De nadagen van de paus

boek vrijdag 20 mei 2005

John Cornwell

Het overlijden van paus Johannes Paulus II en de verkiezing van kardinaal Joseph Ratzinger tot zijn opvolger beroerde zowat de ganse wereld. Dat hoeft niet te verwonderen, want het hoofd van de katholieke kerk heeft niet alleen een enorme spirituele invloed, maar ook een grote wereldlijke, zeg maar politieke impact. De reden hiervoor is eenvoudig te verklaren. In tegenstelling tot de andere monotheïstische godsdiensten kent het katholicisme een sterk centraal bestuur waarbij de paus, via zijn kardinalen, bisschoppen en priesters een stevige greep heeft op de interne discipline, de geloofsleer en het gedrag van honderden miljoenen gelovigen. Het gezag van de kerkvorst en zijn omgeving wordt daarbij nog eens versterkt door de tijdens het Eerste Vaticaans Concilie in 1863 afgekondigde pauselijke onfeilbaarheid en de centrale controle door de Congregatie van de Geloofsleer – de moderne variant van de Heilige Congregatie van de Universele Inquisitie – die er met harde hand op toeziet dat het katholicisme inzake geloof en zeden in gans de wereld beschermd en gestroomlijnd blijft. Gedurende bijna zevenentwintig jaar stond de Pool Karol Wojtyła als Johannes Paulus II aan het hoofd van de kerk. Over het belang van zijn pontificaat, zijn invloed op het geloof en op de wereld schreef de toonaangevende Britse auteur John Cornwell het boek De nadagen van de Paus. De auteur, die zelf katholiek is en naam maakte met zijn bestseller Hitlers paus over het leven van Pius XII, neemt daarbij geen blad voor de mond.

Karol Wojtyła werd in 1920 geboren in Wadowice in Polen, een land dat zowel onder het nazisme als het communisme zwaar te lijden had. In 1946 werd hij tot priester gewijd en trok hij naar Rome om er te studeren. Hij baseerde zich op het ‘personalisme’, een stroming die de mens als een uniek wezen ziet met het vermogen zich verbonden te voelen met God. Hiermee kwam de jonge geestelijk al snel in conflict met de Poolse Communistische Partij die de oude, nationale culturele en religieuze identiteit probeerde te verdringen door een totalitaire staat. De Kerk zocht naar intellectuele pastoors om weerstand te bieden tegen het atheïstische denken van de Partij. Op nauwelijks 38-jarige leeftijd werd Karol Wojtyła tot de jongste bisschop van het land gewijd en zes jaar later al tot aartsbisschop. Zijn strijd tegen het communisme zou hem de rest van zijn leven kenmerken. Zo kantte hij zich tegen elk compromis met het regime en bleef staan op het ‘onschendbare recht van elk individu om zijn eigen geweten te volgen’, al betrof het voor hem alleen de geloofsvrijheid. Tegelijk nam hij immers een onwrikbaar standpunt in tegen abortus, anticonceptie en de vrije liefde die door het regime werden gepropageerd.

Dat Karol Wojtyła heeft bijgedragen tot de val van het communisme staat buiten kijf. Alhoewel hij als aartsbisschop directe confrontaties met de machthebbers vermeed sympathiseerde hij met de ontevreden Poolse studenten en arbeiders. Via talloze missen, liturgieën en pelgrimstochten kanaliseerde hij het ongenoegen onder de bevolking naar de kerk. Tegelijk keerde hij zich op internationaal vlak tegen de linkse christenen met hun marxistische sympathieën en tegen de Zuid-Amerikaanse bevrijdingstheologen. Na een kort pontificaat van drie weken van Albino Luciani als Johannes Paulus (de auteur schrijft dat we zijn werkelijke doodsoorzaak nooit zullen te weten komen, want er werd geen autopsie gepleegd), werd Karol Wojtyła in 1978 zelf tot paus gekroond, een van de jongste pausen uit de kerkelijke geschiedenis.

Tijdens zijn eerste reis naar Polen in 1978 richtte hij zich tot meer dan een miljoen mensen op het Victorieplein in Warschau, waarop de menigte ‘Wij willen God’ scandeerde. Zijn reis groeide uit tot een ware pelgrimage waarbij hij ook Krakau en Auschwitz bezocht en zich duidelijk profileerde als een ‘Slavische paus’ met een missie voor alle volkeren in Oost-Europa en Rusland. Twee later moedigde hij de arbeiders van Solidariteit aan om te blijven staken tot hun rechten werden erkend. Johannes Paulus II vond een belangrijk medestander in de Amerikaanse president Ronald Reagan. Zelf trok de paus nog twee keer naar Polen en ondersteunde daarmee de oppositie. Toen duidelijk werd dat de Sovjet-Unie onder Gorbatsjov niet militair zou interveniëren capituleerden de communistische regimes één voor één. In Polen kreeg het Burgercomité, met de steun van Solidariteit, de macht in handen en werden de officiële betrekkingen met de Heilige Stoel hersteld.

