De ander van binnenuit kennen

boek vrijdag 16 mei 2008

David Grossman

De poëzie van de Tenach

‘Weer deden de Israëlieten wat slecht is in de ogen van de Heer. Daarom leverde de Heer hen veertig jaar lang over aan de Filistijnen. In die tijd leefde er in de omgeving van Sora een zekere Manoach, die tot de stam Dan behoorde. Zijn vrouw was onvruchtbaar en had nooit kinderen gekregen. Op een dag verscheen bij haar een engel van de Heer. “Tot nu toe was U onvruchtbaar en hebt U geen kinderen gekregen” zei hij. “Maar nu zult U zwanger worden en een zoon baren. Onthoud U daarom van wijn en andere drank en eet geen voedsel dat onrein is. U zult zwanger worden en een zoon krijgen. Zijn haar mag nooit door een scheermes worden aangeraakt, want de jongen zal als azireeër aan God gewijd zijn vanaf de moederschoot. Hij zal een begin maken met de bevrijding van Israël uit de greep van de Filistijnen”.’(1) Deze tekst uit de Hebreeuwse Bijbel is terug te vinden in de hoofdstukken 13 tot en met 16 van het boek Rechters (Richteren).

Richter

In die tijd, vermoedelijk einde 12e en begin 11e Eeuw vóór onze jaartelling, was er nog geen koning in Israël en geen centrale overheid. De naburige volken, Midjanieten, Kanaänieten, Mohabieten, Ammonieten en Filistijnen, zagen hun kans schoon en voerden roof- en bezettingstochten tegen de zwakkere Israëlieten. Van tijd tot tijd stond onder de Israëlieten iemand op die zijn stam, met of zonder andere stammen, in een tegenaanval, aanvoerde.

Behaalde hij een overwinning, dan werd hij de politieke en geestelijke leider en kreeg de titel ‘rechter’. Onder deze ‘ richteren’ waren bijvoorbeeld Gideon en Jefta, Ehud de zoon van Lappidot. Zo verging het de Israëlieten, op en neer, in een steeds terugkerende cyclus van bezetting en bevrijding die, volgens de Bijbel, gelijk liep met de afwisselende perioden van zonde en inkeer: eerst begaven de Israëlieten zich op het verkeerde pad van andere goden. Daarna liet God hen door naburige volkeren toetakelen, waarna zij in hun nood tot God riepen, die vervolgens uit hun midden weer de man liet opstaan die hen zou redden.

In die woeste maalstroom leefden eens een man en een vrouw uit de stam Dan. Ze woonden in Sora, op de vlakte van Juda, een in die tijd bijzonder gewelddadige streek, omdat daar de grens liep tussen de Israëlieten en de Filistijnen. De man heette Manoach, de vrouw wordt niet vermeld. Van haar weten we alleen dat ze onvruchtbaar was en nooit kinderen had gebaard. Toch is dit voldoende om te kunnen veronderstellen dat man en vrouw, naast het zware leven in een grensgebied, ook veel kommer en kwel deelden in de intimiteit van hun leven samen. Manoah was echt niet gediend door de fratsen van de Engel van de Heer. Zoals elke man was hij achterdochtig en jaloers. Je zou voor minder. Maar wie bekend is met de ‘bewegwijzering’ van de Bijbelverhalen weet dat een onvruchtbare vrouw, bijna per definitie, de belofte met zich meebrengt van een historische geboorte. Historische geboorten blijken, vreemd genoeg, nogal dikwijls eens, het werk van niet bezwangerde maagden.

