Grenzen aan tolerantie

boek

Wil Derkse (Red.)

Na de terroristische aanvallen op de Twin Towers in New York, de moord op Pim Fortuyn en het felle debat over de integratie van allochtonen in Nederland is het begrip tolerantie weer uiterst actueel. Tot dan toe was de liberale opvatting politiek correct: alles mag als iemand anders er maar geen hinder van ondervindt. Nu dreigen bevolkingsgroepen, volkeren en religies te botsen zoals in een ver verleden of in verre landen. Nederland heeft nochtans een naam als het gaat om tolerantie: Erasmus, Hugo de Groot en Spinoza werden beroemd door hun strijd tegen intolerantie. Maar nu leeft het gevoel dat tolerantie te ver is doorgeschoten. Intolerantie moet terugkeren. De grenzen van tolerantie lijken bereikt.

De Nederlandse hoogleraar Wil Derkse, rechtshistoricus Arthur Eyffinger en filosoof Miriam van Reijen gaan in op de grenzen van tolerantie bij de historisch belangrijke figuren voor de grote Nederlandse traditie zoals Erasmus, Hugo de Groot en Spinoza. De filosoof Marcel Becker, socioloog Bas van Stokkem en filosoof Theo de Wit onderzoeken in hun bijdragen de actuele visie op tolerantie en alle problemen die hiermee verband houden. Het boek Grenzen aan tolerantie verscheen naar aanleiding van de reeks lezingen van het Soeterbeeck Programma. Dit programma van de Katholieke Universiteit Nijmegen heeft tot doel de reflectie, de conversatie en het debat over wetenschap, samenleving en levensbeschouwing te bevorderen op de campus van de Katholieke Universiteit Nijmegen, het studiecentrum Soeterbeeck in Ravenstein, in de stad Nijmegen en elders in Nederland.

Volgens Spinoza kan er alleen sprake zijn van tolerantie als men bij machte is er iets tegen te doen. Dit inzicht is belangrijk omdat het anders zou leiden tot onderwerping aan de macht van de sterkste. Juist het feit dat men in de positie staat om een andere mening op te dringen maakt van tolerantie een deugd. Men houdt zich in om een andere mening toe te laten. Het lijkt vandaag vanzelfsprekend (alhoewel) maar in de tijd van Spinoza (rond 1670) was dit inzicht revolutionair. Zijn pleidooi voor verdraagzaamheid tegenover alle mogelijke meningen op politiek, filosofisch, religieus en wetenschappelijk vlak stond lijnrecht tegenover de toen heersende mentaliteit van dogmatisch denken. Wat Spinoza zo bijzonder maakte was zijn inzicht dat men mensen niet kon beletten om te denken wat zij denken. Maar nog meer bijzonder was zijn inzicht dat de vrijheid van denken en spreken essentieel was voor het behoud van de veiligheid en de rust in de staat.

Tot dan heerste de overtuiging dat men die veiligheid en rust alleen kon bereiken door geweld. Even revolutionair, zelfs profetisch, was het inzicht van Spinoza dat de grens van de tolerantie ligt bij het handelen, namelijk als dit een bedreiging zou vormen voor de veiligheid en het voortbestaan van de staat. Voor Spinoza moet dus niet het denken en spreken beperkt worden maar wel het handelen als dit ingaat tegen de tolerantie op zich. De consequenties van deze stellingen zijn verstrekkend. Neem het probleem van de moslimscholen in Nederland. Mag de overheid dit onderwijs controleren en indien nodig aan banden leggen? Volgens Spinoza moet men woorden toelaten maar daden beperken. Maar wat dan met uitspraken die aanzetten tot intolerantie? Wanneer worden taaluitingen taalhandelingen? Mag een imam in Nederland homoseksuelen gelijk stellen met varkens?

Hugo de Groot had 50 jaar voor Spinoza reeds een duidelijk standpunt. Hij stelde voor om het aantal noodzakelijke geloofsartikelen te beperken tot die paar die vanzelfsprekend zijn en in alle andere leerstellige aangelegenheden bezien, bijdragen tot onbevooroordeelde wijsheid. Voor Hugo de Groot is tolerantie dus de vrijheid om te leven binnen de wetten. ‘Zodra de teugelloosheid van de groep of de dwingelandij van het individu het maatschappelijk bestel in gevaar brengt, hebben de overheden de plicht dat bestel te verdedigen’. Hiermee geeft rechtshistoricus Arthur Eyffinger een wat eenzijdig beeld van Hugo de Groot want evenzeer stelde die dat inmenging in andere landen en culturen toegestaan was in geval van ernstige schendingen van de rechten van de mens. Of anders gezegd, Hugo de Groot had een bredere kijk op de dingen dan Eyffinger ons vandaag wil doen geloven.

