Van oude en nieuwe deugden

boek

Van Buuren en Dohmen

Op de website van Maarten van Buuren valt te lezen: ‘Met de filosoof Joep Dohmen heb ik twee projecten voltooid op het snijvlak van literatuur en filosofie. Ze hebben hun neerslag gevonden in twee studies: De prijs van de vrijheid (2011) en Van oude en nieuwe deugden. Levenskunst van Aristoteles tot Nussbaum (2013). Maarten van Buuren is hoogleraar ‘Moderne letterkunde’ aan de Universiteit Utrecht. Wikipedia leert mij dat Joep Dohmen hoogleraar ‘Wijsgerige en praktijkgerichte ethiek’ is aan de Universiteit voor Humanistiek te Utrecht en dat hij vooral bekend is vanwege zijn publicaties over Nietzsche en over levenskunst. Eigenlijk ben ik met beide auteurs reeds vertrouwd vanwege hun bijdragen aan het succesvolle tijdschrift Filosofie Magazine waarin ze geregeld aan bod komen. Ze zijn dan ook door vooral Nederlandse filosofieminnaars geen onbekenden.

Opdat de lezer van deze recensie zelf met de vereiste kritische blik zou kunnen oordelen, informeer ik hem voorafgaand graag over wat ik zelf over deugden denk. Zo weet hij door welke bril de beoordeling van het werk gelezen werd. Deugden worden meestal als de basis van het morele leven aangenomen. Volgens mij wordt het morele leven echter gedicteerd door feiten waarmee we geconfronteerd worden en door de wijze waarop we met die feiten omgaan. De deugden zijn dan een soort shortcuts die in een cultuur ingebakken zitten en die de mensen in staat stellen direct op de gebeurtenissen van het dagelijks leven te reageren. Indien iedereen telkens over alles en nog wat zou moeten beraadslagen, zouden daaruit immobilisme of laattijdige reacties voortvloeien. Zelfs Descartes, die niets onberedeneerd wenste te laten, ook niet de moraal, was niettemin de mening toegedaan dat men zich, in afwachting van reflectie, het best aan tradities en gewoontes hield.

De auteurs spelen in op het probleem van de versnippering van en het egocentrisme in de hedendaagse morele ruimte. Na de doodverklaring van God door Nietzsche zou de mens in een moreel vacuüm terecht gekomen zijn. In hun zoektocht gaan zij te rade bij enkele klinkende namen op het gebied van de ethiek uit heden en verleden: Laozi, Aristoteles, Epicurus, Machiavelli, Nietzsche, Alisdair MacIntyre, Richard Rorty, Richard Sennett, Frans de Waal en Martha Nussbaum. Ze nemen elk een aantal van deze denkers voor hun rekening. Zoals het retorisch hoort dient een vertoog dat de mensen warm wil maken voor iets nieuws of iets vernieuwends, aan te vangen met een beschrijving van hoe slecht het er nu wel aan toe gaat. Dan gaan de aanbevelingen er als zoete broodjes in. In het woord vooraf wijken de auteurs niet van deze traditie af.

Maar, is het niet van alle tijden dat er geklaagd wordt over het heden en dat het verleden als een aards paradijs wordt afgeschilderd? Zij stellen, om het in hun eigen woorden te formuleren, dat hun inspiratie vanuit Nietzsche vertrekt en dat zij voorbij het liberalisme en de deugdenethiek, het atomaire individualisme en het traditionele gemeenschapsdenken een zoektocht voeren naar een actuele levenskunst of bestaansethiek. Dat individualisme sinds de Renaissance en de Verlichting veld heeft gewonnen wordt genoegzaam aanvaard, maar dat individualisme per se een negatieve connotatie verdient, moet niet zo maar aanvaard worden. Tenzij de auteurs door aan ‘individualisme’ het bijvoeglijk naamwoord ‘atomair’ toe te voegen bedoelen dat er ook een ander individualisme bestaat dat positief kan beoordeeld worden. Ook aan het ‘gemeenschapsdenken’ wordt een adjectief toegevoegd: ‘traditioneel’. In het vervolg van hun verhaal zal dan moeten blijken welk gemeenschapsdenken zij tegenover dat traditionele stellen. Op doe manier is de algemene teneur van het boek geschetst. De auteurs zeggen van elke denker iets over zijn leven en zij plaatsen zijn werk in de context van zijn tijd. Daarop volgt een analyse van wat hij over de deugd te zeggen heeft en wordt dat geëvalueerd. Er is ook telkens een korte biografie. Dat alles is op zich al beloftevol. Maarten van Buuren maakt de lezer, na een uiteenzetting van het daoïsme van Laozi, deelgenoot van zijn eigen vorm van mediteren, namelijk sportief fietsend door Nederland. Dat mediteren mondt dan uit in een beschouwing over liberalisme als kwade duivel in het licht van de heerlijke beleving van mystiek en geestelijke verheffing. Zoals in de inleiding van deze recensie al aangehaald, volgt een conclusie, in casu over het eigene van de daoïstische deugdenethiek, over haar honderd en tachtig voorschriften voor een voorbeeldig leven met zin voor detail.