Vrouw

We moeten ook denken aan een andere vrouw uit de Bijbelverhalen, een vrouw die hetzelfde lot trof als de moeder van Simson: Hanna, die huilend tot God bad en beloofde dat, als ze een zoon zou krijgen, ze hem aan de Heer zou schenken, waarna ze Samuël kreeg en aan de priester Eli moest geven. Deze twee uitzonderlijke zwangerschapsverhalen roepen- vanuit een simpel menselijk oogpunt- het ongemakkelijke gevoel op dat God ergens gebruikmaakt van een vrouw die ernaar snakt om zwanger te worden en een kind te baren. Een vrouw die bereid is om elk voorstel omtrent het lot van het kind te aanvaarden, zelfs - om het in moderne termen uit te drukken - om ‘draagmoeder’ te worden voor Gods grootse plannen. Als ze maar een kind krijgt. Onwillekeurig denkt men terug aan de Griekse grapjesmaker Zeus, die ook al zo’n leugenaar en hormonenatleet moet geweest zijn. Simson en Hercules lijken tweelingbroertjes. Temeer daar de onbekende moeder Manoach iets op de mouw spelt. Zij gebruikt immers niet hetzelfde werkwoord als de Bijbelse verteller als hij de ontmoeting beschreef, namelijk: Op een dag verscheen bij haar de Engel van de Heer.’ In plaats daarvan gebruikt zij de samenstelling komen tot, een beladen en betekenisvolle uitdrukking die in het Oude Testament onder andere gebruikt wordt om geslachtsgemeenschap aan te duiden.

Sacharov

Hier moet misschien vermeld worden dat er in de vele interpretaties van dit verhaal - ondermeer van dichters, toneelschrijvers, kunstschilders en auteurs die zich door de eeuwen heen verdiept hebben in het personage van Simson - vaak gesuggereerd wordt dat Simson geboren is als gevolg van het treffen tussen zijn moeder en de ‘man van God’. Anderen, zoals de schrijver Zeev Jabotinsky (2) in zijn prachtige boek Simson, gaan nog verder en opperen de mogelijkheid dat Simson geboren is uit een romantische relatie tussen zijn moeder en een Filistijnse man van vlees en bloed. Zij beschouwen het hele verhaal over de man van God die tot haar kwam als niets anders dan een smoes die de vrouw noodgedwongen moest verzinnen om haar genante zwangerschap te verklaren. Hiermee wordt uiteraard een pikant sausje gegoten over de complexe verhouding van Simson met de Filistijnen. De mentale houding die de onbekende moeder aanneemt is vreemd. Het is er een van verbitterde vervreemding, niet alleen jegens het kind en jegens de vader die haar aanhoort, maar ook - en in niet mindere mate - jegens zichzelf.

Met een voorwaartse gedachtesprong van enkele millennia ,dringt zich hier de herinnering op aan een ontroerend interview dat de moeder van André Sacharov, de beroemde fysicus en Nobelprijswinnaar, aan een blad gaf. Ze sprak uiteraard over de liefde en trots over haar zoon, maar aan het eind van het interview verzuchtte ze: ‘Soms voel ik me als een kip die een arendsjong heeft gebaard.’ Het is zonneklaar dat het verhaal van Simson geen komedie is, maar een tragedie, en niet in de laatste plaats omdat dit kind zo uitgesproken en extreem anders is dan zijn ouders. Hij is een eenzame reus, soms gewelddadig, soms dolverliefd, een geweldenaar , met een ongeneeslijk verdrietig hart. Simson, geboren om Israël te bevrijden van het juk van de Filistijnen, blijft ondanks zijn voorbestemming, een mens van vlees en bloed. Zijn keuze voor een partner valt op een Filistijnse schone, tot groot misbaar van zijn ouders. Waarom kan je niet gewoon doen? Maar zij gaan dan toch, samen met hun geliefde zoon, op bezoek bij de uitverkorene. En dan, bij de wijngaarden van Timna aangekomen, komt Simson een brullende jonge leeuw tegen. De geest van God komt nu over Simson en binnen een mum van tijd verscheurt hij de leeuw ‘alsof het een geitenbokje was’. Hij doet dat met blote handen, maar zegt niets aan ma en pa. Het wordt nog mythischer, want wanneer hij teruggaat naar de dode leeuw ziet hij dat zich in het kadaver een zwerm bijen had genesteld, en dat er honing in zat.

Maar bijen hebben een gevoelige neus en vestigen zich niet in een jong kadaver. De dode leeuw lag er dus sedert geruime tijd. Deze boom van een vent staat verbluft te kijken. Voor hem zoemen bijen in het kadaver. Honing vult het skelet van de dode leeuw. Zonder angst voor de bijen strekt hij zijn hand uit en schept er wat honing mee. Vervolgens geeft hij wat honing aan zijn ouders, die het zo uit zijn hand likken. In de reus gaat dus een kleine likkepot schuil, vol ouderliefde. Bij een volgende bruiloft gaat Simson alleen met zijn vader naar Timna. Zodra het feest begint, stelt Simson zijn gasten voor een uitdaging. ‘Laat ik jullie een raadsel opgeven’ zegt hij: ‘Uit de verslinder kwam voedsel voort en een sterke zoetheid.’