Een derde autoriteit inzake tolerantie was Erasmus. Hij was een fervent strijder voor vrede en verdraagzaamheid en kantte zich tegen elke vorm van intolerantie. Zo keerde hij zich tegen de kruistochten waarvan de aanstichters zich schaamteloos bedienden van religieuze motieven. Hij keerde zich als een van de eersten tegen het nationalisme en tegen elke vorm van irrationaliteit die eruit voortvloeit. Sinds Erasmus kennen we in ons taalgebied het woord ‘zachtmoedigheid’, een woord dat bijna geen equivalent kent in het buitenland. De woorden van Erasmus hadden zowel vroeger als nadien een enorme impact op het menselijk denken. Alhoewel hij een overtuigd christen bleef, keerde hij zich tegen de onderdrukking en vernietiging van andersdenkenden. In plaats van geweld moest men andersdenkenden proberen tot andere gedachten te brengen, aldus Erasmus. Niet iedereen was het eens met zijn gedachten. De Kerk plaatste zowat al zijn werken op de lijst van verboden boeken.

Hoe belangrijk zijn al die historische figuren voor het tolerantiedebat? Volgens Marcel Becker ligt de tijd van de Europese godsdienstoorlogen ver achter ons en hebben we te maken met nieuwe, grensoverschrijdende misdaden zoals de aanslagen van 11 september 2001 en de moord op Pim Fortuyn. Momenteel is het openbare domein grotendeels geseculariseerd maar is, aldus de auteur ‘het probleem van de botsende morele meningen niet van de agenda verdwenen’. Daarin heeft hij natuurlijk gelijk. Ook vandaag bestaat fanatisme enerzijds en onverschilligheid anderzijds. Tolerantie is geen van beide. Het is geen fanatisme want het respecteert andere meningen en geen onverschilligheid, want wie tolerant is heeft duidelijk een eigen mening en verdedigt die ook. Mensen die geen eigen idee hebben of die zich niets aantrekken van andermans mening zijn niet tolerant want ze ‘verdragen’ niets. Er moet dus ‘spanning’ bestaan. Spanning tussen het gelijk van het eigen standpunt en het dulden van een ander standpunt.

Tolerantie wordt problematisch als men zich niet langer uitspreekt over andermans gedrag. Wie problemen onder tafel schuift, de ogen sluit of vanuit een politiek correct denken zwijgt ondermijnt op termijn de tolerantie. Dat is al te lang gebeurd rond de problematiek van de vreemdelingen en de migratie. Uit schrik om het etiket ‘racist’ opgespeld te krijgen hebben in de voorbije decennia te veel intellectuelen gezwegen. Maar juist daardoor hebben ze mee vrije baan verleend aan de intoleranten. Het leidt tot de vraag hoever tolerantie kan gaan tegenover intolerantie? Hoe moet men reageren op imams die homoseksuelen gelijkstellen met varkens? Wat met de klacht van moslimorganisaties tegenover Ayaan Hirsi Ali die de profeet Mohammed beschuldigde van tirannie? Volgens Marcel Becker mag men uitspraken niet verbieden maar wel handelingen en ronselpraktijken voor criminele handelingen. In woord en geschrift moeten mensen alle vrijheid krijgen, in daden moeten we zonodig optreden.

Socioloog Bas van Stokkem onderzoekt de opkomst van de Lijst Pim Fortuyn. Die richtte zich tegen de verhullende taal van de politieke correctheid en het multiculturalisme. Dit was geen ‘accident de parcours’ maar een fundamentele kritiek van mensen die zich niet langer thuis voelden in hun eigen buurt en zich in de steek gelaten voelden door de vertegenwoordigers van het klassieke politieke systeem. Van Stokkem wijst heel terecht op de manier waarop de traditionele partijen tegenover deze problemen stonden: met een valse ruimhartigheid en voorgewend respect. Ze gingen dus (al jaren) in de fout. Maar toch richt de auteur zich finaal tegen de boodschapper en probeert Pim Fortuyn te duiden binnen een manier van publieke beeldvorming. “Televisie biedt rauw sprekende politici maar al te graag een podium”, aldus van Stokkem. Hij zet zich af tegen de liberale cultuur van het autonome handelen waarin herrieschoppers zich zouden gesteund weten door het publiek. Hiermee gaat de auteur kort door de bocht. Niet de aanklagers van mistoestanden horen omwille van hun ‘rauwe mening’ in de beklaagdenbank, maar wel diegenen die door hun cultuurrelativisme te lang gezwegen hebben en daardoor de onverschilligheid ruimte gaven.

