Darwin

boek vrijdag 09 januari 2009

Adrian Desmond en James Moore

Dit jaar is het 200 jaar geleden dat Charles Darwin geboren werd en 150 jaar dat zijn belangrijkste boek On the Origin of Species op de markt kwam. Reden genoeg dus om ons te verdiepen in het leven van de man die volgens tijdgenoot John Ruskin ‘verdacht veel interesse vertoonde voor het felgekleurde achterste van bepaalde apen’.

Toen Charles Darwin op zijn dertigste voor het eerst vader was geworden, leek hij - zeker voor zijn tijd - de ideale papa te zijn. Hele dagen zat hij naast het wiegje van de kleine William Erasmus. Hij brabbelde en broebelde, kietelde het uk en hield het een handspiegeltje voor. Hoe enig, dachten vriend en vijand, maar zijn vrouw Emma wist wel beter. Zoals steeds dacht Darwin eerst en vooral aan zijn wetenschappelijk onderzoek, en dan pas aan zijn kroost. In de jaren dertig van de negentiende eeuw doken de eerste mensapen op in Londen. Wanneer er ergens eentje tentoon werd gesteld zorgde dat meteen voor een volkstoeloop. Befaamd was bijvoorbeeld de grote mandril die in Cross’ Menagerie zat, iedere middag een sigaar rookte en een borrel dronk en er bijna de arm van een enthousiaste toeschouwer had afgerukt toen die zo in het gebeuren opging dat hij zijn ‘verre neef’ de hand wou schudden. Voor Darwin waren dit soort apen eerder studie-objecten dan kermisattracties, en toen hij het aanbod kreeg om de orang-oetan Jenny langdurig te observeren zei hij dus geen nee. Hij had vooral oog voor de emotionele gelaatsuitdrukkingen van de aap. Hij nam Jenny haar eten af, of gaf haar juist een snoepje, hij hield haar een spiegel voor, en keek hoe ze daar op reageerde. Voor Darwin was die kleine William Erasmus dus vooral interessant onderzoeksmateriaal. Alles wat hij met Jenny had gedaan, probeerde hij nu ook met de baby, en tot zijn verbazing bleek er niet zoveel verschil te zijn tussen de reacties van de twee.

Op basis van zijn experimenten met Jenny schreef Darwin in 1838 in een van zijn geheime notitieboekjes: “Oorsprong van mens nu bewezen - Metafysica moet opbloeien - Hij die de baviaan begrijpt zal meer bijdragen aan de metafysica dan Locke”. Het bleken profetische woorden te zijn, en de man die het beter zou doen dan Locke was hijzelf. De vraag is echter waarom hij 21 jaar zou wachten om zijn evolutietheorie te publiceren. In de vuistdikke biografie Darwin menen Adrian Desmond en James Moore het antwoord op deze vraag in zijn afstamming te kunnen vinden. De auteur van de Origin was immers geen pauper die toevallig over een dooie schildpad was gestruikeld en zo aan het denken werd geslagen over de verschillende soorten dergelijke beesten die er zijn. Nee, hij behoorde tot de welgestelde burgerij, diende nooit te werken voor de kost en groeide uit tot een van de rijkste renteniers van Engeland. Van zo iemand werd geen heiligschennis verwacht, en heiligschennis was precies waar de evolutietheorie voor stond.

Ook al zou Darwin het grootste deel van zijn leven in Downe wonen, op een boogscheut van Londen, zijn familiale roots lagen in het noorden, in Birmingham, en meer bepaald in de Lunar Society die daar in 1765 was opgericht, een progressieve club van filosofen, wetenschappers en industriëlen waartoe onder meer James Watt en Joseph Priestly behoorden. Twee andere eminente leden waren Josiah Wedgewood, de man die van zijn porselein een begrip zou maken en Erasmus Darwin, een dokter en publicist die omwille van zijn evolutionaire boek Zoonomia door de een de hemel werd in geprezen en door de ander gewoon gek werd verklaard. Robert, de zoon van Erasmus, trouwde met Susannah, de dochter van Josiah, en zij werden de ouders van de kleine Charles. Robert was ook arts, betoonde een meer dan gemiddelde interesse voor natuurhistorie en onderhield in zijn orangerie een persoonlijk stukje jungle. Susannah was dan weer dol op haar sierduiven en ze kweekte zeldzame heesters. Charles zou in Downe niet anders doen.

