Het Derde Rijk

boek vrijdag 21 maart 2008

Michael Burleigh

Waarom blijven er zoveel boeken verschijnen over de Tweede Wereldoorlog en de rol van Hitler en het nationaal socialisme in het bijzonder? Waarschijnlijk is dit omdat de wandaden van de nazi’s zonder weerga waren. De oorlog tegen politieke tegenstanders en de vernietiging van de Joden gebeurde met een dermate gruwelijkheid, systematiek en efficiëntie dat ze alle voorgaande gruwelijkheden in de schaduw stelden. Vooral de moord op zes miljoen Joden in Europa toonde aan dat het hier niet ging om ‘normale’ oorlogsdaden, maar om een grootschalige actie die tot doel had een specifiek deel van de wereldbevolking uit te roeien. De Britse historicus Michael Burleigh schreef hierover de omvangrijke boeken Aardse machten en Heilige doelen waarin hij zich vooral bezighield met de relatie tussen politiek en religie. Vooral zijn boek Heilige doelen zorgde voor heel wat controverse. Daarin verdedigde hij, weinig overtuigend, de houding van Pius XII tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ditmaal focust de auteur op de ellende van de politieke terreur vanaf 1933 tot de ondergang van het Derde Rijk in 1945. In dit boek, dat hij schreef voor de twee andere vermelde werken, besteedt hij niet alleen aandacht aan de slachtoffers van het nazisme maar schetst hij ook een beeld van diegenen die zich met woord en daad bleven verzetten tegen het toenmalige regime, iets wat de auteur omschrijft als ‘eilandjes van menselijkheid in een zee van bloedvergieten en onmenselijkheid.’

Dit werkstuk van bijna duizend bladzijden zal heel wat lezers afschrikken, maar toch is het meer dan de moeite waard. Burleigh beschrijft accuraat hoe de Duitse bevolking zich liet meeslepen door de nazi-propaganda en zich in de loop van de jaren steeds feller keerde tegen het jodendom. Daarbij speelde eigenbelang vaak een grotere rol dan het algemene antisemitisme, een niet flatterende beschrijving van de toenmalige Duitsers, maar die waarschijnlijk dichter bij de waarheid staat dan het feit dat alle inwoners van het Reich betoverd waren door Hitlers raciale waanbeelden. Joden moesten hun huizen, gave en goed achterlaten en dat kwam hun arische buren goed uit. Meer problemen hadden de nazi’s met hun politiek tegen de kerken in het algemeen en de katholieke kerk in het bijzonder. Die bleek immers meer solide dan gedacht, zeker op het platteland. Zo verzette de plaatselijke bevolking halsstarrig tegen de nieuwe orde die kerkelijke symbolen en feestdagen wou vervangen door de symbolen van haar Erzatsreligion, en stilaan maar zeker het katholiek onderwijs afbouwde. In die zin is het dan ook onbegrijpelijk hoe de paus zo snel, zo vroeg en zo ondoordacht een Concordaat sloot met de Duitse dictatuur.

‘Het Vaticaan had een fatale fout gemaakt bij het afsluiten van het Concordaat door geen lijst op te stellen van organisaties die onschendbaar waren, en ook niet te definiëren wat een politieke activiteit inhield. Door alles politiek te noemen konden de nazi’s de diversiteit in onderwijsvoorzieningen en de jeugdzorg in het algemeen uitroeien’, schrijft Burleigh. Dat oordeel is nog veel te mild. Met het Concordaat had het Vaticaan het nazi-regime salonfähig gemaakt in de rest van de wereld. Het was het eerste maar cruciale succes van Hitler op de internationale scène. Had het Vaticaan en de het Duitse episcopaat zich van in het begin verzet tegen de ronduit ondemocratische, racistische en criminele politiek van de nazi’s dan had Hitler het heel wat moeilijker gehad om zijn waanbeelden in de praktijk om te zetten. Net het gebrek aan verzet van de kerkelijke leiders ontmijnde een moreel verzetsfront van bezorgde burgers tegen de steeds fanatiekere nazi-politiek die gericht was op de eliminatie van al wie het niet eens was met het regime, de andersdenkenden, de mentaal en fysiek gehandicapten, de homoseksuelen, de Getuigen van Jehova, de Roma en Sinti (zigeuners), en de zes miljoen Joden. Het feit dat de kerk de daden van de nazi’s niet veroordeelden, maar integendeel zelfs actief ondersteunden – zoals de aanval op Polen waarbij tienduizenden katholieken en Joden het leven verloren, en de aanval op Sovjet-Unie in 1941 – sterkte talloze christelijke daders in het Reich en in sympathiserende landen, zoals Slowakije en Kroatië, in hun overtuiging dat ze moreel juist handelden.

Het resultaat was dat tal van ‘gewone mensen’ deelnamen aan de meest gruwelijke misdaden, in naam van het eigen Volk en van het ware Geloof. Burleigh beschrijft achtereenvolgens de moord op meer dan 70.000 mentaal en fysiek gehandicapten in het Derde Rijk zelf, het willekeurig en afschuwelijke moorden door de Einsatzgruppen tijdens de verovering van Polen en later de aanval op de Sovjet-Unie, en de meer systematische eliminatie van de Joden en andere groepen in de vernietigingskampen in het Oosten. Sommige passages in het boek zijn dermate schokkend dat de lezer naar adem moet happen. Want steeds opnieuw komt die vraag naar boven: hoe was dit in Godsnaam mogelijk? Hoe konden gewone soldaten met een christelijke opvoeding en hun officieren, die tot dan toe de regels van de oorlogsethiek hadden gevolgd, zich nu te buiten gaan aan misdaden zonder weerga in de geschiedenis? ‘Je kunt je niet voorstellen hoe ze huishielden’, zo citeert Burleigh een getuige van de door de Duitsers gepleegde apocalyptische gebeurtenissen aan het Oostfront. ‘Het doden werd een soort routineklus’, aldus de auteur na het zoveelste voorbeeld van de massale moord op Joden in Chelmno waar de slachtoffers vermoord werden in mobiele gaswagens. En dan moesten de uitroeiingscentra van Belzec, Majdanek, Sobibor, Treblinka en Auschwitz-Birkenau nog op volle toeren draaien.