In de bibliografie zijn enkele werkjes over het onderwerp vermeld, onder meer van de sinoloog Kristofer Schipper. Ten behoeve van de lezer voeg ik daar een werk van die zelfde auteur aan toe. Het is in het Nederlands vertaald, Tao: Levende religie van China, uitgegeven bij Meulenhoff, over het taoïsme (door van Buuren als daoïsme gespeld), dat door Laozi in het boek Daode jing zou geschreven zijn. Bijzonder leerzaam is daarin de verhouding tussen confusionisme en taoïsme, dat ook in de tekst van van Buuren aan bod komt. De ethiek van Aristoteles wordt door Dohmen overzichtelijk, duidelijk en vrij volledig beschreven. Voor wie er voor het eerst mee in contact komt vormt het een uitstekende inleiding; voor de anderen wordt alles nog eens zinvol op een rijtje gezet. Hij heeft daarbij oog voor de historische context van en het bijzondere in Aristoteles’ leven.

Aristoteles is voor Dohmen het vertrekpunt om zijn opvattingen over levenskunst en levensfilosofie te beschrijven. Hij staat daarin niet alleen. Ook de wereldberoemde Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum is die weg opgegaan. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ook aan deze uitzonderlijke denkster een hoofdstuk wordt gewijd. Nussbaum bracht de gevoelens terug in het denken over moraal. Dat had David Hume ook reeds gedaan, maar dan exclusief. Voor Nussbaum maken de gevoelens deel uit van een omvangrijker benadering. Voor Dohmen zijn de fundamentele dimensies van de mens zowel onderscheiden als in hun samenhang relevant in het morele discours. Het is evident dat een wezen dat zowel met gevoelens als met rede gezegend is, ook deze kenmerken in zijn morele overwegingen zal vertonen. In die zin is Aristoteles’ begrip van de zelfrealisatie een aanvaardbare optie. Ook Aristoteles’ flexibiliteit komt van pas om weerwerk te bieden aan de veranderlijke tijdsopstandigheden en om aanpassingen mogelijk te maken. Zijn leermeester Plato, met zijn eeuwige en onbewogen ideeën, ontwierp een te strakke moraal.

Dohmen wil dat deugden naast vaardigheden en competenties worden ontwikkeld, maar hij stelt zich ook de vraag op welke waarden die deugden moeten stoelen. De zoektocht naar die waarden verloopt echter niet als in de klassieke deugdethiek. Ze staan met andere woorden niet in functie van een vooraf gegeven natuur van de mens, maar wel van wat voor iemand van waarde is. Er ontstaat zodoende een persoonlijke hiërarchie van waarden. De deugdethiek wordt een levenskunst, het ontwikkelen van een zelforiënterende identiteit. Op die manier wordt ze in een project van zelfverantwoordelijkheid geïntegreerd. Wat volgens mij te weinig benadrukt wordt, maar niet volkomen afwezig is, is het aangeven van de inspiratiebron voor het zelfontwerp. Dan denk ik aan het inspelen op beredeneerde feiten die zich in het dagelijkse leven aanbieden.

Hoewel Aristoteles een speciale band had met het Macedonische koningshuis, bleef hij de filosoof van de Griekse stadstaat. Filippus II en zijn zoon Alexander de Grote hadden ondertussen de Griekse steden onder de voet gelopen, zodat van enige politieke macht van de Griekse burgers niets meer overbleef. Het verdwijnen van deze prille democratie en het installeren van een wereldrijk veranderde de situatie waarin de filosofieën zich vormden. Epicurus keerde zich dan ook van de politiek af om, in het verborgene, slechts het geluk als levensdoel voorop te stellen. Van Buuren stelt ons het denken van Epicurus plastisch voor als een piramidale opbouw. ‘De kenleer dient als voorwaarde en grondslag voor de natuurkunde; kenleer en natuurkunde dienen op hun beurt als voorwaarde en grondslag voor de ethiek.’

