De seculiere samenleving

boek

Patrick Loobuyck

Bijna gelijktijdig publiceert uitgeverij Houtekiet twee boeken die seculariteit voorop stellen als noodzakelijk in een superdiverse maatschappij. Eerst was er Atheïsme als basis voor de moraal van Dirk Verhofstadt. Het meest recente boek is dat van Patrick Loobuyck, De seculiere samenleving. Over religie, atheïsme en democratie. De auteur vertrekt van de vaststelling dat er zich onmiskenbaar een secularisingsproces (‘verwereldlijking’) heeft voltrokken en nog verder voltrekt (kijk naar de positie van de katholieke kerk), maar dat anderzijds religie wel degelijk aanwezig blijft in deze maatschappij en godsdienstvrijheid ook een basisrecht is. Zaak wordt dan om te spreken over samenlevingsregels die deze superdiverse situatie wettelijk kaderen. Het boek stelt dat die kadering een politiek liberaal-democratische moet zijn, gebaseerd op niet onderhandelbare grondrechten. Dat is een duidelijk onderbouwde keuze, die voor concrete situaties leidt tot soms uitgesproken posities, maar ook tot ‘soms aarzelend en aftastend’ geformuleerde stellingen, zeker als het ‘redelijke accomodaties’ betreft.

Het interessante van het boek is zeker dat de auteur zich niet beperkt tot een beschrijving van de secularisering als politieke leidraad, maar ook oog heeft voor deze bewegingen binnen de religies zelf. In het inleidende historisch overzicht stipuleert Loobuyck terecht dat secularisering een blijvend fenomeen is want gelinkt aan een aantal onomkeerbare evoluties zoals rationalisering en industrialisering, meer sociaal beleid, individualisering en nog veel meer. Het is wel zo dat het proces het verst gevorderd is in West-Europa, en iets minder in de USA of in Oost-Europa en de islamwereld. Mogen we als aanvulling erop wijzen dat het land met de grootste bevolking ter wereld, namelijk China, wellicht ook sterk seculier is – wie de Kunstbiënnale van Venetië in 2013 bezocht, zal het opgevallen zijn hoe religie eerder als fenomeen dan als leidraad aan bod komt in het enorme aanbod. Het opvallendst is het ronduit overweldigende werk van twee kunstenaars uit Beijing (‘Together’) met een ironisch knipoog naar religies en boeddhisme (www.palazzobollani.it).

Zeer nuttig is ook het historische overzicht van theologische en filosofische ideeën die tot een seculier samenlevingsmodel hebben geleid. Op basis van de rechtsfilosofie van Rawls formuleert Loobuyck het zo: “Welke levensbeschouwing de burgers ook hebben, ze moeten aanvaarden dat het publieke leven niet op basis van particulier levensbeschouwelijke overtuigingen gereguleerd moet worden, maar op basis van deze autonome en op zichzelf staande en voor iedereen aanvaardbare politieke waarden en principes van de overlappende consensus.” Hoe gevaarlijk deze ideeën zeer lang waren blijkt uit een boeiend historisch overzicht van de (in)tolerantie. Loobuyck bewondert de absolute verdediging van de vrije meningsuiting door John Stuart Mill – zij kan alleen beperkt worden als het gaat om aanzetten tot haat en aansporen tot schadelijke handelingen. Deze overweging leidt de auteur tot de verdediging van onderwijs (ook over levensbeschouwingen, ethiek en burgerschapseducatie) dat een breed palet aan kennis over al dan niet religieuze ideeënsystemen veronderstelt, zodat het vrije individu zelf zijn eigen levenskeuzes kan maken. Het boek bevat dan ook enkele pagina’s met argumenten voor een levensbeschouwelijk eenheidsvak zoals gepromoot door de vzw LEF (Levensbeschouwing, Ethiek, Filosofie).