Net als zijn vijf jaar oudere broer Erasmus zou Charles dokter worden, besliste vader en op zijn zestiende mocht hij mee op consultatie. Hetzelfde jaar nog werd hij naar Edinburgh gestuurd, naar de universiteit die op dat moment de beste medische reputatie had, en niet naar Cambridge, waar Erasmus had gestudeerd en de anglicaanse bisschoppen en hun academische acolieten de plak zwaaiden. De Darwins konden trouwens niet zo goed opschieten met dat soort volk. Het waren Tories, die opkwamen voor koning en kerk, terwijl zij Whigs waren, liberalen die de uitbreiding van het stemrecht eisten, pleitten voor religieuze emancipatie en de slavernij wilden afschaffen. De kans dat hij echt dokter zou worden, schatte Charles niet hoog in. Anatomie was bijvoorbeeld niet aan hem besteed. Tijdens bloederige ontledingen diende hij meermaals naar buiten te lopen. Nee, chemie, dat was zijn vak, en taxidermie, al was dat in feite geen vak natuurlijk, maar wel een ambacht.

Het was ook in Edinburgh dat hij meer hoorde over evolutie, of transmutatie zoals het toen nog werd genoemd. Hij trad toe tot de Plinian Society en onderschreef daarmee de beginselen van deze vereniging die de wetenschap niet op dogma’s maar wel op objectieve waarnemingen wou stoelen. In zijn notitieboekje deed hij gedetailleerd verslag over zijn observaties van zeeveren, mosdiertjes en larven van weekdieren. In Edinburgh bleek er ook een veel duidelijker besef te bestaan van de link tussen wetenschap en politiek. Vanuit evolutionair oogpunt gezien belemmerde de aristocratie de ontwikkeling van de mens, zo werd er bijvoorbeeld onomwonden gesteld, want met hun privileges ondergroeven ze de eerlijke concurrentie tussen de individuen. Dat er een economische kant zat aan de evolutie werd zo meteen ook duidelijk voor de jonge Darwin. In Schotland leek alles dus te kunnen, of toch relatief, want toen iemand een voordracht hield waarin hij stelde dat de menselijke geest alleen maar een functie was van onze hersenen, stond de hele Plinian Society wel op zijn achterpoten natuurlijk.

Nog tijdens zijn eerste jaar verliet Darwin echter Edinburgh. De geneeskunde was niets voor hem, besefte zijn vader en daarom zou de jongeling priester worden. Zelf geloofde hij natuurlijk niets van die onzin, maar het was een job als een ander, en Charles moest toch iets gaan doen. Dus stuurde hij zijn zoon naar Cambridge, waar deze ver weg bleef van cricket-, roei-, en discussieclubs en lekker op zijn eentje kevers ging verzamelen.

Cambridge ging hem wonderwel af. Hij raakte er verzeild in een groepje zoölogisch geïnteresseerde intellectuelen, las de boeken die er toe deden over biologie en theologie, en droomde urenlang weg bij Alexander von Humboldts verslag van zijn reis naar Zuid-Amerika. Hij vertelde aan ieder die het wilde horen dat hij ook zo’n expeditie wou maken en niet veel later kreeg hij het aanbod om aan boord van de Beagle naar net dat continent te reizen. In feite diende de expeditie om topografische landkaarten te maken van praktisch het hele zuidelijk halfrond en was hij niet gevraagd omwille van zijn natuurhistorische kennis, maar wel om kapiteit FitzRoy gezelschap te houden. Diens voorganger had immers uit eenzaamheid zelfmoord gepleegd, maar dat kwam Darwin pas later te weten. Die Beagle bleek een botervlootje te zijn van 27,5 op 7,5 meter, wat Darwin ‘eerder gezellig dan klein’ vond, maar gelukkig kreeg hij de grootste kajuit: 3 op 3,3 meter. hij kon er net rechtop in staan.