De kennis ontstaat door herhaaldelijke waarneming en het natuurkundige beeld dat zich vormt is materialistisch. De geest en de levenskracht bestaan evenzeer uit atomen, maar dan van een zeer fijne aard. Van een onsterfelijke ziel is dan ook geen sprake. De goden, als ze al bestaan, trekken zich niets van de mensen aan, zodat de mensen zich ook van hen niets moeten aantrekken. Dat betekent dat de mens niet geplaagd wordt door onrust over een leven in het hiernamaals en evenmin door angst voor de toorn der goden. Het enige dat na de dood nog belangrijk is, dat is het voortleven in de herinnering van vrienden. De mens kan zich ten volle richten op zijn levensbestemming, namelijk het nastreven van geluk. Onnatuurlijke levensdoelen, zoals geld, roem, eten, drinken en seks leiden de mens van zijn oorspronkelijke bestemming af.

Volgens Martha Nussbaum zou Epicurus beweren dat de mens zijn gedrag dat van zijn oorspronkelijke bestemming was afgeweken, corrigeert dank zij de rede. Van Buuren gaat daar niet mee akkoord. Epicurus volgt enkel de stem van de natuur om zo terug te keren binnen de grenzen van een authentiek leven. Tot de natuurlijke behoeften behoort echter niet de huwelijkstrouw, die overigens nergens in de Griekse of Romeinse wereld voorkwam. Sober eten en drinken en afwezigheid van angst en pijn, meer heeft een mens niet nodig om gelukkig te zijn. Wellustig genot en bandeloze uitspattingen zijn contraproductief. De deugden die Epicurus voorstaat verschillen niet van deze van de andere Griekse filosofen: gematigdheid, rechtvaardigheid, vriendschap en moed. Wezenlijk verschillend is echter de utilitaristische status van de deugden. Zij staan volledig in functie van het verwezenlijken van het geluk.

Eveneens kenmerkend voor de epicuristen is de gelijkwaardigheid van de mensen. In de plaats waar de epicuristen in Athene samen kwamen, gekend als de Tuin, waren ook vrouwen, slaven en prostituees aanwezig en allen op gelijke voet, iets wat zeker toen ongehoord was. Van Buuren vindt Epicurus best inspirerend en Machiavelli noemt hij de kampioen van de klassieke deugden. Dat mag verrassend klinken gezien Machiavelli eerder kan doorgaan als de kampioen van het cynische staatsrealisme. Toch legt van Buuren er te recht de nadruk op dat Machiavelli wel degelijk deugden toekent aan de Renaissance heerser, zoals onverschrokkenheid, list, daadkracht, bluf, wreedheid. In de context van het continueren van de heerschappij zijn dit inderdaad virtù, zoals de schrijver-gezant-raadgever uit de 15e eeuw het zelf herhaaldelijk noemt.

De taalkundige van Buuren verdiept zich vervolgens in de betekenis van het woord virtù en stelt dat het woord niet gemakkelijk te vertalen is, omdat wij aan de voor de hand liggende kandidaat, ‘deugd’, niet de geschikte betekenis toekennen. Virtù kan niet vereenzelvigd worden met de christelijke deugd die wij kennen, maar grijpt terug op de moraal van de klassieken, zoals ze door Aristoteles en Cicero verwoord werd. De twee werken van Machiavelli, De vorst en Discorsi hebben een verschillend uitgangspunt. De eerste is geschreven vanuit het standpunt van de vorst, de tweede van het gemeenschappelijke belang. Dat resulteert in een sociopolitieke benadering waarin twee groepen onderscheiden worden, namelijk de aristocraten en het volk, die voortdurend met elkaar in conflict leven.

