Curriculum Vitae

boek vrijdag 05 februari 2010

Victor Klemperer

Wie wil weten hoe Duitsland in de ban van Adolf Hitler raakte en hoe zijn ideologie als een dodelijk virus de taal besmette, heeft geen betere gids tot zijn beschikking dan Victor Klemperer (1881-1960). In Lingua Tertii Imperii laat de Duitse literatuurwetenschapper zien hoe zowel de gezwollen taal van de partijpropaganda als haar leugens, eufemismen en geschimp het gezonde verstand dag in dag uit vergiftigde. In zijn dagboeken, uitgegeven als Tot het bittere einde. Dagboek 1933-1945 en Tussen de wal en het schip. Dagboeken 1945-1959 spreekt een stem die op onnavolgbaar eerlijke, uitvoerige en soms grappige manier zijn leven als jood, kritische burger en academicus in het Derde Rijk en de DDR beschrijft. Nu zijn er Klemperers herinneringen aan de periode vanaf zijn kindertijd tot het einde van de Grote Oorlog. Eigenlijk is het nooit zijn bedoeling geweest om uit zijn 46 dagboeken een autobiografie te destilleren. Maar wanneer hem na de Kristalnacht van 9 november 1938 de toegang tot de openbare bibliotheken wordt ontzegd, begint hij noodgedwongen aan zijn Curriculum Vitae, om ‘de nakende oplossing in een enkele nacht van het jodenprobleem te vergeten.’

Hoewel Klemperer aanvankelijk niet zeker is dat zijn taak veel zin heeft, zet hij koppig door, enerzijds gedreven door een onbedwingbare drang naar zelfkennis en een onblusbare nieuwsgierigheid naar de wereld om hem heen, anderzijds gedwongen door omstandigheden buiten zijn wil: het touw rond de nek van Duitsers van joodse afkomst wordt immers steeds strakker aangespannen. Klemperer geeft zelfs toe dat hij zijn autobiografie aan Adolf Hitler heeft te danken. Ten eerste heeft hij veel vrije tijd nu hij aan de Technische Hochschule van Dresden werd ontslagen, en ten tweede wil hij de afschuwelijke leugen te lijf dat hij geen Duitser zou zijn. Daardoor heeft de Führer mij, aldus Klemperer bij de aanvang van zijn titanenwerk, ‘een diepgaand en permanent inspirerend fundament van mijn bestaan in al zijn scherpte doen zien, en hij heeft me getoond dat er naast persoonlijke en alledaagse dingen ook dingen in dit leven zijn van algemeen en karakteristiek belang.’

Zijn eigen diepe twijfels zijn eveneens een inspiratiebron. Het lijkt een vreemde admissie. Klemperer was een hooggeacht academicus, en zijn huwelijk met Eva Schlemmer was een lange idylle. Toch moet het hem voortdurend van het hart dat bij hem alles altijd ‘in halfheid’ blijft steken, ‘gevoelens en gebeurtenissen’. Het is trouwens die zelftwijfel die hem heeft aangezet om op 16-jarige leeftijd met een dagboek te beginnen. ‘Ik moest voor mezelf overal schriftelijk rekenschap van afleggen, anders miste ik het gevoel van helderheid en, om zo te zeggen, van afronding van mijn ervaringen.’ Duidelijkheid en standvastigheid waren evenwel hoofddeugden in zijn familie. Als de jongste van negen kinderen uit een keurig, burgerlijk gezin werd de kleine Victor door zijn oudere broers van meet af aan ingeprent dat hij zich moest gedragen. Recht de rug, was hun lijfspreuk. En die rechte rug zou natuurlijk recht naar een prestigieuze carričre voeren. Wat hun zusters daarvan vonden, was onbelangrijk. Zusters dienden enkel om zo snel mogelijk aan een zo fatsoenlijk mogelijke partij te worden uitgehuwelijkt.

