Natuurrecht, cultuurrecht, conservatisme

boek vrijdag 03 maart 2006

Paul Cliteur

Verreweg de meeste promovendi geven hun proefschrift noodgedwongen uit in eigen beheer. Slechts een enkeling vindt een commerciële uitgever bereid een zogenaamde ‘handelseditie’ uit te brengen. Echt rampzalig is dat niet, want voor veel doctores is de dissertatie niet veel meer dan een startkwalificatie voor een academische of ambtelijke loopbaan. Naar hun geesteskind kijken ze daarna zelden nog om. Des te opmerkelijker is het, wanneer pas jaren na de promotie alsnog een handelseditie verschijnt. Het vorige week door mij besproken boek over de Nederlandse reacties op Bismarcks antikatholieke politiek dateert oorspronkelijk uit 1998, toen het beleid inzake religieuze minderheden nog geen brandende kwestie leek. Het vuistdikke proefschrift van de tegenwoordig zeer bekende Paul Cliteur, hoogleraar Encyclopedie van de Rechtswetenschappen in Leiden, dateert zelfs uit begin 1989.

Uit het voorwoord van zeventien jaar geleden wordt tenminste één reden duidelijk waarom dit boek, dat oorspronkelijk als titel Conservatisme en cultuurrecht droeg, zich bij verschijnen niet kon verheugen in massale belangstelling. Het conservatisme zat toen, in de woorden van de auteur, ‘nog tussen hel en vagevuur’. Het was een forbidden faith of, zoals Jacques de Kadt zijn eigen opvattingen ooit aanduidde, een “verkeerde voorkeur”. Wie zich openlijk als conservatief afficheerde rangeerde zich in het publieke debat op een zijspoor, wie er boeken over schreef was commercieel volstrekt oninteressant. Dat deze situatie tegenwoordig drastisch is veranderd hoeft men niet per sé toe te juichen, om toch ingenomen te zijn met het feit dat het boek van Cliteur nu gemakkelijker toegankelijk is. Het is namelijk een alleszins interessant boek, waaruit de lezer niet alleen veel wetenswaardigs kan opsteken, maar dat ook inzicht verschaft in de ontwikkeling die de spraakmakende publieke intellectueel Cliteur heeft doorgemaakt.

Wie slechts kijkt naar de centrale vraagstelling van het boek, zal wellicht concluderen dat deze studie alleen van belang is voor een select gezelschap van rechtstheoretici. Die luidt namelijk, of de tegenstelling tussen de natuurrechtsleer en het rechtspositivisme wel zo dwingend is als door met name Hans Kelsen is gesteld. Het natuurrechtsdenken gaat ervan uit dat het recht niet het product is van bewust menselijk handelen, dat het niet willekeurig tot stand is gekomen, maar dat het vooraf gegeven is en onafhankelijk is van een subjectief-menselijk wilsbesluit. Het recht is een afspiegeling van een ‘natuurlijke ordening’, die gefundeerd is in God, de natuur of de rede. Rechtspositivisten als Kelsen bestrijden dit als een metafysische, onwetenschappelijke illusie, en stellen dat het concrete of positieve recht niets anders kan zijn dan mensenwerk en dus tijdelijk, relatief en zelfs in hoge mate willekeurig is.

Hoewel hun kritiek volgens Cliteur voor een deel zeker hout snijdt, bieden zij geen oplossing voor de vraag naar een normatieve grondslag voor het recht, naar de idee van gerechtigheid. Ook dat vinden zij immers een onwetenschappelijke vraag. Een natuurrechtsleer die zich beroept op de menselijke natuur of een ‘door God geschapen en daardoor normatief geladen natuur’ wijst Cliteur van de hand, maar volgens hem moet het toch mogelijk zijn een rechtsfilosofie te formuleren die gebaseerd is op beginselen die misschien niet eeuwig, maar evenmin volstrekt relatief zijn. Volgens hem kan een dergelijke rechtsleer het best worden aangeduid met de term ‘cultuurrecht’, omdat zij weliswaar gevormd is door mensen en dus niet voortkomt uit de natuur, maar uit de cultuur. Zij is het resultaat is van een langdurig, historisch proces en niet van een aan de schrijftafel uitgedacht ontwerp.

Zoals gezegd zal deze problematiek, hoe belangwekkend ook, slechts een betrekkelijk klein publiek interesseren. Wat Cliteurs boek vooral zo boeiend maakt, is de uitgebreide aandacht die hij besteedt aan tal van conservatieve denkers die een bijdrage hebben geleverd aan wat hij het cultuurrecht noemt, en die dus wel op zoek waren naar een normatieve grondslag van het recht. Uiteraard gaat hij in op de betekenis van Edmund Burke, maar doet dat vooral door een overzicht te geven van het conservatieve denken in de Verenigde Staten zoals dat na 1945 is opgekomen. Hierbij gaat hij in op het werk van onder meer Friedrich Hayek, Irving Babbitt, Leo Strauss, Richard Weaver en Russel Kirk. Opmerkelijk, en uiterst interessant, is zijn behandeling van Franse conservatieven als Joseph de Maistre, Louis de Bonald en Félicité de Lamennais, die tijdens en kort na de Franse Revolutie met een vernietigende kritiek op het Verlichtingsdenken kwamen en die vaak worden weggezet als obscurantistische reactionairen die ons niets meer te zeggen hebben. Ook Nederlandse, en ernstig uit de mode geraakte, denkers als Guillaume Groen van Prinstere, Isaac da Costa en Herman Dooyeweerd komen ruimschoots aan bod en blijken ons nog heel wat te zeggen te hebben.