Tolerantie is echter niet de oplossing: “Een staat moet levensvormen en maatschappijvisies niet tolereren, maar moet de vrijheid van mensen garanderen en beschermen.” Daarom moet die staat ‘neutraal’ zijn. Zo komt Loobuyck tot de kern van zijn betoog: wat houdt die neutraliteit dan wel in? De basisregel is dat de grondrechten nooit mogen aangetast worden, en zelfs niet via een formeel democratisch proces toch weer een staatsgodsdienst of daarvan afgeleide wetgeving wordt ingevoerd (zie Morsi in Egypte). Hoe duidelijk de stellingen ook lijken, de interpretatie ervan is minder evident, zoals met verwijzing naar diverse tradities zoals de VS, Frankrijk, UK en Canada wordt duidelijk gemaakt. Zo ontstaat rond de hoofddoekenkwestie een uitwisseling tussen argumenten als “Het zal altijd een discussiepunt blijven…” en “Op de eis om neutraal te handelen, valt niet af te dingen.” Wel is de auteur geneigd om voor minderjarige leerplichtigen in reguliere vaklessen een verbod te aanvaarden, hoewel. Duidelijker is dan weer de stelling “De vraag om hoffelijk te zijn of om respect te hebben voor andermans overtuigingen en gevoelens kan nooit de vrijheid van meningsuiting vervangen.” Een resolutie tegen ‘negatieve beeldvorming rond de islam’ kan dus niet.

Als de verdediging van de grondrechten van het individu de hoofdopdracht is van een seculiere maatschappij dan kan evenmin als een godsdienst het atheïsme grondslag zijn van een seculiere neutraliteit. Verwijzend naar de Duitse filosoof Habermas illustreert Loobuyck hoe religies intern kunnen of zelfs moeten evolueren en hun rol beperken tot het ‘vertalen’ van wat aan maatschappelijk ideeën en streefdoelen binnen de religie leeft naar ‘neutrale’ voor iedereen aanvaardbare samenlevingsregels. De rest, ‘(inter)religieuze dialoog’ of ‘militant atheïsme/verlichtingsfundamentalisme’ behoort tot ‘het hobbyniveau’. Loobuyck erkent dat de grootste problemen in dat verband bij de (militante) islam liggen, zeker aangezien het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de sharia als onverenigbaar met westerse grondrechten heeft bestempeld.

De spanning tussen geloof en wetenschap is evenzeer een boeiend proces. Hoe de religie het wetenschappelijk denken (dat immers bovennatuurlijke fenomenen uitsluit) heeft proberen te aanvaarden en toch religieuze waarheden die in tegenspraak met die wetenschappelijke aanpak dreigen te staan (‘de opstanding van het lichaam’) bewaart als zingeving is een boeiend verteld verhaal. In het slothoofdstuk over het atheïsme als hobby (in de titel) wijst Loobuyck deze overtuiging als grondslag voor een seculiere maatschappij af, maar suggereert hij dat zingeving, morele intuïties vooral door religie zijn aangebracht. Wat dan met areligieuze zingeving als het epicurisme, de verwondering en het ontzag voor de kwetsbare positie van de mens in een oneindig kleine en grote wereld? Het is inderdaad juist dat het atheïsme maar een van de factoren geweest is die bijgedragen hebben tot het tot stand komen van het denken in grondrechten, maar die bijdrage kan ook niet geminimaliseerd worden.

De zwakte van het boek is dat een aantal toch zeer helder geformuleerde en uiterst verdedigbare algemene principes niet steeds leiden tot een duidelijke stellingname, maar blijven hangen in vrijblijvende bedenkingen van het soort: “Een debat over de kerkfinanciering en een discussie over de plaats van de godsdienst in het onderwijs dringen zich op.” Zo verwondert het dat de auteur toch pleit voor ‘redelijke accommodatie’, terwijl hijzelf stelt dat het niet om rechten kan gaan, maar om gunsten. Ook hier sluit hij zich dichter aan bij de Angelsaksische traditie (het laatste boek van Martha Nussbaum) dan bij de Europese die vasthoudt aan gelijke wetten (en dus gelijke bescherming) voor iedereen. Het betreft dan op het eerste gezicht ‘onschadelijke’ uitzonderingen als schoolvakanties en religieuze feestdagen, gescheiden zwemmen, onverdoofd slachten, hoofddoekjes, lijkwaden in plaats van kisten, enzovoort.

