongen bekentenissen, klachtenbrieven van gewone mensen, cijfermateriaal over slachtoffers. Doordat er nergens één positief woord gezegd wordt, komt het boek, net zoals The Great Famine, over als één lange klaagzang. Willekeur en terreur maakten onlosmakelijk deel uit van het Chinese communisme, ook vóór de fatale Grote Sprong (1958-1962) en vóór de ontsporingen tijdens de Culturele revolutie (1966-1976). En behalve Mao en Deng, waren er nog heel veel andere schuldigen aan deze wandaden.

Ondertussen blijft het uitzien naar de opening van de Chinese archieven en naar een Chinese historicus, die toegang krijgt tot alle bronnen in plaats van gedeeltelijke en die de periode van Mao objectief onderzoekt en beschrijft, het collectief geheugen wakker schudt en een verleden naar boven haalt waar velen wellicht liever niet aan herinnerd worden. Nu krijgen we extrapolaties naar heel China op basis van beperkte bronnen. De boeken van Dikötter zijn in het Chinees vertaald, maar zullen in China nog lang op de lijst van de verboden literatuur blijven staan.






Recensie door Jef Abbeel

Frank Dikötter, De tragiek van de bevrijding. De geschiedenis van de Chinese Revolutie 1945-1957, vertaling van The Tragedy of Liberation, Uitgeverij Spectrum, Houten / WPG, Antwerpen, 2013.

Links
mailto:jef.abbeel@skynet.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be