Nederland Seculier!

boek vrijdag 10 oktober 2003

August Hans den Boef

Sinds de Verlichting wordt in het westen de scheiding van kerk en staat algemeen aanvaard. Het is, samen met de vrijheid van meningsuiting en de gelijkwaardigheid van alle mensen, een van de fundamenten van de liberale democratieën die zich in de loop van de 19de en 20ste eeuw hebben gevestigd. Het leidde tot een secularisatie of verwereldlijking, een term waarmee men oorspronkelijk de onteigening van kerkelijke goederen door wereldlijke autoriteiten aangaf, maar die thans staat voor het proces waarin de wereldlijke cultuursectoren worden losgemaakt uit de kerkelijk-godsdienstige context. Daarmee waren zij in vroegere cultuurperioden verstrengeld. In zijn boek Nederland Seculier! toont de Nederlandse essayist August Hans den Boef aan dat de religie nog steeds veel invloed heeft op het openbare leven en dat de scheiding van kerk en staat opnieuw onder druk staat. De auteur gaat zelfs verder en rekent af met de mythe dat religie een positieve factor is in de samenleving. Hiermee gaat hij in tegen het cultuurrelativisme van heel wat zogenaamd progressieve intellectuelen die in Nederland vooral aanleunen bij Groen Links en de sociaal-democratische PVDA. Evenzeer kant hij zich tegen de conservatieve reflexen binnen partijen als het CDA en de liberale VVD, tegen het intrigisme bij de SGP (de Staatkundig Gereformeerde Partij die een op de bijbel geinspireerd programma verdedigt) en tegen het politiek correcte denken bij tal van opiniemakers en zelfverklaarde islamologen die hun ogen sluiten voor tal van mistoestanden die het gevolg zijn van een hernieuwde impact van de religie op het openbare leven.

Die hernieuwde aandacht voor het religieuze is al jaren aan de gang maar kreeg met de aanslagen van 11 september 2001 een heuse opstoot. Politici uit zowat alle partijen hebben het over de terugkeer naar waarden en normen en beschouwen religie daartoe als een waardevol instrument. Het gebrek aan spiritualiteit zou volgens hen leiden tot een verloedering van de samenleving en normeloze individuen. Een dergelijke zienswijze spoort volledig met het overgrote deel van de islamieten die voor hun leefwijze de Koran belangrijker vinden dan de grondwet en dit ook verwachten van of opleggen aan hun broeders en zusters, en dat zelfs verwachten van de zogenaamde ‘ongelovigen’. Vanuit hun geloof claimen ze het monopolie over morele en zedelijke kwesties. Natuurlijk wordt dit niet openlijk gezegd en verschuilen ze (autochtonen en allochtonen) zich achter een misbegrepen ‘multiculturalisme’. August Hans den Boef wijst er terecht op dat deze term misbruikt wordt door ‘gelovigen en politici die de facto een multi-etnische samenleving voorstaan, waarbij etnische groepen, ongehinderd door de overheid, in hun eigen niche kunnen doen wat ze willen’. Dit leidt volgens de auteur tot ‘gettovorming, onderdrukking van vrouwen, kinderen en homoseksuelen, totale sociale controle en het ontstaan van criminele subculturen’. Wie De zoontjesfabriek van Ayaan Hirsi Ali gelezen heeft weet dat dit inderdaad dagelijkse praktijk is.

Doorheen het boek wijst de auteur op de dubbelzinnige houding van heel wat moslims in Nederland. Aan de ene kant omarmen ze de vrijheid van meningsuiting, tolerantie en godsdienstvrijheid in onze samenleving, maar zelf betrachten ze geen tolerantie jegens andersdenkenen. In hun hoofd betekent de scheiding van kerk en staat dat de staat de kerk met rust laat. Hierin worden ze trouwens gesteund door zogenaamde progressieve intellectuelen met hun cultuurrelativistisch discours. Zij argumenteren dat we ‘respect’ moeten opbrengen voor de eigen cultuur van de islamieten. Maar binnen die cultuur worden vrouwen onderdrukt en krijgen religieuze teksten een steeds grotere waarde. Westerse cultuurrelativisten voorspelden dat moslims zich ondermeer via het onderwijs op drie generaties tijd volkomen geïntegreerd zouden zijn. In de praktijk blijkt dat niet zo te zijn. Door de stijging van het aantal allochtonen uit Turkije en Marokko (ondermeer door gezinshereniging, importhuwelijken en een hoge nataliteit) gingen ze juist sterker hun eigen cultuur en religie beleven. August Hans den Boef beschrijft die mislukte integratie haarscherp. “De rest (hiermee bedoelt hij de Marokkanen die zich niet onttrokken hebben aan de imams, nvdv) blijft in het getto wonen. Het heeft ook zijn voordelen. Je behoeft geen Nederlands te beheersen, want iedereen spreekt je eigen taal. Je hoeft je niet aan Nederlandse gewoonten aan te passen, want je hebt alles wat je hartje begeert. De moskee, de koranschool, de islamitische supermarkt, het koffiehuis voor de mannen, de textielwinkel voor de vrouwen, de Arabische bibliotheek voor de jongens.” In elk geval leven ze in een omgeving waarin de sociale druk bijzonder hoog is. Dit is trouwens ook zo bij strenggelovige christenen. Ook zij durven hun gemeenschap niet te verlaten uit schrik voor de sociale gevolgen.