Tot Darwins ergernis leek FitzRoy niet genoeg te krijgen van het varen. Hij ging naar het zuiden, keerde een beetje terug naar het noorden, hield een beetje stuurboord aan, dan bakoord en voor ze het wisten waren ze vijf jaar verder, wat echt niet de bedoeling was geweest, maar het gaf de jonge natuuronderzoeker wel de tijd om te lezen, te denken, te schrijven en vooral heel veel te verzamelen. Daardoor was hij op 2 oktober 1836, toen de Beagle terug thuis was in Falmouth, een compleet ander mens geworden. Vertrokken als een enthousiaste jongeling die de woorden van zijn mentors netjes napraatte, was hij nu een onafhankelijk denker met een dagboek van 770 pagina’s, 1383 beschreven vellen over geologie, 368 over dierkunde en nieuwe soorten. In zijn kajuit zat er een Galapagosschildpad die tijdens de reis vijf centimeter was gegroeid en in het ruim stonden kratten vol botten, vogels, stenen en koralen. Hij beschikte over een catalogus van 1529 gepreserveerde soorten en 3907 gelabelde dierenhuiden, botten en andere gedroogde monsters.

Geleidelijk aan was hij tot het besef gekomen dat soorten zich aanpassen aan hun omgeving. Op de Galapagos Eilanden had de directeur van een strafinstelling hem verklaard aan het schild van iedere schildpad te kunnen zien van welk eiland het dier precies afkomstig was, en dat gold ook voor de vinken die er weelderig rondvlogen. Zij waren zo geworden doordat ze in specifieke omstandigheden leefden die voor ieder eiland anders waren, besloot Darwin. En hij dacht ook even verder, want als dat waar was, gold dat natuurlijk ook voor de mens. Die was dan niet geschapen door god, maar geëvolueerd uit ‘een hermafrodiet zonder kop’.

Het was een bevinding waar Darwin zelf zo van schrok dat hij ze twee decennia lang verzweeg. De schepping bleek een bloedpoel te zijn waar ieder tegen ieder vocht en de in zijn tijd immer broeiende volksopstanden dus gewettigd waren. Malthus had niet veel eerder beweerd dat de groei van de voedselbevoorrading nooit die van de bevolkingsaanwas kon bijbenen en dat het dus normaal was dat de grote massa honger leed. Via een andere weg kwam Darwin tot dezelfde conclusie. De best aangepasten zouden overleven en de anderen zouden sterven. Jammer misschien, maar zo zat het leven nu eenmaal in elkaar. Het was een conclusie waar hij maar moeilijk mee overweg kon en die recht indruiste tegen zijn kleinburgerlijke moraal. Pas toen Alfred Russel Wallace in 1858 een artikel naar Darwin opstuurde waarin hij krek hetzelfde zei als de grote man uit Downe, besefte deze dat er actie ondernomen diende te worden. Hij schreef zijn eigen artikel en zorgde ervoor dat de twee teksten op 1 juli van dat jaar samen voorgelezen werden in de Londense Linnean Society, en de rest is geschiedenis.

In 1844 schreef Robert Chambers Vestiges of the Natural History of Creation, een boek dat de transmutatie voorop stelde als enige mogelijkheid. Later vroeg men hem waarom hij het werk anoniem gepubliceerd had, en hij antwoordde: “Ik heb elf kinderen, wat voor mij elf goede redenen waren”. Na de publicatie van The Origin diende Darwin zich geen zorgen meer te maken omwille van zulke zaken. Hij werd gerespecteerd en kon zeggen wat hij wou, maar toch bleef hij een voorzichtige burger die liever agnost genoemd wou worden dan atheïst. Hij vond dat een veel te provocerend en dictatoriaal woord. Met vrijdenken is niets mis als het om ontwikkelde mensen gaat, redeneerde hij paternalistisch, maar zijn de mensen op straat daar wel aan toe?


Recensie door Marnix Verplancke



Deze tekst verscheen eerst in Uitgelezen, de boekenbijlage van De Morgen.

Adrian Desmond en James Moore, Darwin, Nieuw Amsterdam, 2008, 912 p., €49,95

Links
mailto:marnixverplancke@skynet.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be