Dictators

boek

Chams Eddine Zaougui

Dictators. Een Arabische geschiedenis van Chams Eddine Zaougui, een Vlaamse arabist met Tunesische roots, munt uit in helderheid. Dat blijkt al uit de haast botte structuur van de delen van zijn boek: 1. De grondlegger, 2. De verraders, 3. De martelaren, 4. De revolutionairen, 5. De hypocrieten, en 6. De extremisten. Die aanpak heeft alvast het voordeel van de duidelijkheid. Waarschijnlijk heeft Zaougui ook gelijk als hij ervan uitgaat dat de modale westerling te weinig weet over de politieke radertjes en mechanismen in de Arabische wereld. Een kwisvraag illustreert dit. Wie was de eerste president van Egypte? Nasser. Fout. Het was Mohammed Naguib. Ook de auteur heeft dit tot eigen schade en schande mogen ontdekken. ‘Zo populair als Naguib toen was, zo onbekend is hij vandaag. Hij is als bij toverslag in de mist van de geschiedenis verdwenen. Zo kwam ik pas na mijn studie arabistiek en eerder toevallig te weten dat niet Nasser maar Naguib de eerste president van Egypte was.’

Een historisch boek dat heel eerlijk met zo’n onthulling begint, heeft meteen de aandacht van de lezer. Gamal Abd al-Nasser mag dan niet de eerste president geweest zijn, hij was wel de grondlegger van het moderne Egypte en groeide uit tot een inspirerend icoon voor de rest van de Arabische wereld. Zaougui beschrijft enthousiast het enthousiasme dat deze ‘goede dictator’ ten deel viel. Nasser had de bevolking op zijn hand. Hij was erin geslaagd om de Engelsen en Fransen uit Egypte te jagen en had nadien een soort sociaal contract met zijn onderdanen gesloten. In ruil voor werk, gratis onderwijs, armoedebestrijding en verdeling van landbouwgrond was het volk absolute gehoorzaamheid aan de president verplicht. . ‘Burgers moesten dankbaar in ontvangst nemen wat ze aangeboden kregen, en zich verder koest houden.’ Die deal werd door de meerderheid maar al te graag geaccepteerd.

Wie dat niet deed, zoals de Moslimbroederschap of kritische journalisten, kon op rücksichtslose terreur rekenen. Religieuze voormannen werden gemarteld en geëxecuteerd. De staalharde repressie belette niet dat andere Arabische landen zich aan het succesvolle voorbeeld van Nasser optrokken. Er werd zelfs gedroomd over Arabische eenheid – even was er de Verenigde Arabische Unie -, militairen als Kadhafi, Assad sr en Saddam Hoessein pleegden in navolging van Nasser een staatsgreep en landen als Algerije verzetten zich tot het uiterste tegen het koloniale Frankrijk – mede met financiële steun van Nasser. Helaas, de ‘socialistische revolutie’ van Nasser reed zich vast. Corruptie, cliëntelisme en persoonsverheerlijking namen hand over hand toe en met zijn opvolgers, ‘de verraders’, ging het van kwaad tot erger. De patrimoniale structuur van het land werd hardhandig behouden, maar nu zonder sociaal contract met de bevolking zodat die meer en meer verpauperde.

Egypte ruilde de Sovjet-Unie in voor Amerika en schakelde van socialisme over op kapitalisme. Zaougui: ‘Veel Arabische leiders besloten vanaf de jaren zeventig om hun economie langzaam open te stellen voor de wereldmarkt en de nodige hervormingen door te voeren: privatisering, deregularisering, snoeien in de sociale uitgaven. Het nieuwe beleid kreeg de optimistisch klinkende naam infitah of “openstelling”. Het was een sleutelmoment in de geschiedenis van de Arabische wereld.’ De leiders werden schatrijk, de bevolking zonk in ‘dickensiaanse ellende’ en moest zien te overleven met wat Arabieren vitamine W noemen oftewel wasta: invloed, connecties. ‘Om een job te bemachtigen, binnen te raken in een goede school, een proper bed te krijgen in een ziekenhuis, je rijbewijs te halen (zonder ooit een examenlokaal te betreden), of iedereen fijn te kunnen voorbijsteken bij de douanecontrole. Wasta opent deuren, zonder blijven ze dicht.’