Wat al deze denkers bindt, is hun diepgevoelde en uitputtend beargumenteerde afkeer van het zogenaamde contractdenken dat zo kenmerkend is voor het liberale denken over recht en dat in verschillende varianten is geformuleerd door mensen als Hugo de Groot, Thomas Hobbes, John Locke, Jean-Jacques Rousseau, Immanuel Kant en John Rawls. Deze contractdenkers keerden zich tegen het natuurrechtdenken en stelden dat het recht voortkwam uit een stilzwijgende overeenkomst tussen mensen. Het is mensenwerk en dus veranderlijk. Het kent geen vaste, onveranderlijke en normatieve basis.

De conservatieve theoretici die Cliteur aan het woord laat, hebben de wankele basis en het steriele karakter van dit contractdenken blootgelegd. Cliteur gebruikt hun inzichten om de contouren te schetsen van een rechtsfilosofie die niet metafysisch is, maar die tegelijkertijd evenmin verzand in een verlammend relativisme. Hierbij neemt hij niet klakkeloos alle denkbeelden van deze conservatieven over. Volgens hem schieten zij in hun lofzang op de traditie en aanval op de ratio in minstens één opzicht tekort. Het blijft in het conservatieve denken namelijk onduidelijk wanneer het individu zich kritisch mag opstellen tegenover de traditie. Wanneer we volledig volgens de traditie leven is er immers geen sprake van vooruitgang, blijven we steeds in het zelfde kringetje ronddraaien en versteent en verstart onze cultuur.

De afgelopen jaren heeft Cliteur een vooraanstaande rol gespeeld in het (neo)conservatieve offensief zoals dat is ingezet door de Edmund Burke Stichting, waarvan hij een tijd lang in de Raad van Aanbeveling zat. Fel haalt hij tegenwoordig uit naar het zogenaamde multiculturalisme, dat volgens hem voortkomt uit een onhoudbaar waardenrelativisme waarvoor hij al in zijn proefschrift waarschuwde. Wat bij lezing van deze dissertatie uit 1989 opvalt, is dat hier een andere Cliteur aan het woord lijkt dan de man die anno 2006 niet meer weg te denken is van de opiniepagina’s. Wat betreft de toon is dat natuurlijk niet verwonderlijk, een dissertatie is nu eenmaal iets anders dan een column of pamflet, maar ook inhoudelijk is een verschuiving zichtbaar.

Wanneer we dit boek vergelijken met dat andere dikke Nederlandse boek over het conservatieve gedachte, de vorig jaar verschenen bundel Geografie van goed en kwaad van Andreas Kinneging, moeten we constateren dat Natuurrecht, cultuurrecht, conservatisme van meer gevoel voor historische ontwikkelingen getuigt. Waar Kinneging op eclectische wijze datgene uit het verleden viste wat in zijn kraam te pas kwam en daarmee een statisch en gesloten wereldbeeld trachtte te timmeren, beseft ‘de jonge Cliteur’ hier dat de klassieke natuurrechtsleer een gepasseerd station is, terwijl ook de rede alleen geen echt stevig fundament biedt. Hij mocht dan geen duidelijk antwoord hebben op de vraag, hoe ons historisch gegroeide cultuurrecht zich verhoudt tot het recht van geheel andere culturen, maar hij liet zich niet verleiden tot ahistorische statements die in zijn latere boeken als Moderne papoea’s (2002) en Tegen de decadentie (2004) zo irriteren.

In een interview met Sybrand Buve, dat is opgenomen in de nieuwe editie van de dissertatie, geeft Cliteur toe dat er zich in zijn denken een verschuiving heeft voorgedaan en dat hij in 1989 meer waarde toekende aan de traditie, terwijl hij anno 2005 vooral de nadruk wil leggen op de ratio. Dat is inmiddels inderdaad wel gebleken, bijvoorbeeld in zijn Darwin, dier en recht uit 2001, waarin hij pleit voor een “Universele Verklaring van de Rechten van het Dier”. Ook legt hij tegenwoordig heel wat minder waardering en begrip aan de dag voor religie, dan in 1989. Hierdoor is hij zo sterk een spreekbuis van het Verlichtingsdenken geworden, dat hij door sommigen zelf is uitgekreten voor ‘Verlichtingsfundamentalist’. Wie zijn werk goed leest, weet dat dit niet geheel terecht is, maar de oude Cliteur, die zich veelvuldig in het publiek debat mengt, lijkt wat minder oog te hebben voor allerlei subtiliteiten en over wat minder historisch besef te beschikken dan de jonge. Conservatieven zijn van mening dat wijsheid met de jaren komt, of zou moeten komen, maar er bestaat ook nog zoiets als oude-mannetjes-radicalisme. Misschien moet Cliteur, die in zijn jonge jaren een bewonderaar was van de anarchist en vrijdenker Anton Constandse, daar toch een beetje voor oppassen.


Recensie door Rob Hartmans



Deze tekst verscheen eerder in De Groene Amsterdammer van 17 februari 2006

Paul Cliteur, Natuurrecht, cultuurrecht, conservatisme. Grondslag van de democratische rechtsstaat, Universitaire Pers Fryslân (Acta Launiana, vol. IV), 623 blz., € 54,--

Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be