Van Buuren leert ons dat deugden afgeleid worden van waarden. De centrale klassieke waarde is het burgerschap en daarvan worden de deugden moed, trouw, rechtvaardigheid, enz. afgeleid. De deugden krijgen hun betekenis van de waarde waar ze vanaf geleid worden. De betekenis van de deugden in het christendom verschillen van deze in de stadstaten en bij Machiavelli. De eerste is verticaal naar God gericht; de tweede horizontaal op de medemens. De vergelijking van de christelijke deugden met deze uit de Oudheid zijn bijzonder relevant, maar waar de waarden vandaan komen blijft in het duister. Bijzonder geslaagd is de Machiavelliaanse beoordeling van Poetin. De ontwikkelingen in Oekraïne lijken van Buurens standpunt te bevestigen.

Van Buuren neemt ook Nietzsche voor zijn rekening. Het was eigenlijk te verwachten dat hij, zelf taalkundige, met het verband tussen de filologie en filosofie in het werk van Nietzsche zou beginnen, maar ook de invloed, hoe zou het ook anders, van Arthur Schopenhauer duikt al meteen op. Dat alles omkranst door bijkomende informatie uit het leven van de filosoof. De link die van Buuren legt met Machiavelli’s virtus en maatschappelijk conflict tekent Nietzsches omwenteling van de waarden en diens Wille zur Macht omlijnd uit. Voor Nietzsches Zarathustra kan van Buuren echter niet de vrij algemeen heersende hoge waardering opbrengen. Voor de drie werken die daarna verschenen spreekt hij echter euforisch, maar de twee laatste verwezenlijkingen vindt hij dan weer iets minder omdat ze Nietzsches grootheidswaan en rancune te zeer weerspiegelen.

De ontleding van Nietzsches werk verloopt via de ontleding van de begrippen wil en waarheid, medelijden, de Wille zur Macht en de Übermensch. Van Buuren laat ons kennis maken met de analyse die Nietzsche maakt om duidelijk te stellen wat de filosoof onder de wil als drijvende kracht verstaat. Ook hier weer maakt hij een vergelijking, deze keer met de deconstructiemethode van Derrida, die blijkbaar bij Nietzsche de mostaard haalde. Woorden blijken hun ware betekenis te verhullen en waarheid is een illusie. Ook voor de uitleg over Nietzsches opvatting over medelijden, weet van Buuren met eigen sprekende voorbeelden te werken en deze te becommentariëren. De uiteenzetting van van Buuren is zo goed gelukt omdat hij de onderdelen van Nietzsches denken tot een eenheid weet te verweven.

Waar van Buuren tot nog toe de taal centraal plaatste, zonder evenwel het gehele plaatje uit het oog te verliezen, positioneert Joep Dohmen zich al meteen in het centrum van de filosofische controverse bij de bespreking van de deugdenethiek van Alisdair MacIntyre. Zelfs de titel van het hoofdstuk suggereert reeds bestaande tegenstellingen: ‘Kunnen wij zonder deugd nog wel samenleven?’ Het ethisch probleem van de hedendaagse tijd stelt zich pertinent: waar blijft het houvast in het versnipperde morele veld. De beschrijving van MacIntyres leven is niet gratuit. Voor Dohmen is het een gelegenheid om diens denken in de ethische ontwikkelingen waarin het is ontstaan te situeren, met de klemtoon op MacIntyres emotionele betrokkenheid.

MacIntyre kiest resoluut voor het communitarisme, dat wil zeggen voor eerbied voor gemeenschappelijke waarden die beantwoorden aan een gedeeld mensbeeld en afwijzing van het liberale individualisme en haar maatschappelijke neutraliteit. De moderne procedurele ethiek is van de oorspronkelijke morele betekenis vervreemd. Dohmen komt tot de vaststelling dat de diagnose van MacIntyre en Nietzsche identiek zijn, maar de oplossingen die zij bieden staan diametraal tegenover elkaar. Nietzsche ontwerpt een nieuwe mens, MacIntyre daarentegen wil uit de voorkeuren van de mensen een gemene deler filtreren van hèt goed leven van dè mens. Deze queeste ligt evenwel in een onbereikbaar en onkenbaar ideaalbeeld. De weg er naar toe is echter vormend in de deugd. We worden goede mensen in de zoektocht. Omdat deze oefening zeer persoonlijk is draagt zij in zich de tradities en de maatschappelijke rollen die elk van ons tekenen. Ik ben niet vrij te kiezen omdat ik reeds een bepaalde identiteit heb meegekregen, wel beschik ik over een zekere speelruimte.