Johannes Paulus II erfde een Kerk die in de nagolven van het Tweede Vaticaans Concilie in ‘een liturgische, doctrinaire en institutionele chaos’ was terechtgekomen, maar zo schrijft Cornwell, hij zou ze ‘bij haar lurven pakken en de orde herstellen’. In feite voerde hij een dubbel beleid. Naar buiten uit toonde hij zich de advocaat voor de universele mensenrechten en de vrijheid van godsdienst, waarmee hij vooral de communistische leiders viseerde, maar tegelijk was hij onverbiddellijk tegenover afwijkende meningen binnen de kerk. Dissidente stemmen als Gustavo Gutiérrez, Edward Schillebeeckx en Hans Küng werden aangepakt. Hiermee volgde hij het devies van de oorlogspaus Pius XII die ooit stelde ‘Ik wil geen medewerkers, alleen mensen die mijn bevelen uitvoeren’. Tijdens zijn reis in Mexico keerde hij zich tegen de bevrijdingstheologieën, in Afrika verwierp hij de vermenging van heidense praktijken in het katholicisme, in Frankrijk sprak hij zich uit tegen de onverschilligheid en ontkerkelijking, en in de Verenigde Staten predikte hij tegen abortus, anticonceptie, echtscheiding en homoseksualiteit. Het leek wel een heroveringstocht van een kerk die jarenlang het noorden kwijt was geweest.

Eén van zijn belangrijkste beslissingen was de aanstelling in 1981 van Joseph Ratzinger als hoofd van de Congregatie van de Geloofsleer. Die zou intern zaken op orde zetten, ondermeer door regulering van de theologische orthodoxie, het toezicht op priesteropleidingen, de disciplinering van priesters en nonnen, en het controleren van oecumenische kwesties en levensvraagstukken. De aanduiding van bisschoppen werd niet langer overgelaten aan de lokale kerk, maar gebeurde door Rome. Tal van ultraconservatieve priesters werden zo gewijd als bisschop, vaak tegen de wil van de katholieke gelovigen in. Hij stelde ook de kardinalen aan. Al in 2001, na 23 jaar pausschap, had Johannes Paulus II 125 van de 135 kardinalen aangeduid. Een ander record dat de paus vestigde was zijn aantal heiligverklaringen. De meest spraakmakende was die van Josemaria Escriva de Balaguer, de stichter van het Opus Dei die hij de status van ‘personele prelatuur’ gaf. Daarmee konden de priesters van Opus Dei onafhankelijk van een bisdom werken, voor Cornwell een zoveelste bewijs dat de paus de macht van de bisschoppen wou verzwakken. Om iemand sneller heilig te verklaren verlaagde hij ook het aantal mirakels dat als getuigenis nodig was. De impact van die heiligverklaringen mag niet onderschat worden. In combinatie met zijn talloze buitenlandse reizen en de groeiende mediatisering werd de paus op die manier opnieuw de spil van de kerk.

Na de val van het communisme keerde de paus zich steeds meer af tegen het kapitalisme. In zijn encycliek Centesimus Annus (1991) stelde hij dat ‘een pluralistische, democratische en kapitalistische maatschappij het gevaar loopt te vervallen in nieuwe vormen van tirannie’. Daarmee negeerde hij het pluralisme als een belangrijke christelijke traditie, zoals geïnspireerd door John Locke. Voor Cornwell is dit de grootste mislukking uit het pontificaat van Johannes Paulus II. Het zette de weg open voor een katholiek fundamentalisme. In het millenniumjaar 2000 verkondigde hij de Openbaring van Jezus Christus als ‘definitief en volledig’. Andere godsdiensten waren bijgevolg onvolledig, een stelling die elke ware toenadering tot andere religies, de orthodoxe en anglicaanse kerk in het bijzonder, verder zou bemoeilijken, in zoverre de paus die ooit echt gewild heeft. Van pluralisme binnen de kerk kon zeker geen sprake zijn. Ratzinger verdedigde ‘het primaat van het universele over het lokale’ en opvallend schrijft Cornwell hier over kardinaal Godfried Danneels die vond dat ‘de Kerk bestuurd moet worden door de bisschoppen in samenwerking met de paus’. Hier ligt de kern van de botsing die zich blijkbaar tijdens de pausverkiezing heeft voorgedaan tussen de centralistische en meer open ideeën over de Kerk en het pausschap.