Niet Fortuyn was het probleem maar al diegenen die hem het zwijgen wilden opleggen vanuit het argument dat hij ‘tegenstellingen aanwakkerde’. Niet Paul Cliteur is het probleem, maar al diegenen die hem stigmatiseren en verwijten de relaties met de moslims te beschadigen. Want wat Fortuyn en Cliteur voorstaan is de primauteit van de vrije gedachte, van de kritiek en van de discussie. In die zin zijn ze veel toleranter dan de zelfverklaarde toleranten die elke kritiek op andere culturen veroordelen als ongepast en racistisch. Tolerantie betekent niet dat we moeten zwijgen als we kennis krijgen van onmenselijke en onaanvaardbare praktijken zowel bij ons als in andere landen, maar juist dat we dit aanklagen en in de meest scherpe bewoordingen veroordelen omwille van die waarden die we essentieel vinden voor de mensheid. Wat Fortuyn en Cliteur deden en doen is ons herinneren hoe we hier in het Westen zelf vochten tegen de geestelijke dominantie van een godsdienst. De waarheidsclaims van de geopenbaarde godsdiensten zijn slechte raadgevers. Zij proclameren de superioriteit tegenover de ‘Ander’. Het is de verdienste van Paul Cliteur om ons daarvoor te behoeden.

In de slotbijdrage haalt Theo de Wit fors uit naar het intolerantie-vertoog in de moderne filosofie van de liberale democratie. Hij waarschuwt voor het populisme dat zich finaal steeds tegen de rechtstaat zou keren. Hij haalt uit naar het liberalisme dat zou leiden tot ‘een massieve toename van de kloof tussen rijk en arm’. Hij verwerpt de zucht naar ‘Verlichting’ als een vorm van zelfbedrog. En hij klaagt liberale denkers als Cliteur aan dat ze de angst voor vreemdelingen zouden voeden. De Wit vergist zich. Juist het wantrouwen in de mens heeft in het verleden geleid tot gruwelijke systemen. Niet de ‘Verlichting’ is een probleem maar wel het relativisme tegenover praktijken die mensonwaardig zijn. Niet het liberalisme leidt tot een grotere kloof tussen arm en rijk, dat doet wel het protectionisme dat zowel door socialisten als conservatieven en hun gelijkgestemde drukkingsgroepen gesteund wordt. De erkenning van de individualiteit, zoals liberale denkers voorstaan, betekent niet dat men geen belang zou hechten aan gedeelde waarden. Liberale denkers geloven in de vrijheid van meningsuiting, de scheiding van kerk en staat en de gelijkwaardigheid van man en vrouw. Juist die principes zouden gedeeld moeten worden, niet alleen bij ons maar universeel. In zijn bijdrage haalt De Wit trouwens geen enkel alternatief aan. Hij beperkt zich tot kritiek tegenover de open en tolerante liberale houding, maar blijft oorverdovend stil over de onvoorstelbare vrijheid die we dank zij het individualisme en de liberale invulling van onze grondrechten in het Westen genieten.

Het boek Grenzen aan tolerantie is derhalve interessant voor wie de historische bronnen voor de tolerantie wil leren kennen. Maar in hun kritiek op het autonome denken slaan Van Stokken en De Wit de bal mis. De mens moet vooral zichzelf kunnen zijn. Dat is geen gemakkelijke houding. Het verheft de mens uit de groep en plaatst hem tegenover hemzelf. Daar kan hij zich niet verbergen achter de anonimiteit van het collectieve. Individualisme betekent dat de mens zowel tegenover zichzelf als tegenover de anderen zijn geweten moet laten spelen en zich niet kan onttrekken aan zijn persoonlijke verantwoordelijkheid. Mensen die vasthouden aan het monopolie van de moraal die uitgaat van de collectiviteit, een Führer of een heilige tekst kunnen elk moreel dilemma uit de weg gaan. De gelovige of volgeling wordt dan immers niet verplicht te kiezen tussen goed en kwaad. Hij kan vluchten in onwetendheid, onverschilligheid of superioriteit waartoe de hem (zelf) opgelegde moraal de kans biedt. Door het uitschakelen van het persoonlijk geweten in naam van een abstract en alomvattend plan, van absolute en onveranderlijke waarheden, van blind en irrationeel geloof, vonden in het verleden de meest gruwelijke drama’s plaats.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Wil Derkse (red), Grenzen aan tolerantie, Damon, 2004.

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be