Tussen de zichtbare en de onzichtbare wereld

boek vrijdag 20 juni 2008

Ronald Commers

Zowel binnen als buiten de vrijmetselarij wordt nogal eens gegoocheld met een hocuspocus van graden en hogere graden, er wordt verwezen naar tempelridders, kruisvaarders, commandeurs, populaire geloofsinhouden, gralen, de heilige tempel, valse esoterie, de Schotse ritus en meer van die militaire, religieuze en aristocratische abracadabra, een fenomeen dat vandaag zijn reïncarnatie kent in allerlei ietsistisch gedoe en chakragelul. Ook wordt vaak en graag gerefereerd aan de kathedralenbouwers en aan de daarin arbeidzame operatieve loges. Die wat mysterieuze, historisch-rammelende en verhullende visie op de vrijmetselarij ontstond in het tweede kwart van de achttiende eeuw toen deze beweging gekaapt werd door een zekere kleinburgerlijke Wichtigtuerei, door bizarre funderingsmythologieën en pseudohistorische verwijzingen, waardoor alle progressieve radicalisme er werd uit geweerd. Er greep met de Aloude en Aangenomen Schotse Ritus een rituele verenging plaats met bedenkelijke ideologische betekenisinhouden. Dat althans is de visie van vrijmetselaar Ronald Commers, gewoon hoogleraar bij de vakgroep Wijsbegeerte en Moraalwetenschap van de Universiteit Gent.

Commers gaat er in zijn pas verschenen werk Tussen de zichtbare en de onzichtbare wereld. Over vrijmetselaarsfilosofie en Mozart immers vanuit dat de vrijmetselarij in essentie een speculatieve oorsprong heeft, dat zij een spiritueel-religieuze beweging is die tussen de 16de en 18de eeuw een unieke, vaak ideële organisatievorm kreeg. Ze was in zijn visie - en hij adstrueert dat met de geschriften van vandaag minder bekende maar dissente en ‘gevaarlijke’ denkers als Giordano Bruno, Samuel Hartlib, Jan Amos Comenius en John Toland - een speculatieve beweging van ethisch geïnspireerde mensen, inspiratoren van een vrijzinnige oecumene tijdens grote maatschappelijke omwentelingen. Sommigen onder hen zouden zwaar boeten voor hun voorlijke ideeën in verband met een gemeenschappelijke moraal voor de mensheid. In die zin ook is iemand als Paul Cliteur met zijn ‘moreel esperanto’ vandaag een interessante nazaat van bovengenoemde denkers. Zij vormden als het ware (tot op de dag van vandaag) een onzichtbare gemeenschap van ‘menselijke mensen’. Ze waren geïntegreerd in intellectuele, speculatieve en commerciële netwerken in continentaal Europa en op de Britse Eilanden. Ze formeerden als het ware door hun frequente contacten, hun intensieve correspondentie, hun gesloten conversatieverenigingen, hun progressief-ethische ideeën, hun utopisme, en hun anti-institutionele instelling een proto-maçonniek genootschap van waarlijk vrije denkers die zowel op wetenschappelijk, religieus als commercieel vlak een progressief-vrijzinnige bedding legden waarop de liberale rechtsorde met zijn universalisme, zijn gelijkheidsstreven en zijn vrijheidsconceptie kon worden gefundeerd.

De denkers die zich in die twee eeuwen aanboden, kwamen zowel voort uit het radicale Reformatiedenken, uit de filosofie van de Renaissance, de gesloten genootschappen ter bevordering van wetenschappelijk onderzoek, de pedagogen die het openbaar onderwijs voorstonden als uit de spirituele alchemie. Commers toont overtuigend aan dat de vele denkers uit deze zo verschillende bewegingen toch een gemeenschappelijk streven hadden: op basis van het vrije denken komen tot een wereldbeeld dat zowel religieus (de grote broederketen en een bepaald egalitarisme) als wetenschappelijk onderbouwd is. Het is duidelijk dat Commers hier, in navolging van zijn leermeesters Leo Apostel en Hubert Dethier ideologisch partij kiest voor een vrijmetselarij die een nieuwe oecumene wil incarneren (de zich bewust makende mensheid) waarin de mens geroepen is een werk op zich te nemen dat hij niet kan volbrengen. Hij toont bijzonder helder aan dat de grote thema’s van dit soort vrijmetselarij nauw aansluiten bij bepaalde judaïsche en renaissancefilosofische concepten. De oorspronkelijke vrijgeestthema’s vindt men ook terug in bepaalde christelijke reformatiebewegingen en in een jodendom dat zich openstelde voor de buitenwereld.