Ten slotte kijkt ook de ijdelheid over Klemperers schouder mee. ‘Of hij het nu wil toegeven of niet, het gaat hem om zijn voortbestaan, hij wil als individu langer hier zijn, met zijn hele ik, met huid en haar, ook als het ik er allang niet meer is.’ Deze eerlijkheid zal zijn trouwe metgezel blijven, want wanneer hij vreest dat hij niet langer objectief kan zijn, houdt hij zelfs op met zijn relaas en last hij enkel nog fragmenten uit zijn dagboek in. Dat overkomt hem slechts één keer. Bij het uitbreken van de Grote Oorlog is hij net als iedereen als een kind zo blij dat Duitsland eindelijk het recht in Europa zal doen zegevieren. Maar van zijn overtuiging van de ‘sneeuwwitte onschuld’ van zijn land blijft een kwarteeuw later – nu hij tot een paria is herleid – uiteraard niets meer over. Daarom is hij bang dat hij de juiste toon niet meer zal treffen: enkel dagboekaantekeningen kunnen oproepen wat hij begin augustus 1914 werkelijk dacht en voelde.

Duitser onder de Duitsers zijn verbindt zijn herinneringen met een stalen kabel. Wanneer zijn vader in 1884 zijn post als rabbijn in het provinciestadje Landsberg an der Warthe voor een nieuwe aanstelling in het grotere Bromberg verruilt, voelt hij zich ‘geheel en al Duitser, ingezetene van het Duitse rijk.’ Aan dat rotsvaste geloof wordt nooit gewrikt. Als Klemperer in 1918 met een vriend door het getto van Vilnius in Litouwen loopt, gruwt hij van het schouwspel. Zijn vriend ziet overal innigheid, Klemperer overal fanatisme. ‘Nee, ‘noteert hij openhartig, ‘ik was niet een van die mensen, ook al zou beweerd worden dat er honderdvoudige bloedverwantschap tussen hen en mij bestond. Ik hoorde niet bij hen, ook al zou mijn eigen vader hier hebben gestudeerd. Ik hoorde bij Europa, bij Duitsland, ik was niets anders dan een Duitser, en ik dankte mijn Schepper dat ik Duitser was.’ Door die trouw aan zijn Duitse identiteit verwijst hij dan ook het zionisme onverbiddelijk naar de prullenmand. ‘Soms twijfel ik er waarlijk aan of er een wezenlijk verschil is tussen een nationaalsocialist en een zionist,’ mijmert hij. Het is dan 1941. Binnenkort zal hij een Jodenster moeten dragen. De uitspraak is weliswaar minder kras als je bedenkt dat Klemperer ervan overtuigd was dat beide ideologieën ieder individu tot een specimen van een uitverkoren ras wilden reduceren.

De vraag rijst of zijn loyaliteit, net zoals die van alle andere joodse Duitsers, door bijbedoelingen was ingegeven. Voelden ze zich Duitser dan de Duitsers omdat ze beschaamd waren over hun afkomst? Beseften ze dat ze als jood geen carričre konden maken? Zwoeren ze met andere woorden trouw in ruil voor maatschappelijke verbetering? Voor Klemperers oudere broers was dat hoe dan ook het geval. Zij lieten zich protestants dopen om hun loopbaan een forse duw in de rug te kunnen geven. Voor hun jongste broer was het allemaal om het even. Zelf was hij nauwelijks religieus opgevoed; het gezin was al snel naar Berlijn verhuisd omdat zijn vader in de liberale Reformgemeinde een baan had gekregen. Joden van die strekking hielden er een ‘hoogst verdraagzaam deďsme’ op na. Maar bovenal wilde Klemperer innerlijk en uiterlijk vrij en ongebonden zijn. Ook deze drang echoot doorheen alle herinneringen. Op 11 november 1918 doet de Wapenstilstand hem in gejuich losbarsten: ‘Ik wilde vrij zijn, ik wilde een individu zijn, ik wilde een geleerde zijn, ik wilde mezelf zijn.’

Gejuich is een zeldzame verschijning in Curriculum Vitae. Ten eerste vindt Klemperer dat de taal vaak tekortschiet als je de beschrijving van een mens of van de natuur geen geweld wilt aandoen. En ten tweede probeert hij altijd zo nuchter mogelijk de wereld te bekijken en begrijpen. Het gevolg daarvan is dat hij er soms totaal andere meningen dan zijn vrienden en familie op nahoudt. Conflicten blijven dan ook niet uit. Hij heeft ruzie wanneer hij het voor de Britten en tegen de Boeren opneemt, als intellectueel heeft hij een vreselijke afkeer van studentenfuiven, en als pacifist krijgt hij het aan de stok met vrienden die de Pruisische oorlogszucht prijzen. Maar het langste en bitterste conflict vecht hij uit met zijn broers. Die vinden namelijk dat hij zijn leven verknoeit. Waarom geeft hij zijn studie aan het gymnasium op? Waarom wil hij journalist worden? Waarom trouwt hij beneden zijn stand? De onmin met zijn broers verbittert hem. Hij is de ‘te verheimelijken familieschande’, het zwarte schaap. Is dat de oorzaak voor de lage dunk van zichzelf? ‘Ik ben afkomstig uit een gewoon milieu en ik heb gewone dingen gedaan,’ schrijft hij in het eerste hoofdstuk. Hij is bang dat zijn Vita daarom onopgemerkt zal blijven of juist als een belachelijke aanmatiging worden gezien.’ Maar dan rebelleert zijn gezond verstand. ‘De middelmaat (heeft) een bijzonder recht op aandacht (…), omdat het immers het lot van de allermeeste mensen is tot de middelmaat te behoren.’