In één zaak is de vorige paus alvast geslaagd. Hij nam de teugels van de kerk opnieuw stevig in handen, maar dan wel ten koste van de vernieuwende ideeën, die de gelovigen zoveel hoop hadden gegeven na het Tweede Vaticaans Concilie. Priesters mochten niet huwen. Vrouwen moesten ‘berusten’ dat ze geen priester konden worden, hun individuele rechten ondergeschikt maken aan het ‘paar’ en zich onthouden van voorbehoedsmiddelen. Anticonceptie en abortus waren tekenen van de ‘cultuur des doods’. In-vitrofertilisatie zag hij als een vorm van egoïsme. De auteur vraagt zich af of de paus ooit een kind dat het resultaat is van IVF-behandeling heeft ontmoet. ‘Is dit een mens?’, zou dan de vraag kunnen zijn. De paus veroordeelde ook streng homoseksualiteit, maar werd in zijn pontificaat geconfronteerd met een lawine schandalen van pederastische priesters. Honderden priesters werden beschuldigd van aanrandingen op minderjarigen wat in de VS leidde tot enorme schadeclaims. Het meest controversiële standpunt van Johannes Paulus II was echter zijn verbod op het gebruik van condooms in een wereld die getroffen wordt door AIDS. Cornwell noemt dit pauselijk verbod als het meest laakbare ‘omdat het hem mee verantwoordelijk maakt voor de verspreiding van het hiv-virus en de daaruit vloeiende ziekte, dood en sociale gevolgen’. De paus verbood het gebruik zelfs voor een huwelijkspartner die de ziekte heeft en het op de gezonde partner kan overdragen. Opnieuw verwijst de auteur naar de afwijkende mening van Danneels die stelde dat als men toch seksuele omgang heeft met een persoon die met hiv geïnfecteerd is, het gebruik van een condoom toelaatbaar is. Anders zondigt men tegen het vijfde gebod ‘Gij zult niet doden’.

Minder bekend is de mystieke kant van Johannes Paulus II. Op 13 mei 1981 ontsnapte hij als bij wonder aan de dood na een moordaanslag. De paus bracht dit in relatie met de feestdag van Onze Lieve Vrouwe van Fatima. Sindsdien meende hij dat hij uitverkoren was en beschermd door de Heilige Maagd. Een jaar na de aanslag bezocht hij Fatima en stelde hij: ‘In het plan van de voorzienigheid bestaat het pure toeval niet’. Alles staat geschreven, alles is zo bedoeld. Wat dan met Auschwitz? Het doet Cornwell ergens besluiten dat de paus steeds meer overtuigd raakte van zijn onfeilbaarheid. ‘De paus spreekt, maar is niet verwikkeld in een dialoog; hij hoort maar luistert niet; hij studeert maar leert niet’. Het was die diepe overtuiging die zijn eigen ambitie om de kerken van de Westen en het Oosten bij elkaar te brengen, in feite deed mislukken.

In de nazomer van 2003 zat Cornwell op het Sint-Pietersplein op enkele meters van de paus. ‘Ik was gebiologeerd door zijn broosheid. Zijn lichaam was in elkaar gezakt, hij keek verbaasd de wereld in, alsof hij zojuist uit de dood was opgestaan’. Nochtans had die zieke man nog maar net moeder Theresa zalig verklaard en eenendertig nieuwe kardinalen benoemd. Wie had in die periode het stuur in handen? De auteur wijst naar drie mannen. De pauselijke secretaris Stanislaw Dziwisz die besliste wie tot bij de paus kon geraken. De kardinaal-staatssecretaris Angelo Sodano die optrad als een soort minister van Buitenlandse Zaken van het Vaticaan, en Joseph Ratzinger het hoofd van de Congregatie van de Geloofsleer die waakte over de zuiverheid van de gedachten. Zij waren het die de teksten opstelden en de bezoeken regelden. Zoals dat van Bush in juni 2004. Cornwell stelt zich de vraag of een verzwakte paus toen niet ‘voor het karretje (werd) gespannen van rechtse katholieke journalisten en de herverkiezingscampagne van George Bush?’ Bush deelt ‘de ideeën van Johannes Paulus II over seks, geweld op tv, homoseksualiteit, het homohuwelijk en abortus’. Voor Bush was de ontmoeting een succes. Hij veroverde de stem van de katholieken die van oudsher naar de Democraten gaan.

Wat zal er overblijven van het pontificaat van Johannes Paulus II? Zijn inbreng in de val van het communisme? Zeker. Een versterking van het centraal gezag? Ja. Maar Cornwell, die deze tekst schreef voor de verkiezing van de nieuwe paus, stelt dat de geest van Vaticanum II werkzaam is en niet kan worden onderdrukt. ‘Nog nooit heeft de lokale Kerk zo te lijden gehad onder het Vaticaan en het pauselijk gezag’, zo schrijft hij. Het heeft grote groepen gelovigen gedemotiveerd. De auteur hoopt op een progressieve paus alhoewel dit net zoals met Gorbatsjov in de toenmalige Sovjet-Unie zou kunnen uitlopen op een waar schisma, terwijl een aartsconservatieve paus de ‘resten’ van een nog nauwelijks zichtbare Kerk zal proberen te bewaren, maar met een wereldwijde verdere leegloop tot gevolg. De reacties op de verkiezing van Joseph Ratzinger tot Benedictus XVI wijzen alvast op het laatste. De man die decennialang moest waken op de zuiverheid van het geloof en die zijn aartsconservatieve standpunten niet onder stoelen of banken stak is nu immers ook onfeilbaar geworden.


Recensie door Dirk Verhofstadt

John Cornwell, De nadagen van de paus, Balans, 2005

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be