Gelovigen kunnen binnen de private sfeer doen en laten wat ze willen voor zover ze zich houden aan de wetten van het land en anderen geen last bezorgen. Het is een visie die ook vertolkt wordt door de Nederlandse filosoof Paul Cliteur die pleit voor een absolute neutraliteit in het publieke domein. Zo zouden bij openbare diensten geen hoofddoekjes, keppels, tulbanden, djebbala’s, habijten of opvallende sierstukken die verwijzen naar een specifieke religie mogen gedragen worden. Het lijkt allemaal zo eenvoudig maar dat is het niet en de houding van Nederlandse (en Belgische) feministen is vaak dubbelzinnig. Wanneer mannen een verkeerd woordgebruik hanteren dan schreeuwen ze moord en brand, maar als vrouwen in Nigeria verplicht worden om de sharia na te leven dan zijn er geen solidariteitsbetogingen te zien. Ook het westerse feminisme is besmet door het cultuurrelativisme en blijkbaar is niet elke aantasting van de vrouwelijke waardigheid even belangrijk.

August Hans den Boef gaat bij zijn beoordeling van het islamisme in Nederland nog een stap verder. Niet alleen willen ze hun eigen verwerpelijke houding tegenover vrouwen doorzetten, ze willen hun ganse religieuze gedachtegoed opdringen. Het gaat aldus de auteur om ‘het veroveren van terrein in een seculiere omgeving, waardoor die omgeving zich telkens weer aanpast aan religieus gemotiveerde eisen en uiteindelijk het recht erkent om af te wijken op religieuze gronden’. Islamieten betonen vaak een selectieve houding tegenover grondwaarden als de vrijheid van mening en de gelijkwaardigheid van man en vrouw. Kritiek hierop wordt door hen beschouwd als een vorm van discriminatie terwijl ze zichzelf nestelen in een moraal die ze wel binnenshuis toepassen maar buitenshuis met de voeten treden. Ze verwijzen steevast naar de vrijheid van godsdienst om hun gedrag te rechtvaardigen.

‘Vrijheid van godsdienst is overbodig’. Dit controversiële standpunt is meteen de kern van dit boek. De auteur gaat in tegen de voortdurend herhaalde visie dat religie iets moois is en dat handelen op basis van religieuze teksten moreel hoogstaand zijn. Nochtans waren tal van handelingen door christenen, joden en islamieten in naam van God in het verleden vaak bijzonder gruwelijk. Volgens August Hans den Boef volstaat de vrijheid van meningsuiting om gelovigen te beschermen in datgene wat ze denken, schrijven en zeggen, om verenigingen te vormen en rituele bijeenkomsten te houden. Blijkbaar is dit voor gelovigen niet voldoende en willen ze via bepalingen in de wet demonstreren dat religie belangrijker is dan alle andere instituties, zo schrijft de auteur. Hij verwijst hierbij naar de Zondagswet, de televisiezendtijd voor kerkgenootschappen, de mogelijkheid op rituele slachtingen, de wet ter stimulering van arbeidsdeelname van minderheden (waar kerkgenootschappen van vrijgesteld zijn), de wet op de studiefinanciering (studenten godgeleerdheid kunnen daar langer van genieten). Allemaal afschaffen zo stelt de auteur voor. Dat geldt ook voor de grondwettelijke gewaarborgde financiering van het bijzonder onderwijs. De auteur toont overtuigend aan dat dit ongewenste gevolgen heeft voor de integratie die nochtans wordt nagestreefd.

August Hans den Boef, die zelf vroeger lid was van de Communistische Partij Nederland, wijst met een beschuldigende vinger naar de zogenaamde progressieven in de PVDA en Groen Links. Al jaren gedogen ze praktijken die de integratie van allochtonen eerder belemmeren dan bevorderen. Zo stappen ze mee in het politiek correcte discours dat allochtonen steeds slachtoffers zijn van de Nederlandse samenleving. Sprekend is de stelling van Job Cohen (de PVDA-burgemeester van Amsterdam) die in de moskee een middel tot integratie ziet, terwijl juist daar de cultuur van de sociale controle wordt versterkt en de naleving van religieuze waarden wordt bepleit die soms regelrecht ingaan tegen de wet en de grondwet.

Het boek van August Hans den Boef komt net op tijd. Zeker nu de moderniteit en de individualisering van de mens vanuit diverse hoeken wordt aangevallen. Hoewel hij zich concentreert op de situatie in Nederland geldt zijn analyse ook daarbuiten. Op een ogenblik dat de wereld met de oorlog in Irak opnieuw in rep en roer staat en waarbij beide partijen zich beroepen op hun God om hun strijd te rechtvaardigen. Het wordt tijd dat seculieren in de tegenaanval gaan en zich daarbij beroepen op de Kantiaanse Weltbürger en zijn onvervreemdbare rechten die overal moeten gelden ongeacht de culturele of religieuze gewoontes en tradities. Het wordt tijd dat we het cultuurrelativisme veroordelen als een vorm van ‘schuldige medeplichtigheid’. Dank zij de toegenomen communicatie kunnen we niet langer zeggen ‘wir haben das nicht gewusst’ wanneer mensen, en vooral vrouwen onderdrukt, mishandeld en zelfs vermoord worden omdat ze volgens mannelijke religieuze dictators niet leven overeenkomstig de sacrale wetten die door een vermeende God zouden zijn opgelegd voor eeuwig en altijd. Net zoals bij andere misdaden zijn immers niet alleen de opdrachtgevers en hun uitvoerders schuldig. Ook al wie er weet van heeft en die in naam van een vermeende tolerantie het hoofd afwendt. Juist om die reden verdient Ayaan Hirsi Ali alle steun en moet het boek van August Hans den Boef in een hoge oplage gedrukt, verspreid en gelezen worden.


Recensie: Dirk Verhofstadt (verhofstadt.dirk@pandora.be)

August Hans den Boef, Nederland Seculier!, Van Gennep, 2003, 184 blz.

Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be