Zijn deemoed is even eerzaam als onnodig. Zeker, zijn herinneringen spitsen zich vaak toe op de meest alledaagse dingen van het leven. Maar uit die alledaagsheid borrelt een prachtig tijdsbeeld op. Bovendien is Klemperer nooit gewichtig of gemaakt. ‘Ik heb de oprechte bedoeling hier zo objectief mogelijk over mezelf en alle anderen te vertellen,’ kondigt hij in alle openheid aan. Eén keer slechts twijfelt hij aan het nut daarvan. Wanneer hij aan de universiteit van Berlijn germanistiek en romanistiek studeert, wordt hij hals over kop verliefd op Eva Schlemmer. Zij is zijn enige grote liefde, zijn enige trouwe liefde. Moet hij nu alle herinneringen aan hun relatie neerschrijven, ‘ook de innigste en pijnlijkste’?

De gebeurtenissen leven niet enkel op door de grote zwierigheid waarmee Klemperer zijn pen hanteert, maar evenzeer door de totale eerlijkheid waarmee hij iedereen en alles onder de loep neemt. Opvallend daarbij is dat de Duitse politiek hem lange tijd nauwelijks aan het hart gaat. Aan de ene kant is zijn ‘wezenlijke belangstelling (…) historisch en filosofisch en esthetisch van aard’, aan de andere kant vindt hij dat hij in de beste van alle werelden leeft. ‘Wij, wij Duitsers waren beter dan de anderen, vrijer in ons denken, zuiverder van gevoel, rustiger en rechtvaardiger in ons handelen. Wij, wij Duitsers, waren het waarlijk uitverkoren volk.’ Op het persoonlijke vlak blijft er van die trotse zekerheid vrijwel niets over. Klemperer is een eeuwige twijfelaar, hij heeft nooit innerlijke rust, en zodra hij een succesje boekt, doemt alweer een nieuwe donderwolk aan de horizon op. ‘Wilskracht en laksheid, grote plannen en besluiteloosheid wisselden elkaar voortdurend af,’ noteert hij bitter wanneer hij na een afstompende baan in een exportbedrijf van fournituren en galanteriewaren opnieuw naar school wil.

Klemperers stilistische souplesse houdt het verhaal op koers wanneer hij zich verliest in de talloze kronkels en ingewikkeldheden van zijn academische carričre, en telkens als het verhaal in pietluttigheid dreigt te verzanden, tovert hij een kostelijke anekdote, een haarscherp inzicht, een boude mening of een magnifiek portret van een vriend of vijand uit zijn mouw. En uiteraard valt er altijd van zijn openhartigheid te genieten. Hij is jaloers en eerzuchtig, sentimenteel en harteloos, neerslachtig en opgeruimd. Door de oorlog krijgen zijn gedachten en gevoelens verontrustende impulsen. Aanvankelijk verwelkomt hij de conflagratie. ‘De oorlog is de allerhoogste sensatie en de enige catharsis die de cultuurmens nog resteert’. Al snel begint zijn geweten te knagen. Maakt enthousiasme dom? De lijsten van de gevallenen en de talloze rouwadvertenties maken hem immuun voor medeleven. Uiteindelijk zal hij van het front met ‘de absolute twijfel aan welk standpunt ook’ terugkeren. Oorlog verruwt, vechtlust is geen zedelijk pluspunt.

Curriculum Vitae is een indringende en door Wil Hansen uitmuntend vertaalde terugblik van een intrigerend man op een intrigerend tijdperk


Recensie door Joseph Pearce

Victor Klemperer, Curriculum Vitae. Herinneringen 1881-1918. Atlas, 2009, 1136 p.

Links
mailto:joseph.pearce@telenet.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be