Zaougui werkt dit wasta-systeem concreet uit aan de hand van de tonnen documenten die de Amerikanen vonden in Irak na de inval in 2003. Daarin stond haarscherp beschreven welke leden van de Baath-partij welke voorrechten genoten (in zake grond, geld en macht). Wie geen lid van de Baath-partij was, kon het schudden of verliet het land – in de jaren tachtig zo’n half miljoen hoogopgeleide Irakezen. Wasta heeft tot vandaag impact op deze samenleving. ‘Het is geen toeval dat de terreurgroep Islamitische Staat een generatie later vooral hier wortel zal schieten: door het verdwijnen van Saddam verloren ze veel privileges.’ Vooral de beslissing van Paul Bremer, de hoogste Amerikaanse civiele bestuurder, om het Iraakse leger te ontbinden, vormde de start van IS. De Baath-leden moesten wat.

Ook in andere Arabische dictaturen is wasta een geringe kost voor een heerser om zich met een netwerk van loyale mensen te omringen. In Saoedi-Arabië leven de 7000 prinsen van de koninklijke familie in extreme weelde, wordt de autochtone bevolking dankzij het oliegeld koest gehouden met een basisinkomen en sociale zekerheid, terwijl de buitenlandse arbeiders als slaven worden behandeld. In Syrië is het hele repressie-apparaat in handen van de (aangetrouwde) Assad-familie. Natuurlijk, het Westen gaat niet vrij uit. Het Sykes-Picotverdrag uit 1916 verdeelde het Ottomaanse rijk volgens een arbitraire lijn die van de Middellandse Zee tot de Iraanse grens getrokken werd. Alles ten noorden van die streep was voor Frankrijk (Libanon, Syrië en Noord-Irak), de Britten kregen de landen ten zuiden daarvan: Jordanië, de rest van Irak een deel van het Arabisch schiereiland. ‘Voor alle duidelijkheid: de bovengenoemde landen bestonden toen nog niet eens. Libanon werd door de Fransen gecreëerd uit Syrië, daarvoor de “Levant” genaamd.

De Engelse autoriteiten gingen even onachtzaam te werk. Ze voegden de drie Ottomaanse provincies Basra, Bagdad en Mosul samen tot één land: de geschiedenis van Irak was begonnen. Verschillende groepen en stammen die voordien weinig met elkaar te maken hadden, werden zonder enige inspraak binnen één staat getrokken.’ Bovendien pasten zowel de Fransen als de Britten een verdeel-en-heerspolitiek toe. In Irak werd de macht gegeven aan de soennitische minderheid, in Libanon aan maronitische christenen en in Syrische aan de alawieten, een sjiitische splintergroep. Elk minderheidsbewind kon zich alleen maar handhaven door geweld en onderdrukking. Die politiek heeft uiteindelijk mede geleid tot de huidige totale ontreddering van het Midden-Oosten.

Zowat elke ideologische aanpas was intussen mislukt: nationalisme, panarabisme, secularisme, socialisme, kapitalisme. Geen wonder dat in deze moslimlanden radicale predikers en bewegingen opstonden met de boodschap: islam is de oplossing. Het is ook geen toeval dat vele moslimpartijen het woord ‘rechtvaardigheid’ in hun naam dragen, van Marokko tot zelfs in Turkije, al is dat geen Arabisch land. En in zekere zin waren die partijen ook rechtvaardiger dan de overheidsinstellingen. De Moslimbroederschap bijvoorbeeld zorgde in Egypte voor onderwijs, klinieken, sociale activiteiten, studentenverenigingen en jeugdbewegingen. Zaougoui vindt de term ‘politieke islam’ dan ook te eng, want: ‘Het sociale werk wàs de politieke boodschap.’ Men richtte zich tot de armsten en de door de staat verwaarloosde verpauperde middenklasse. Het werd uit puur gemakzucht door de overheid getolereerd. Alleen in Tunesië, Libië, Irak en Syrië kregen islamisten door staalharde repressie lange tijd geen voet aan de grond.