Enkele bedenkingen.

(1) Wat gebeurt er indien militante bewegingen binnen de islam de ‘gunsten’ wel degelijk als rechten beschouwen en ze interpreteren als blijvende afwijkingen van de wetten die voor iedereen gelden? Is dit niet in tegenstrijd met de stelling “De vijand van de seculiere staat is niet de religie, maar de (fundamentalistische) religie en andere ideologieën voor zover ze de grondrechten en de uitgangspunten van de liberale democratie niet aanvaarden.”?

(2) Bij de hoofddoekenkwestie in scholen heeft het atheneum van Antwerpen en de Raad van het Gemeenschapsonderwijs op een bepaald moment de piste van de tolerantie moeten verlaten omdat de zaak inderdaad in handen genomen werd door mensen met een eerder traditionele, conservatieve opvatting ter zake.

(3) Er was nog een tweede argument, namelijk het stoppen van de polarisering van niet-moslims. Loobuyck laat zich in dit boek verleiden om toe te geven aan de vraag tot hoofddoeken, (ook: bidplaatsen- en momenten, het recht om bepaalde lessen niet te volgen?) en dergelijke om zo de radicalisering af te wenden. Eigenlijk zegt hij daarmee dat er wel degelijk een verband is met fundamentalistische groepen. Hij veronderstelt ook dat door ‘redelijke accommodatie’ die trend zal stoppen. Hij verliest daarbij de mogelijke radicalisering van niet-moslims uit het oog en in elk geval een voortdurende polarisering.

(4) Waar het atheneum Antwerpen en het GO uiteindelijk hebben moeten voor kiezen is de bescherming van de meisjes die zwaar onder (sociale) druk kwamen te staan om islamistische kledij te dragen. Loobuyck en het GO hebben absoluut gelijk om overigens niet één godsdienst maar alle levensbeschouwelijke symbolen te weren zonder onderscheid, maar de paradox is natuurlijk dat het in de praktijk hoofdzakelijk om die ene kleding gaat. (Voor de anekdote: de auteur vindt het terecht dat sikhs die weigeren een helm te dragen dan maar niet met de moto moeten rijden). “Redelijke accommodatie is aanvaardbaar omdat de genoemde maatregelen niemand schade berokkenen”, aldus Loobuyck. Toch zorgen uitzonderingen op een regel die voor iedereen geldt altijd voor wrevel. Met welk recht kan men aan een niet-moslim vragen om zijn pet of kap af te zetten in een klas waar men wel hoofddoeken (en meer) toelaat?

(5) Puur pragmatisch kan men stellen dat de hoofddoekenkwestie zwaar overroepen is: het gaat dikwijls maar om een handvol claimers. Toch is de discussie allesbehalve futiel want het gaat er namelijk over dat de neutrale staat alle overtuigingen die zich houden aan de grondrechten op dezelfde manier moet behandelen. De hele discussie over de ‘publieke ruimte’ moet dan ook eens uitgeklaard worden. Prof. G. Ferraro (Pisa) stelde ooit voor om naast de privé-ruimte te spreken over drie soorten ‘publieke ruimte’ – één waar iedereen kan komen, de ‘politieke ruimte’ (parlementen e.a.) en de publieke functies en scholen die absoluut neutraal moeten zijn. Het is de (doelbewuste?) verwarring tussen die drie die het debat bemoeilijkt. Wie in het politieke forum wetten maakt of uitvoert moet zijn eigen, eventueel religieuze engagementen reeds vertaald hebben naar “neutrale en voor iedereen aanvaardbare standpunten” (conform een verschillende keren herhaald standpunt in dit boek). Wie zowel in een leidende (koning Boudewijn in de abortuszaak) als in een uitvoerende functie de staat – iedereen dus – vertegenwoordigt, moet niet alleen in zijn gedrag maar ook in zijn voorkomen neutraal (dat betekent niet grijs of met uniform) zijn en zijn persoonlijke overtuigingen even opzij kunnen zetten voor het ‘algemeen belang’. Niet zonder reden noemden critici de SP.a-bocht over kentekens in loketfuncties een ‘dijkbreuk’.