Deze progressieve, soms egalitaristische maar altijd vrijheidslievende mannen waren, anders dan de latere historiserende vrijmetselaars met hun mytheem van de Tempel van Salomon, de voedstervaders van een nieuw soort denken dat uit was op een concordia universalis, op een radicale verdediging van de universele godsdienstvrijheid, van de individuele gewetensvrijheid en van een algemene en morele hervorming van het mensdom. Samen met dit programma was er de vraag naar een alles overkoepelende universele taal. Een onzichtbare geestelijke kerk was ontstaan met een radicaal irenisch spiritualisme. Een verzameling van rechtzinnige en goedwillende mensen vormden een mozaïsch netwerk: zij oordeelden dat de gedecentreerde mens zijn eigen schepper was en dat er een oneindige totaliteit was van ontelbare werelden, een voorstelling van zaken die haaks stond op de visie van het christendom. Commers stelt zich bij de door hem weergegeven eigenzinnige Werdegang van de vrijmetselarij één fundamentele vraag. Zou het kunnen dat in haar latere ontwikkeling de vrijmetselarij zich qua ideeën, wereldbeschouwelijke sensibilititeit en ritualistische beleving bewust heeft afgewend van die oorspronkelijke radicaal-maatschappelijke invloed? Hij beantwoordt deze vraag bevestigend en daardoor krijgt zijn werk, naast de wetenschappelijke acribie waarmee hij de eigen stellingen bevraagt, een ideologiekritisch en strijdbaar karakter.

Commers verwijst in verband met de vrijmetselarij naar een ‘waarheidsduisternis’ die een wezenlijke nooddruft van de mensen verraadt, waarbij symbolen en ritualen de evocatie mogelijk maken van een existentiële lotsverbondenheid. Deze wezenlijke uitgangspunten verbindt hij met een radicaal hervormingsdenken en hij traceert de bronnen daarvan op een scrupuleuze wijze, bijvoorbeeld met het elitair-onorthodoxe denken zoals hij dat terugvindt bij Giordano Bruno, een filosoof die door de kerk op de brandstapel geroosterd werd en die tot op heden niet werd gerehabiliteerd, maar ook bij een pedagoog als Comenius, die de wereld ‘sub specie educationis’ beschouwde (het willen leren) en die een gemeenschappelijke agogische weg zocht ter verbetering van mens en mensheid. Commers laat zien hoe in Tolands Pantheisticon (begin achttiende eeuw) vijf van de zeven kenmerken voorkomen van de vieringen die bij plechtige maçonnieke zittingen worden gehouden. In die zin alleen al is Toland een spirituele voorloper van de vrijzijnnige vrijmetselarij. In zijn boek maakt Ronald Commers beslist zijn punt: de operatieve piste in de vrijmetselarij is een dode straat; alleen de spirituele vrijmetselarij met zijn 16de- en 17de-eeuwse voorlopers is in staat ons terug te brengen tot een oecumenische en ‘vrijgeestige’ broederschap.

Dit werk (maar ook zijn vorige boeken) situeert zich daarmee in de lijn van Leo Apostel - die zichzelf ook als vrijmetselaar blootgaf en die de constructie van wereldbeelden als zijn voornaamste opdracht zag - en van Hubert Dethier, in wiens magistrale vierdelige werk De Beet van de Adder alle vrijgeesten ruim baan krijgen. Commers doet het hem na met een wijsgerig-ethische fundering van de vrijmetselarij die eindigt bij Mozart en zijn kring van gelijkgestemden die pleitten ‘voor een verlicht maatschappelijk systeem waar de menselijke kwaliteiten, de vrije kunsten en de wetenschappen zegevieren over het bijgeloof en de idolatrie, tot nut van heel de mensheid en van de gemeenschappen in het bijzonder’ (Adolf Freiherr von Knigge). Het kwam er nu op aan de burgerlijke voortreffelijkheid te ontwikkelen, de perfectibiliteit na te streven en het recht op revolutie te koesteren. Maar dan zijn we in de Duitse Aufklärung beland en bij de republikeinse geest, bij Klopstock en Lessing en de verbetering van het mensengeslacht, met op de achtergrond die muziek van Mozart die het onuitsprekelijke thematiseert. Commers wijdt er wijze en vooral mooie woorden aan.

Zijn boek is, naast de wetenschappelijke en radicaalideologische invalshoek, een gedreven, pathetisch en bij wijlen erg emotioneel pleidooi voor de oorspronkelijke vrijmetselaarsgeest zoals die bij lieden als Comenius, Toland, Bruno, Knigge, de Illuminaten van Weishaupt en Mozart voorkomt. Het is een schreeuw om herbronning en een explicitering van zijn vrijmetselarij: een louterende reis op de oneindige weg van het licht dat ‘daar’, in het huis van de arbeid en de mensenliefde, wordt geëvoceerd. Het is een vraag naar een eigentijdse utopie in het theater van de wereld, met op de achtergrond vrijgeesten als als Bloch, Fromm en Jankélévitch en een wonderkind als de revolutionaire Mozart. In die zin ook is het een erg politiek boek.


Recensie door Wim Van Rooy

Ronald Commers, Tussen de zichtbare en de onzichtbare wereld. Over vrijmetselaarsfilosofie en Mozart, Acco, 2008

Links
mailto:wimvanrooy@gmail.com
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be