Een poëtische ontboezeming van een Golem(3), die op de wereld is gezet om als een dodelijk wapen te dienen binnen het goddelijk plan. En dan ineens een raadsel. Geraffineerd. Subtiel. Poëtisch. Dit houdt hij de hele week vol, tot ergernis van zijn vrouw. Dit geheim, dat zijn filistijnse bruid uiteindelijk zal verraden, wijst op het mysterie dat het joodse volk in de ogen van andere volken altijd omhuld heeft, vanaf zijn ontstaan tot op heden; de verwondering en achterdocht die de jood ondervond - en nog steeds ondervindt - in zijn omgang met andere volken.

Zie: Liefde (4)

Op het verraad van zijn vrouw reageert Simson woedend. In zijn boosheid ging hij weg, ving driehonderd vossen die hij, twee aan twee, met de staarten aan elkaar bond, steeds met een fakkel ertussen. Toen stak hij de fakkels aan en stuurde de vossen de korenvelden van de Filistijnen in. Zo stak hij alles in brand, niet alleen korenschoven en het koren dat nog op de akker stond, maar ook de wijngaarden en de olijfgaarden. Ook deze daad van Simson is gruwelijk in zijn woestheid en wreedheid. Maar wat een glorieuze, gestileerde, zelfs esthetische wraakactie. Een ongelooflijke vindingrijkheid. Ook zijn ultieme geheim wordt door zijn laatste en meest geliefde vrouw, Delila, verraden. Als de Filistijnse vorsten de kamer binnenkomen, slaapt Simson al in haar schoot. Simson wordt even voordat Delila zijn haren afscheert weer een kind. Hij gaat als het ware terug naar zijn allereerste begin en ligt weggedoken, haast in een embryonale houding, bij ‘moeder’ op schoot.

Zijn wij mannen niet allemaal zoekenden naar onvervulde liefdes? Zoeken wij allemaal niet de ultieme geliefde bij wie we in opperste vervoering, in totale veiligheid en warmte,in de schoot willen vertoeven. Willen wij bij haar uiteindelijk niet in ultieme vervoering de rust vinden, die onze moeder ons voorheen, in alle tederheid schonk? Is dit tevens niet de vervulling van het leven? Onze ziel wegschenken aan de vrouw die niet onze moeder meer blijkt te zijn. Dit is het afscheid van onze moeder (en vader) die volwassenheid heet. Onze geliefde schenkt ons niet alleen haar lichaam, maar ook haar ziel. Zij schenkt ons het leven, de waarheid en het licht. Op dat ogenblik worden wij een zelfstandig mens, met een mengeling van onwetendheid, vertwijfeling en hoop.


Recensie door Yves Van de Steen



(1) Filistijnen: zeevaartvolk dat in de Oudheid aan de kusten van Eretz Israël leefde. Zij hadden niets gemeen met de huidige Palestijnen, die historisch gezien de Arabische Bewoners van Palestina zijn, aldus genoemd door de Romeinse Keizer Hadrianus.



(2) Revisionist en Irgoun-medestichter. Verjaagd door Ben-Gourion.



(3) Volgens de joodse sage was de Golem gecreëerd door de Maharal, een vooraanstaande rabbijn in het Europa van de 16de Eeuw, die om tegen de jodenhaters te kunnen vechten, van klei een soort grote pop maakte,Golem genaamd. Door een briefje met de naam van God in de mond van de Golem te stoppen, blies hij deze leven in. Bij vergelijking kan men het briefje met de naam van God zien als de concretisering van ‘de geest van de Heer’ die in Simson

‘klopte’.



(4) Eersteling van David Grossman.
















David Grossman, Leeuwenhoning. De mythe van Simson, De Bezige Bij, Amsterdam,2006, 156 blz.

Links
Mailto:yves.vandesteen@skynet.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be