De auteur gaat ook in op het mislukken van de Arabische lente. Wie wasta had, wilde die uiteraard voor geen meter kwijt en vocht terug. Tegelijk had jarenlange dictatuur geen kritische journalisten gevormd en het gemis van een maatschappelijk middenveld had burgers niet geleerd om op een fatsoenlijke, constructieve manier van mening te verschillen. Wie geweld gebruikte, zoals de islamisten en de militairen, kreeg zijn zin. Iedereen vocht zo tegen iedereen, ieder voerde zijn eigen revolutie in zijn eigen privébelang. Daardoor verloren activisten het hoofddoel uit het oog: de realisatie van een neutrale staat. ‘Een staat die niet langer ten dienste staat van één man of bevoorrechte groep maar van de hele samenleving.’ Het opmerkelijkste feit van de Arabische Lente, los van het feit dat die er zondermeer kwam, was dat jihadistische groepen er in ontbraken. Ze hadden het momentum gemist. Geen nood, dictators als Assad of het Saoedisch koningshuis konden de jihadisten wèl gebruiken, al was het maar om verwarring te zaaien, en dat doen ze nog steeds.

Erg hoopvol eindigt deze geschiedenis dus niet. De Arabische wereld is totaal nog niet klaar voor een constitutionele democratie. Het enige houvast van de auteur is het feit dat voor het eerst sinds het ontstaan van de Arabische staten het volk massaal op straat kwam om te protesteren tegen hun corrupte leiders. Ook de Franse Revolutie leidde niet meteen tot een democratie en was een jarenlang proces van vallen en opstaan, weet Zaougui. Maar één ding staat voor hem als een paal boven water: dictators zijn geen deel van de oplossing. ‘Sterker. Ze zijn het probleem.’

Chams Eddine Zaougui heeft een meeslepende recente geschiedenis van de Arabische wereld geschreven, vol scherpe observaties, leuke details, verhelderende anekdotes, indringende informatie en diep inlevingsvermogen. Hij is sterk in het bondig schetsen van context, strooit met originele invalshoeken, bekijkt de werkelijkheid met open vizier en voert een knappe pen. Wie op een prettige manier inzicht wil in het kluwen van de Arabische wereld, heeft met Dictators een ideale gids. Eén aspect heb ik wel gemist: de rol van Deep State, de parallelle staatsstructuur van (militaire) inlichtingendiensten, een staat in een staat dus. Ze houden niet alleen het regime in stand maar plunderen ook het land elke dag verder leeg en ze aarzelen niet het staatsmonopolie op geweld tot eigen voordeel aan te wenden.

Egypte heeft laten zien dat deze Deep State met ongebreideld agressie tegen burgers het land opnieuw veroverd heeft op de Moslimbroederschap, gematigde moslimpartijen en liberalen. Het is de dood in de pot. Het is wraakroepend dat Amerika deze Deep State in het Midden-Oosten (in o.a. Egypte) mee financiert zoals Rusland dat in Syrië doet. Het houdt de regerende kliek vast in het zadel, ook al moet er een president als Moebarak voor opgeofferd worden. Zo wordt elke democratische stap voorwaarts in de kiem gesmoord. Een tegenvoorbeeld is Tunesië. Uitgerekend in dat land, waar volgens Jean-Pierre Filiu geen Deep State bestaat, is de uitkomst van de Arabische lente het positiefst en de ‘winst’ het grootst. Deze historicus, arabist en gewezen Franse diplomaat (onder meer in het Midden-Oosten) schreef over de staat in de staat in het Midden-Oosten het indrukwekkende From Deep State to Islamic State. The Arab Counter-Revolution and its Jihadi Legacy. Een heuse eye-opener. Ik kan het boek iedereen, Chams Eddine Zaougui inbegrepen, warm aanbevelen.




Recensie door Leo De Haes

Chams Eddine Zaougui, Dictators. Een Arabische geschiedenis, 2016, 352 blz., Polis. Jean-Pierre Filiu, From Deep State to Islamic State. The Arab Counter-Revolution and its Jihadi Legacy, 312 blz., Oxford University Press

Links
mailto:ldehaes@houtekiet.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be