De zin van het geven

boek vrijdag 04 november 2011

Stefan Klein

We leven in tijden van pessimisme. Niet alleen met betrekking tot de economie, het sociaal model, en het ecologisch evenwicht, maar nog meer op algemeen maatschappelijk vlak. Zo is het gemeengoed geworden om te zeggen dat mensen de voorbije jaren, decennia en zelfs eeuwen alsmaar meer egoïstisch zijn geworden. Doemdenkers als John Gray, John Carroll, Alister McGrath, Ad Verbrugge, Gerard Bodifée en Roger Scruton stellen dat elke vorm van solidariteit is verdwenen en dat onze samenleving ten onder gaat aan individualisme. “Het grootste onheil uit de geschiedenis, zo stelt Scruton, is voortgekomen uit een ongegrond optimisme en een blind vertrouwen in het menselijke vermogen om het samenleven vredelievend en ordelijk te organiseren.” Maar is dat wel zo? Klopt het dat mensen minder om elkaar geven en alles inzetten op hun eigenbelang? Volgens de Duitse natuurkundige, filosoof en wetenschapsjournalist Stefan Klein is dit niet zo. Niet de egoïstische mens zal zegevieren, maar de altruïstische mens, diegene die anderen behulpzaam is zonder daarvoor iets in return te verwachten. Bekommert zijn om anderen wint, in tegenstelling tot wat velen denken, juist veld. Sterker nog, Klein beschrijft in zijn boek De zin van het geven dat samenwerking of de belangrijkste kracht is in de evolutie van de mens.

Op basis van actueel onderzoek op het vlak van de neurologie, de genetica, de psychologie en de economie toont Klein aan dat zorgen voor anderen ons meer vreugde verschaft, en zelfs ons leven kan verlengen, dan dat we uitsluitend op onszelf zouden gericht zijn. Daartegenover staan evenwel een batterij denkers die menen dat de menselijke natuur gericht is op het eigenbelang, en dit zonder enige compassie voor anderen. Maar zelfs als dat juist waar zou zijn, quod non, dan beschikt de mens nog steeds over de ultieme vrijheid om tegen zijn instinct zelf te handelen, aldus de auteur. En mensen zullen samenwerken omdat ze zo meer kans maken het beter te hebben. Klein benadrukt dat juist het vermogen van de homo sapiens om samen te werken, maakte dat ze als enige soort konden overleven. Daarmee ontkent hij niet het bestaan van het egoïsme bij de mens. Alleen toont hij aan dat altruïsme en egoïsme geen onverenigbare tegenpolen zijn, maar juist niet zonder elkaar kunnen bestaan. En, opmerkelijk, dat de bereidheid zich voor anderen in te zetten zelfs nog toeneemt.

‘Dichters en filosofen betichten de mens er nogal eens van het wreedste aller schepsels te zijn. In werkelijkheid zijn we de liefdevolste schepsels. Geen ander wezen laat zijn affectie ook maar bij benadering naar zoveel soortgenoten uitgaan. We gaan niet alleen een band aan met degene met wie we ons willen voortplanten en met onze kinderen, maar ook met andere familieleden, vrienden en collega’s’, schrijft Klein. Zo geven we hulp en affectie aan mensen die we helemaal niet kennen. Daarmee keert hij zich frontaal tegen Jean-Jacques Rousseau die meende dat de mens verdorven raakte door de maatschappij. Het is maar door te leven in gemeenschap dat we kunnen ‘medeleven’. Ook dit wordt bevestigd door de evolutietheorie. ‘Het evolutionaire voordeel van het altruïsme is vooral daarin gelegen dat een wezen dat behept is met een aandrang tot onzelfzuchtigheid doorgaans meer kans maakt zich voort te planten dan een inhalig persoon’, schrijft hij.

Eigenlijk is het eenvoudig: mensen die zich volledig op zichzelf terugtrekken hebben nauwelijks een kans om te overleven, maar om samen te leven zijn ze verplicht te delen. Dat was zeker het geval in de prehistorie, maar ook nadien. Enkel door samen te werken, konden onze voorouders jagen, zeeën bevaren, gebouwen maken, dieren domesticeren, aan landbouw te doen. In zijn boek Hoe het groeide beschrijft de Noorse Nobelprijswinnaar voor Literatuur Knut Hamsun hoe een man erin slaagt om op zichzelf een hoeve te bouwen, dieren te kweken en te overleven, maar ook hij kan dit alleen maar door soms naar een veraf gelegen dorp te trekken om er hout te verkopen en zich gereedschap aan te schaffen. We zijn dus op elkaar aangewezen en moeten dus delen. Hier begint echter een ander probleem. Sommigen willen weinig of niet delen, maar toch genieten van de gezamenlijke inspanning. Zo proberen sommigen de inspanningen door anderen te laten doen om nadien toch een stuk van de opbrengst te verkrijgen. Als de anderen dit zien, gaan ze op hun beurt minder inspanningen leveren en komt de groep in gevaar. Er moet een systeem komen om profiteurs aan banden te leggen. Een systeem van rechtvaardigheid dus.