MacIntyres zet zich af tegen de moderne liberale moraalfilosofie die hij herleidt tot een procedurele aangelegenheid, waarbij de regels aan de deugden voorafgaan en, naast een neutrale publieke sfeer, enkel in de private sfeer waarden en deugden aan bod laat komen. Dat zou betekenen dat in de publieke sfeer een relatief cultuurrelativisme heerst. Dat is niet helemaal correct, want in het liberale denken is de publieke sfeer niet beperkt tot het neutrale. Ook bepaalde waarden, die zich in de eerste plaats in de mensenrechten gematerialiseerd hebben, spelen in de publieke sfeer nog steeds een rol, zoals de vrijheid van meningsuiting, de gelijkheid van man en vrouw en het verbod op martelpraktijken. Het zijn juist deze verlichtingswaarden die in de publieke sfeer beperkingen opleggen aan de nefaste en intolerante invloed van particuliere opvattingen.

Doordat Nietzsche de natuur en dus ook de menselijke natuur herleidt tot de Wille zur Macht, gaat de wil vooraf aan de moraal en ligt het morele volledig in handen van de Übermensch. Dat de macht vooraf gaat aan de moraal, of, met andere woorden dat het moreel goede in de praktijk geen kans maakt zonder macht, ligt voor de hand, maar daarmee is nog niet weerlegd dat het moreel goede niet kenbaar is los van de macht. De vraag blijft dan enkel nog open hoe dat moreel goede implementeerbaar is. Voor Nietzsche is dat volledig overgeleverd aan de Übermensch. De kenbaarheid van het moreel goede ligt voor MacIntyre in Aristoteles’ teleologie, dat dan tevens de aanzet is voor haar realisatie. De stelling van MacIntyre en schijnbaar ook van Dohmen dat er sinds de Verlichting ondanks alle inspanningen van de moraalfilosofie en de sociologie nog steeds geen rationeel overtuigende verklaring voor het liberaal individualistische standpunt is gevonden is juist als men de zaken niet onder een ander licht bekijkt. Als men echter rekening houdt met een aantal verwezenlijkingen biedt zich een ander beeld aan dan nu al decennia lang beweerd wordt.

Houdt men geen rekening met de dictaten van religies en ideologieën, dan zijn de fundamentele mensenrechten toch een uitstekend voorbeeld van algemeen aanvaarde morele regels. Niet het algemeen aanvaard zijn is evenwel de verantwoording, maar de feiten waarop deze regels steunen en de ratio die ermee verband houdt. En dat individualisme en dus autonomie geen basis voor een goed leven zou kunnen vormen, met respect voor de vrijheid van anderen, werd al lang weerlegd door John Stuart Mill in zijn On Liberty. Natuurlijk zijn er heel wat mensen die dat niet willen aanvaarden omdat ze dan hun morele invloed verliezen en, het mag gezegd, hun eigen- of groepsbelang. Het wordt tijd dat dat taboe doorbroken wordt. Dat regels moeten opgelegd worden om de orde te handhaven is perfect mogelijk in een democratische samenleving, ook al is die niet perfect, maar dat een morele instantie los daarvan eigen regels aan iedereen oplegt, ook aan wie er niet voor gekozen heeft, verschaft geen voorwendsel om te beweren dat het liberale individualisme ten dode is opgeschreven. MacIntyres keuze voor een herbronning bij Aristoteles hoeft bij deze niet radicaal te worden afgewezen, op voorwaarde dat niet een eng bepaald mensbeeld naar voor geschoven wordt die dan de aanleiding is om opnieuw een bepaalde moraal aan de mensen op te dringen. Dat bepaalde algemene menselijke behoeften feiten zijn die in het moreel discours moeten opgenomen worden is niet meer dan aannemelijk, maar, om een pertinent voorbeeld te geven: is een heteroseksuele relatie natuurlijker dan een homoseksuele. En is bovendien de mens enkel en alleen aan het ‘natuurlijke’ gebonden? De liberale individuele moraal is overigens niet te interpreteren als een moraal die alleen maar oog heeft voor het marktdenken. Het marktdenken is uiteraard zeer belangrijk, maar niet alle heil brengend. Er bestaat ook nog zoiets als een humane, liberale, individualistische moraal, die misschien wel juist humaan is omdat ze individualistisch is.