Het onvoorstelbare drama daarbij was dat niet alleen de Duitsers en Oostenrijkers, maar ook Polen, Fransen, Slovaken, Kroaten, Roemenen, Hongaren, Nederlanders en andere Europese burgers op een of andere manier meewerkten aan deze Shoah. Zoals de duizenden Franse politieagenten die actief Joden opspoorden en lieten deporteren. Erger nog, ook de Joden zelf werden, uiteraard onder druk, ingezet om mee te werken aan de vernietiging van hun eigen geloofsgenoten. Heel wat leden van de Jodenraden, de Joodse politiemensen in de getto’s en de Sonderkommando’s, vormden essentiële onderdelen van het uitroeiingsproces. Burleigh beschrijft heel precies hoe de Duitsers te werk gingen en hoe ze hun slachtoffers mee betrokken in hun moordplannen. De conclusie ligt echter voor de hand: de ware verantwoordelijkheid ligt bij de nazi’s zelf. Zij maakten van hun positie misbruik om andere mensen te dwingen tot onmenselijkheid. Tegelijk creëerden ze voor zichzelf een waanbeeld van een ‘gezuiverde’ wereld waarin het kwade (de Joden) geen belangrijke rol meer zou spelen. De nazi’s meenden dat ze de mens naar hun hand konden zetten door hem en haar medeplichtig te maken aan een politiek die zou zorgen voor een ‘zuivere’ natie met een superieure arische bevolking die voorrang had op de categorische imperatief van Kant. In feite keerden de nazi’s de bekende stelling van Kant, dat men de mens steeds moet behandelen als een doel en niet als een middel, radicaal om.

Maar wie ging dan echt in het verzet tegen de waanzin van Hitler? Burleigh heeft het over een aantal mensen en groepen die zich moedig afkeerden van het beleid. Over geestelijken die zich op individuele basis, en ondanks hun oversten, bleven verzetten tegen de onchristelijke politiek. Over Kurt Gerstein, een SS-officier die de vergassingen met eigen ogen had gezien en vergeefs poogde de geallieerden te verwittigen. Uiteindelijk leidde dit tot weinig of niets. De grootste ontgoocheling was alvast ‘het verlangen van de (katholieke) geestelijken naar orde en stabiliteit – en hun vijandigheid tegenover links en het liberalisme – betekenden dat er een precaire modus vivendi was bereikt.’ Deze zin legt beter dan andere uit hoezeer zelfs de hoogste morele gezagsdragers gecapituleerd hadden voor brute macht. Tegelijk demonstreert het hun onderschatting van de onwrikbare wil van de geallieerden om de nazi’s op de knieën te krijgen. Dat deden ze ondermeer via de betwiste bombardementen op de Duitse steden. Daarbij werd niet zozeer de Duitse industrie getroffen, maar gewone burgers die met tienduizenden stierven zoals in Hamburg, Keulen, Berlijn en Dresden. Maar Burleigh weigert terecht om de vaak moreel bedenkelijke weerslag van de ze bombardementen gelijk te stellen met de ‘risicoloze genocide door de nazi’s’, een vergelijking die de auteur terecht ongepast vindt.

Het boek geeft een gedetailleerd inzicht in de nationaal-socialistische politiek waarin goed wordt aangetoond hoezeer de terreur kritische stemmen onderdrukte. Zo zoomt de auteur in op de beruchte Röhm-putsch, de Nacht van de Lange Messen in 1934, waarbij honderden voormalige medestanders van Hitler werden vermoord. Enkele weken later keurde de regering een wet goed waardoor tientallen moorden die de maanden daarvoor door de nazi’s werden gepleegd met terugwerkende kracht werden gelegaliseerd. Dit voorval toonde goed het verval de rechtstaat aan en de opmars van een juridisch systeem waarin niet de feiten maar interpretaties de bovenhand kregen. Intussen ging de Führer verder en begon hij aan zijn Europese veroveringstocht die begon met de inval in Polen in september 1939. Daarna veroverde hij Noorwegen, Denemarken, Nederland, België en Frankrijk. Het leek een onstuitbare opmars die in Noord Afrika zelfs leidde tot de bezetting van zowat alle landen, behoudens Egypte. Toen Hitler de slag om Stalingrad begin februari 1943 finaal verloor, keerde het tij, maar nog lang niet de publieke opinie in Duitsland. Het meest schokkende is het feit vanaf die datum net het grootste aantal Joden in de vernietigingskampen van de nazi’s werd vermoord. Voor Hitler was het duidelijk: het Duitse rijk zou alleen ten onder gaan als voordien de Joden waren uitgeroeid, een profetie die hij in grote mate heeft kunnen uitvoeren.

Het boek van Burleigh is een must voor iedereen die kennis wil nemen van de ongehoorde brutaliteit waarmee de Duitsers de Joden en hun militaire tegenstanders tegemoet traden. Het bevat talloze interessante details, die beter dan theoretische stellingen aantonen hoezeer de daders ontmenselijkt waren. Dit is geen vrolijk, maar wel een noodzakelijk boek. Al was het maar om nieuwe generaties duidelijk te maken dat het onvoorstelbare echt gebeurde.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Michael Burleigh, Het Derde Rijk, De Bezige Bij, 2008

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be