Au delà des frontières

boek

Jean-Marc Delizée

Tijdens de aanslepende regeringsonderhandelingen van de voorbije maanden klonk het steeds meer dat Vlamingen en Franstaligen niet langer in eenzelfde land wonen. Vooral de NV-A en het Vlaams Belang hamerden voortdurend op het feit dat ons land in feite bestaat uit twee democratieën, dat er geen echte knopen meer kunnen doorgehakt worden omwille van de sterk uiteenlopende visies in noord en zuid, en dat het federale België derhalve best zou ophouden om te bestaan. Tijdens de felle confrontaties tussen eerst Yves Leterme en later Bart De Wever enerzijds, en de Franstalige politici en journalisten anderzijds, werden de burgers om de oren geslagen met hatelijke clichés en vooroordelen over de bewoners aan de andere kant van de taalgrens. ‘De Walen zijn liever lui dan moe. Het zijn allemaal profiteurs.’ ‘De Vlamingen zijn egoïsten en maar weinig solidair.’ ‘De Walen verachten het Nederlands en doen niet de minste moeite om de andere landstaal te leren.’ Leterme zei zelfs ooit dat ‘de Franstaligen in de Vlaamse rand rond Brussel “intellectueel onbekwaam zijn om Nederlands te leren”.’ Pas met de regering Di Rupo is de redelijkheid teruggekeerd, alhoewel Vlaams nationalisten en de Franstalige radicalen van het FDF olie op het vuur blijven gooien.

Gelukkig staan er weer mensen op die voluit het federale model durven te verdedigen en die erop wijzen dat Vlamingen en Franstaligen meer zaken gemeen hebben dan dat er zaken zijn die hen verdelen. Zo doet men in het zuiden van het land wel degelijk inspanningen om Nederlands te leren en zich in die taal uit te drukken. Elio Di Rupo maakt er een erezaak van om de twee landstalen te spreken en maakt zijn belofte dat hij zijn Nederlands zou verbeteren langzaam maar zeker waar. En dat is ook het geval met andere Franstalige excellenties, politici en journalisten. Een sprekend voorbeeld hiervan is het succes van Christian Deborsu die met zijn boek Dag Vlaanderen maandenlang in de top-10 stond. Deborsu wijst daarin op een veranderende attitude in Wallonië: ‘Nederlands, geen carrière’. In diezelfde geest verscheen onlangs het boek Au delà des frontières van de Waalse socialistische politicus Jean-Marc Delizée. Hij was al van in zijn jeugd geïnteresseerd in de kennis van het Nederlands, wat hem goed van pas kwam in 2008 toen hij eerst staatssecretaris voor Armoedebestrijding werd en in 2009 staatssecretaris voor Gehandicaptenbeleid in de regering Leterme.

Door zijn bevoegdheden moest hij vaak naar Vlaanderen komen voor werkbezoeken aan de OCMW’s en andere sociale organisaties in de grote steden. ‘Nederlands spreken is voor mij geen verplichting maar veeleer een kans, een geluk. Ik praat het heel graag’, zo schrijft hij. Zijn vader was regent Germaanse talen, zelf leest hij de Vlaamse klassiekers (met Hugo Claus als belangrijkste auteur), en bracht hij zijn taalinteresse over op zijn kinderen. Delizée geeft toe dat in het verleden al te veel Franstaligen in Brussel en Wallonië weinig inspanningen deden om Nederlands te leren, maar het tij is aan het keren. Het onderwijs in Wallonië maakt echter de fout door te laat te beginnen met het aanleren van een tweede taal, namelijk vanaf 10 jaar (bijna 78% kiest voor het Nederlands, 20% voor het Engels en 2% voor het Duits). Het zou volgens hem beter zijn dat men met die tweede taal begint bij het begin van het lager onderwijs, dus vanaf 6 jaar. Daarnaast stuurde Delizée zijn kinderen naar Vlaamse gastouders, en voor het laatste jaar humaniora zelfs naar het Koninklijk Atheneum in Gent.

Dit doelbewust aanleren van de tweede landstaal verdient aandacht en navolging. Het geeft opgroeiende kinderen niet alleen de kans om heel goed te kunnen communiceren met alle burgers in onze samenleving, maar ook om kennis te nemen van de cultuur en levenswijze aan de andere kant van de taalgrens. En volgens de auteur doen steeds meer Franstalige jongeren dit. Hij wijst ook op het belang van de kennis van het Engels als derde taal en op het feit dat de Vlaamse jeugd dit beter onder de knie krijgt dan de Franstaligen. Ten eerste omdat men er op Vlaamse scholen twee jaar eerder mee begint, maar ook omdat de televisieprogramma’s niet gedubd maar ondertiteld worden. Het begrijpen en spreken van andere talen is een middel om de muren van onbegrip die tussen de anderstalige burgers bestaan neer te halen. Het is een terechte opmerking die men in Vlaanderen best ook zou oppikken, want de kennis van het Frans (maar ook van het Engels) bij Vlaamse scholieren en volwassenen gaat erop achteruit. Ooit moest Bert Anciaux als Vlaams minister van Cultuur een toespraak houden in Congo. Zijn schabouwelijke Frans zorgde toen voor plaatsvervangende schaamte in Vlaanderen.