Dat Richard Rorty achter MacIntyre wordt besproken is misschien niet toevallig. MacIntyre heeft immers heel wat pijlen op Rorty afgeschoten. Van Buuren is professor en dat valt in zijn uiteenzetting niet te ontkennen. De beschrijving van Rorty’s denken wordt netjes gekaderd in een filosofisch exposé, noodzakelijk om alles te kunnen begrijpen en juist te duiden. Voor een universitair gevormde filosoof is dat overbodig, maar onontbeerlijk voor alle andere lezers. De op het eerste gezicht wat al te uitgebreide uitweiding schept aldus een filosofisch beeld dat Rorty’s pragmatische opvatting van de ethiek verduidelijkt. Dat doen bovendien ook de talrijke voorbeelden sprekend. In de loop van zijn vertoog haalt van Buuren de filosoof Wittgenstein aan, van wie hij beweert dat er inhoudelijk twee verschillende Wittgensteins zijn. Dat is een interpretatie die meestal aan zijn werk wordt gegeven, maar niet iedereen is het daar mee eens. Kenners die Wiitgenstein een mysticus noemen zien een continuïteit in zijn denken; anderen die uitsluitend oog hebben voor zijn taalfilosofie niet. De scheiding tussen de twee periodes dient derhalve genuanceerd te worden.

De kritiek die vaak op een bepaalde ethiek geleverd wordt is dat zij utopisch is. Dat is ook wat van Buuren van Rorty’s ethiek zegt. Zonder in de eerste plaats Rorty’s ethiek in zijn geheel te willen verdedigen, wil ik toch stellen dat dat een verkeerde opvatting is over ethiek. Ethiek gaat erom het goede vast te leggen of haar toch minstens te benaderen. Ethiek is zo gezien kennis van het goede, maar geen garantie op haar welslagen. Het is niet omdat iets onbereikbaar is dat het onwaar zou zijn. Natuurlijk is het ook goed om, eenmaal dat goede min of meer gekend is, haar alle kansen te geven. Omwille van het belang dat het ethische goede ook een implementatie verdient sluit ik mij graag aan bij van Buurens bewering dat een pragmatische ethiek wezenlijk afwijkt van de ethiek van het New Pragmatism van Rorty.

Richard Sennett is cultuursocioloog die de kapitalistische maatschappij aan een grondige kritiek onderwerpt. Volgens Dohmen steunt hij zijn beoordeling van de hedendaagse maatschappij op persoonlijke ervaringen en diepte-interviews. Nu is het diepte-interview een sociologische methode om inzicht te krijgen in menselijke intenties en de achterliggende culturele setting van menselijk gedrag. Of deze methode geschikt is om onderzoek te doen naar het welbevinden en de evolutie van dat welbevinden van een gemeenschap, daar heb ik mijn twijfels over. In België en in Nederland is dergelijk onderzoek vooral door uitgebreide surveys gebeurd. Ik vraag me dus af of zijn opvattingen niet subjectief zijn en/of ideologisch gestuurd. Zijn beeld van onze kapitalistische maatschappij situeert zich in een traditie dat zich met de vervreemding van de mens bezighoudt en Sennetts analyse brengt elementen van verklaringen naar voor die dan zouden moeten dienen voor een aanpak van de ontdekte problemen.

Op basis van de wetenschap dat hij diepte-interviews aanwendde, zou ik zijn ideeën niet volledig afwijzen, maar ze tot hun juiste proportie willen terug brengen. Dat hij de vinger op een aantal wonden van onze hedendaagse maatschappij legt is aannemelijk, maar dat de hedendaagse wereld in zijn geheel aan het beeld dat hij tekent beantwoordt vind ik een stap te ver, althans als dat zijn bedoeling is. Wanneer Sennett bijvoorbeeld zegt dat ongelijkheid tussen de mensen niet enkel te maken heeft met natuurlijke verschillen, maar ook en vooral met verankerde structuren binnen de maatschappij dan is de een bewering die ook door surveys in vele landen bevestigd wordt. Zijn morele gevoeligheid voor dergelijke toestanden tekent zijn oeuvre zegt Dohmen.

Sennetts pleidooi bestaat er dan in dat de hulpbehoevende met het nodige respect benaderd wordt. Dat wil zeggen niet met een neerbuigende, medelijdende houding, maar in alle objectiviteit waarbij het eergevoel van de geholpene niet aangetast wordt. Sennett heeft een uiterst beperkte visie op het maatschappelijk goede leven dat hij laat contrasteren met een al even eenzijdige visie op de huidige kapitalistische samenleving. Het is de verdienste van Dohmen om Sennetts ideeën raak te schetsen, evenwel zonder deze aan een fundamentele kritiek te onderwerpen. Wel raak is zijn bewering dat Sennett vooral de gelijkheid en broederlijkheid verdedigt, terwijl het derde Verlichtingsideaal, de vrijheid, daaronder lijdt.