(6) Nog een voorbeeldje van hoe Loobuyck zich – naar eigen zeggen – op ‘glad ijs’ beweegt. Keulse dokters eisten in 2012 het recht op om geen jongensbesnijdenissen meer te moeten uitvoeren. De auteur stelt dat men hier aan de religie verbiedt “om bepaalde handelingen te stellen die in het dagelijkse leven wel zijn toegelaten.” Dit is een bewering die volstrekt ingaat tegen de stelling van de dokters dat het wegsnijden van de voorhuid – zeker bij jonge kinderen – geen normale medische handeling is, maar zeer uitzonderlijk. Hij gaat ook voorbij aan uitspraken van een auteur als Hafid Bouazza die stelt dat men zonder enige legitimatie buiten een religieuze traditie kinderen ‘verminkt’ en dus een aantasting pleegt op het grondrecht van de lichamelijke integriteit.

(7) Wat met de Angelsaksische shariarechtbanken die vrouwen in echtscheidingen en erfeniskwesties op basis van een andere wetgeving per definitie benadelen? Als Loobuyck pleit voor een Angelsaksische ‘redelijke accommodatie’ waar en hoe trekt hij dan de grens? Toch strenger dan in de USA en het UK ?

(8) Wat met polygamie zoals bij sommige Methodisten? Wat met het toestaan van afwijkingen op de leerplicht zoals bij de Amish en andere groepen, iets wat Martha Nussbaum – met instemming van de auteur op p. 127 – ‘superieur’ acht aan de Franse aanpak van de laicité? Pas op p. 190 neemt hij daar afstand van.

De lijst kan nog uitgebreid worden. Dit bewijst in elk geval dat het boek aan het denken zet en door een brede historische, filosofische en argumentatieve opzet het denken over deze kwesties sterk stimuleert. We signaleerden bij de bespreking van Atheïsme als basis voor de moraal van Dirk Verhofstadt, dat u eigenlijk twee boeken voor de prijs van één krijgt. Het tweede deel pleit op een heel transparante manier voor tien seculiere grondregels en vijf keiharde politieke agendapunten (geen eindeloze discussies over kerkfinanciering, maar een invoering van Kirchensteuer op basis van de individuele overtuiging van de belastingbetaler) – dat zijn thema’s die Loobuyck wel vernoemt maar waar hij verder omheen schaatst. Het eerste deel van Verhofstadts boek is een legitiem overzicht van militant atheïsme, maar daar heeft Loobuyck gelijk in: dat kan in geen geval de enige grond zijn waarop men een seculiere maatschappij opbouwt. Verhofstadt stelt atheïsme in zijn slotwoord gelijk aan ‘seculier humanisme’ als “het enige middel om onze wereld leefbaar te houden en de harmonie in de samenleving met mensen met verschillende persoonlijke overtuigingen, te handhaven en te versterken.” Een zin die ook in het boek van Loobuyck niet zou misstaan. We mogen uitgever Houtekiet dankbaar zijn om op korte tijd twee degelijke en tot discussie én concrete maatregelen aanzettende boeken over de noodzaak aan een seculiere maatschappij op de markt te brengen.


Recensie door Marc Maes

Deze recensie verscheen eerst op de website van Boco Scholengroep Brussel

Patrick Loobuyck is aanwezig op de Boekenbeurs op dinsdag 5 november om 18 uur in de Blauwe Zaal. Hij zal geïnterviewd worden door Dirk Verhofstadt.

Patrick Loobuyck, De seculiere samenleving, Houtekiet, 2013

Links
http://www.bocobrussel.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be