Voorbeeld: wanneer er meer zwartrijders op de trein zijn, dreigt het gevaar dat anderen ook geen kaartje meer kopen. Dus zet men controleurs is, maar dat kost dan weer geld, zodat de prijs van de kaartjes stijgt. Dat leid tot de eenvoudige conclusie: ‘men is absoluut bereid iets voor anderen en de gemeenschap te doen, maar niemand wil misbruik van zich laten maken.’ Het is trouwens een van de redenen waarom ons systeem van sociale zekerheid ter discussie staat, en waarom mensen weigeren geld te doneren aan arme landen als ze horen dat dit in de zakken van corrupte leider belandt. Vandaar dat men sancties moet voorzien om misbruiken te voorkomen. Die sancties zijn ook evolutionair gezien heel functioneel: ‘personen die de norm eerbiedigen, planten zich succesvoller door dan opstandelingen.’ Wat Klein doet besluiten dat altruïsme in onze genen zit. ‘Altruïsme krijgt de overhand doordat deelnemers zich vrijwillig aansluiten bij groepen waarin profiteurs de kans lopen bestraft te worden.’

Er is echter een keerzijde aan altruïsme. De onbaatzuchtige hulp voor de leden van de eigen groep gaat gepaard met haat en wraakgevoelens ten aanzien van buitenstaanders. Om die eigen groep af te bakenen zullen de leiders ervan rituelen en verboden hanteren waardoor de grens tussen de eigen leden en de anderen stevig worden afgebakend. Het is duidelijk dat religies hier een belangrijke rol hebben gespeeld en nog steeds spelen. Denk aan de golf van terreurdaden die in naam van God werden begaan door mensen die vonden dat de belangen van de eigen groep in gevaar kwamen of vonden dat hun eigen normen met geweld moesten worden opgedrongen aan de anderen. Het is tegen dit soort gevaarlijk altruïsme dat sommigen in de geschiedenis in opstand kwamen. Klein verwijst naar Otto Weidt die Joden tijdens de nazi-periode uit een concentratiekamp hielp omdat hij er niet tegen kon ‘dat er een onderscheid werd gemaakt tussen mensen’. Dezelfde redenering volgden Hans en Sophie Scholl toen ze illegaal pamfletten verspreidden tegen het nazi-regime, iets wat ze met de dood bekochten.

Wie dit boek leest, moet onmiddellijk denken aan de Gulden Regel zoals die in diverse teksten vermeld staat: ‘Wat ik niet wil dat anderen mij aandoen, zal ik ook anderen niet toebrengen.’ Jezus verwijst ernaar op het einde van de Bergrede. Hoe dat in de praktijk werd toegepast weten we intussen. In de teksten van de geopenbaarde godsdiensten komt deze passage aan bod voor de ‘naasten’. Daarnaast staan er echter tal van opdrachten in tot het doden en tot slaaf maken van andere volkeren. Een tweede probleem is dat de passages over hulp aan anderen volgens een goddelijke wet worden opgelegd, waarvoor men dan later zal worden beloond (of zal worden gestraft): ‘Wees goed voor hen opdat zij jou hetzelfde doen’, is geen vorm van wederkerig altruïsme, maar een vorm van persoonlijke, opportunistische berekening. Het lijkt Klein echter beter om bij het stellen van een morele handeling, niet uit te gaan van een persoonlijk voor- of nadeel, maar te doen zoals Kant die het beter vond ‘niet uit te gaan van de persoonlijke visie van de betrokkene, maar van het onpersoonlijke standpunt van de wetgever’.

‘Het faillissement der naties’ is een bijzonder interessante visie op altruïsme op wereldschaal. Decennia waren (en zijn) onze economieën gericht op het welzijn van de burgers binnen de natiestaat. Adam Smith beschreef dat het nastreven door individuen van hun eigenbelang uiteindelijk de hele samenleving ten goede komt. Wel zag Smith in dat het marktmechanisme niet functioneert voor goederen van algemeen nut. Het is dus aan de regering van elk land om te zorgen ‘voor veilige grenzen, betrouwbare rechtspraak, straten, dijken en onderwijs’, want niemand zou dit bekostigen als ook anderen ervan kunnen gebruikmaken. Het scheppen van dergelijke randvoorwaarden wordt in een geglobaliseerde wereld echter steeds moeilijker want bijvoorbeeld lucht en oceaan staan iedereen ter beschikking. ‘Als een land misbruik maakt van deze goederen’, aldus Klein, ‘dan ondervindt de hele mensheid hiervan schade’. Internationale regelgeving is aldus noodzakelijk. Maar de auteur is niet pessimistisch. Juist de verdere eenwording van de wereld leidt tot een toename aan altruïsme, en hij wijst op de enorme vrijgevigheid in alle landen na de tsunami in 2004 en de aardbeving in Haïti in 2010. De toenemende informatiestroom is daar heel belangrijk in.

Klein besluit dat we ook steeds meer evolueren van een moraal die van bovenaf wordt opgelegd naar een moraal van onderaf. In die zin verwerpt hij de kritiek op het individualisme dat het automatisch zou leiden tot bijvoorbeeld parasitisme. ‘In een individualistische maatschappij maken personen niet langer deel uit van veel gemeenschappen tegelijk. En deze kringen zijn niet langer concentrisch conform het oude model van “familie, clan, dorp”, maar ze overlappen elkaar.’ Hiermee sluit de auteur aan bij de visie van Amartya Sen dat we moeten opletten met door anderen opgelegde collectieve identiteiten. Mensen hebben nu veel meer mogelijkheden (en vrijheid) om zich aan te sluiten bij bepaalde gemeenschappen. De bereidheid om zich in te zetten voor anderen komt dan ook van onderuit, tot wie die anderen ook behoren. Niet de natie, een volk, een geloof zijn dan nog bepalend, maar de keuze van mensen met wie ze zich willen verbinden. In elk geval zijn mensen daar veel meer toe bereid dan enggeestige politici en denkers ons willen doen geloven.


Recensie door Dirk Verhofstadt


Stefan Klein, De zin van het geven, Ambo, 2011

Links
mailto:verhofstadt.dirk@telenet.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be