Het werk van de etholoog Frans De Waal heb ik nog niet gelezen. Hoewel niemand met een beetje ontwikkeling naast hem kan kijken en al zeker niet een ethicus, reikt mijn contact met zijn werk dan ook niet verder dan enkele sporadische commentaren. Ik heb er, na het lezen van de andere besprekingen uit het boek ‘Van oude en nieuwe deugden’, dan ook het volste vertrouwen in dat Dohmen mij een uitstekend relaas van diens leven en werk zal leveren. Het evolutionair gegeven dat de mens van een gemeenschappelijke ouder met de aap afstamt, dringt ten volle tot het besef door wanneer door De Waal effectief ook het morele gedrag in de ons verwante diersoort gevonden wordt. Dohmen trekt er terecht de aandacht op dat het religieuze restant van de mens als van goddelijke oorsprong nog niet volledig in de geesten was gewist.

Voor de ethiek is belangrijk dat het Calvinistische beeld van de slechte mens met een laagje moreel vernis niet klopt, evenmin als Hobbes’ idee van de mensen als wolven voor elkaar die ten einde raad een contract aangaan om het leven draaglijk te maken. Eerder het Aristotelische beeld van de mens als sociaal dier wordt bevestigd door het gedrag van de aap. Altruïsme en empathie zijn niet in strijd met het begrip overlevingskans uit de evolutietheorie. Ik vind evenwel dat De Waal en met hem Dohmen te veel de weegschaal naar het communitaristische kamp heeft doen overslaan. Het is waar dat de neoliberale economie (Ik spreek liever over een losgeslagen vrijheid) niet de nodige zelfdiscipline heeft kunnen of kan opbrengen, maar dat betekent nog niet dat de vrijheid niet noodzakelijk is als drijfveer voor vooruitgang. In de USSR ontbrak die motivatie voor een gezonde economische activiteit. Dat mag niet vergeten worden. Maar evenmin mag uit het oog verloren worden dat een goed draaiende rechtsstaat ook een noodzakelijke voorwaarde is voor economische bloei, al was het alleen maar omdat zo voldoende rechtszekerheid aan de bedrijven gegeven wordt om te kunnen functioneren. Dat sluit dan weer aan op de bewering van De Waal dat de mensen voorgeprogrammeerd zijn om zowel elkaar te bestrijden als de helpende hand te reiken.

Aan de uiteenzetting van Dohmen over De Waal zou ik nog willen toevoegen dat De Waal wel heeft aangetoond dat de oorsprong van onze moraliteit in een evolutionair kader moet gezien worden en niet in de religie, maar dat dit enkel geldt voor de mogelijkheid van het ontstaan van moraal, niet voor de inhoud van een reflectie over de moraal, want daartoe dienen de menselijke gewaarwordingen de toets van de ratio te doorstaan. Ethiek heeft aandacht voor feiten relevant voor morele reflectie en voor het beoordelen van die feiten. Dat De Waal sceptisch staat tegenover het seculiere experiment heeft er mee te maken dat hij geen onderscheid maakt tussen ethiek en moraal, met dien verstande dat onder ‘moraal’ een praktijk wordt verstaan en onder ‘ethiek’ een reflectie daarop. Dohmen heeft deze vaststelling eveneens gemaakt. In de reflectie kan bepaald worden wat op een bepaald ogenblik en op een bepaalde plaats de beste morele beslissing is, terwijl dat nog niet betekent dat die beslissing ook uitmondt in een toepassing. Noch de religie, noch een atheïstische ethiek kan de garantie leveren dat het moreel goede ook werkelijk beleefd wordt.