Ook interessant is de belangstelling van Marc Delizée voor de geschiedenis van het Vlaams-nationalisme. Heel wat Vlamingen zijn het intussen waarschijnlijk al vergeten maar de vroegere Volksunie streefde oorspronkelijk naar de omvorming van België tot een federale staat. Haar doel was niet om België te vernietigen, maar specifieke bevoegdheden over te hevelen naar de regio’s zoals het ook stapsgewijze gebeurde en waarin Hugo Schiltz een belangrijke rol speelde. Alleen enkele extremisten wilden toen verder gaan en splitsten zich in 1978 af met de oprichting van het Vlaams Blok. De rest van de geschiedenis kennen we. Vandaag is er de NV-A die ondanks alle mistspuiterij streeft naar ‘de onafhankelijke republiek Vlaanderen’. Bart De Wever spreekt wel van een soort evolutie waarbij België zal verdampen, maar veel mandatarissen en aanhangers van de partij streven radicaal naar separatisme. De rest van het NV-A-programma is volgens de auteur op sociaal, economisch en ethisch vlak veeleer conservatief, zeker in vergelijking met dat van de voormalige Volksunie. En dat programma zal met de instroom van verschillende voormalige Vlaams Belangmandatarissen alleen maar nog conservatiever en, volgens mij, ook ranziger worden.

In de volgende hoofdstukken bespreekt Delizée vooral zijn werk als staatssecretaris waarbij opvalt hoe vaak hij Vlaamse steden heeft bezocht en de manier van werken van de plaatselijke OCMW’s en sociale organisaties voor armoedebestrijding bewonderde en opnam in zijn beleidsnota. Centraal is zijn bekommernis voor de duizenden mensen zonder papieren, zonder woonst en zonder werk. Daarbij wijst hij op het feit dat de mechanismes tot uitsluiting dezelfde zijn in Vlaanderen, Brussel als Wallonië. Hij wijst met een beschuldigende vinger naar het neo- en ultraliberalisme die zouden zorgen voor grote ongelijkheid en uitsluiting van zwakke mensen. Alleen is die kritiek niet uitgewerkt en krijgen we nauwelijks te lezen wat de concrete socialistische oplossingen dan wel zijn om die mensen uit de armoede te halen. Het inperken van de administratieve rompslomp – met al die regels die veel arme mensen gewoon niet kennen of begrijpen – is natuurlijk een goede zaak, maar de lezer mist toch een duidelijke visie en vooral een pakket concrete maatregelen die er moeten toe leiden dat mensen op eigen benen kunnen staan, zelfredzaam worden en hun lot in eigen handen kunnen nemen.

Niet dat het de auteur ontbreekt aan empathie. Het hoofdstuk over Gehandicaptenbeleid bevat een reeks pakkende getuigenissen van mensen die door hun fysieke of mentale beperkingen moeilijk kunnen functioneren in onze samenleving. Ook hier wijst de Delizée op een aantal goede initiatieven zoals de bereikbaarheid van de stations in Luik en Antwerpen, en op de manier waarop de doof geborene Helga Stevens als Vlaams volksvertegenwoordiger voor NV-A uitgroeide tot een symbool voor de integratie van personen met een handicap. Naast mobiliteit zijn het verkrijgen van aangepast onderwijs en toegang tot de arbeidsmarkt cruciale punten. Maar ook in dit hoofdstuk ontbreekt het aan concrete richtlijnen en maatregelen om dit doel te bereiken. De analyses op dit vlak zijn immers al lang gemaakt, denk ook aan het werk van de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum met haar ‘capability approach’ die goed aantoont dat mensen met een handicap letterlijk dezelfde mogelijkheden zouden moeten krijgen als iedere andere burger in dit land. Alleen is de vraag: hoe kunnen we dat binnen de beperkte budgettaire mogelijkheden realiseren? En daar krijgt de lezer geen antwoord op.

Toch levert Delizée een interessant boek af waarin hij aantoont dat de taalkwestie geen onoverkomelijk probleem is. Sterker nog, in feite is het nog een van de meest eenvoudige zaken om op te lossen mits de nodige inzet en doorzettingsvermogen. Daartegenover staan de echte uitdagingen zoals het bestrijden van armoede, het integreren van mensen met een handicap, het vrijwaren van onze welvaart, het vergroten van ons welzijn. Op dat vlak is de taal die men spreekt compleet irrelevant. Alleen vergt het de nodige moed en empathie van politici uit diverse ideologische hoeken, en vanuit de diverse regio’s om tot een coherent en efficiënt beleid te komen. In die zin is het boek ook een oproep om na het steriele communautaire gebekvecht van de voorbije jaren eindelijk weer te komen tot een echte confrontatie tussen mensen met democratische ideeën om ons land weer vooruit te krijgen, en dit ten bate van alle burgers in ons land, zowel Vlamingen, Franstaligen en Duitstaligen.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Jean-Marc Delizée, Au dela des frontières, Couleur livres, 2012

Links
mailto:verhofstadt.dirk@telenet.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be