De Waal houdt zich vooral bezig met het waarneembaar morele gedrag en de drijfveer in de empathie en gevoelens genesteld. Dank zij De Waal weten we waar het morele besef vandaan komt en hoe het realiteit wordt, niet wat uiteindelijk het moreel goede is of moet zijn. Wel stelt De Waal terecht dat primaten moreel handelen, maar geen morele wezens zijn, waardoor hij impliciet het onderscheid tussen moraal en ethiek aanvaard. Maar wanneer hij daar aan toevoegt dat we niet moeten denken dat we uit morele principes handelen maar geleid door emoties en intuïties en pas achteraf een rechtvaardiging zoeken, laat hij het element rede in de menselijke besluitvorming buiten beschouwing. In het zoeken naar een rechtvaardigheid achteraf licht nu juist de rede in de menselijke morele beleving op en is de mogelijkheid aanwezig om ook bewust de rationele morele aspecten in het morele gedrag te incorporeren.

Ik ga er dus niet mee akkoord dat het moreel goede niet op een wetenschappelijke wijze kan gekend worden. Het zou best kunnen dat deze idee van kenbaarheid zijn oorsprong in de religie vindt, maar sommige gedragingen kunnen wel degelijk objectief als slecht of goed ontdekt worden. Iemand pijnigen of vernederen als hij dat niet leuk vindt is slecht, hoe je het ook draait of keert. Met Dohmen ben ik het niet eens wanneer hij stelt dat moraal dient gedefinieerd te worden als een geheel van gangbare normen, gedragingen en waarden. Ik denk dat De Waal dichter bij de waarheid zit wanneer hij moraal herleid tot steun verlenen en schade vermijden. Immers, normen, gedragingen en waarden werden door de mensen ontworpen in functie van feiten die door de mensen als goed of slecht ervaren werden.

Dat sommige morele overtuigingen niet in dat plaatje passen klopt, maar dan gaat het om individueel of cultureel gebonden morele overtuigingen die, voor zover ze met de voorgaande niet in strijd zijn, aannemelijk zijn. Ze worden evenwel moreel slecht als ze tegen de zin van de betrokkenen opgedrongen worden. Clitoridectomie is moreel fout omdat daarvoor medische en psychologische feiten kunnen aangehaald worden. Naar Mekka reizen staat de moslim vrij. Het behoort tot zijn cultuur of geloof, hoe je het noemen wilt. Niemand heeft het recht hem dat te verbieden, maar niemand heeft het recht om een afvallige te straffen, ongeacht geloof. Dat is objectief vaststelbare moraliteit, ook al zal een gelovige in naam van zijn God daar anders over oordelen. Een kind een noodzakelijke vaccinatie weigeren is zowel vanuit individueel als vanuit maatschappelijk standpunt fout, wat ook het geloof van de ouders is. De medische feiten zijn overduidelijk.

In de bespreking van Martha Nussbaums ethiek munt Dohmen weerom uit door de accuraatheid van zijn beschrijving dat zowel van bondigheid als volledigheid getuigt. Hij weet, niet zonder enige terughoudendheid, het denken van Nussbaum in haar levensloop te integreren en begrippen als kwetsbaarheid, mededogen en capability duidelijk en aanschouwelijk uit te leggen en een plaats te geven in het geheel van Nussbaums denken. Nussbaum is bijzonder interessant omdat zij de maatschappelijke ethiek een inhoud durft te geven en deze bovendien als universeel naar voor brengt. Dat er algemeen menselijke behoeften bestaan is zeer aannemelijk, maar deze behoeften zijn niet zuiver kenbaar omdat ze altijd reeds in een culturele context ingebed zitten. Zonder in cultuurrelativisme te vervallen zou ik daarom, wat de maatschappelijke ethiek betreft, eerder pleiten voor een democratische hervorming van geleidelijkheid. Waar nodig kan daar van afgeweken worden door hoogdringendheid waar ingrijpen van buitenaf verantwoord is. Dan denk ik onder andere aan het lenigen van hongersnood en het bestrijden van het terroriseren van minderheden, alsook internationale campagnes tegen wantoestanden als kinderarbeid.

Maarten van Buuren en Joep Dohmen hebben een uitstekend boek geschreven, met een grondige behandeling van het denken der diverse auteurs, maar mijn uitgangspunt blijft niettemin overeind: voor het morele besef zijn waarden en normen minder fundamenteel dan beredeneerde feiten. Het boek blijft evenwel uiterst waardevol.


Recensie door Hendrik Vanmassenhove, PhD

Van Buuren, Maarten & Joep Dohmen, Van oude en nieuwe deugden: Levenskunst van Aristoteles tot Nussbaum. Amsterdam, Ambo, 2013, 315 p.

Links
mailto:hendrik.vanmassenhove@hotmail.com
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be