Rechtsfilosofie, een thematische benadering

boek vrijdag 23 mei 2003

Paul Cliteur

In zijn boek Rechtsfilosofie behandelt de Nederlandse filosoof Paul Cliteur een aantal klassieke problemen zoals de vraag of er een hoger recht bestaat waarmee we het recht van alledag de maat kunnen nemen? En de vraag of we een vreemde cultuur alleen maar kunnen beoordelen met maatstaven die aan die cultuur zelf zijn ontleend? Op het eerste zicht lijken dit nogal saaie en theoretische bespiegelingen maar Cliteur legt snel de verbinding met concrete vraagstukken zoals het nut van mensenrechten, de noodzaak van het erkennen van dierenrechten, de doodstraf, de problemen rond immigratie en de spanning tussen rechtstaat en democratie. Hiermee gaat hij diep in op actuele problemen zoals de spanningen tussen autochtonen en allochtonen en de 'gelijkwaardigheid' van diverse culturen.

Centraal in dit boek staat eigenlijk de vraag of wij andere culturen mogen beoordelen met onze normen? Cultuurrelativisten zijn daar alvast tegen. Het idee dat er een cultuur overschrijdende maatstaf zou bestaan is volgens hen een illusie. Neen, zeggen ze, we moeten juist bescheiden zijn en onze cultuur niet hoogstaander achten dan een andere cultuur. Voor bepaalde cultuurrelativisten is moraal niets anders dan 'socially approved habits', het is 'de gewoonte' dus is het goed. Voor anderen is die moraal dan weer een sociaal en relatief gegeven. Deze houding is vooral populair bij zogenaamde progressieve intellectuelen vanwege de vermeende verbinding met tolerantie, bescheidenheid en een anti-imperialistische houding. Een extremer standpunt is dat de verdedigers van de Europese westerse waarden niet te hoog van de toren moeten blazen gezien hun aandeel in en verantwoordelijkheid voor de rampen tijdens de voorbije eeuw. De westerse cultuur heeft immers massamoorden op zijn geweten en kan niet worden begrepen als een toonbeeld van 'beschaving'. Daartegenover staat echter het besef dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens nooit zouden geformuleerd zijn geworden zonder de verschrikkingen van het nazi-bewind.

Cliteur is niet onder indruk van de argumentatie van de cultuurrelativisten. "De zwakke plek in het cultuurrelativisme schuilt in een overaccentuering van de culturele dimensie van de moraal." Zit moraal vast aan een culturele bepaaldheid? Cultuur oefent natuurlijk wel invloed uit op de moraal maar treedt niet in de plaats ervan. Als men dit niet zou aanvaarden dan zou men beweren dat alleen juist is wat de groep vindt dat juist is, en dat het individu zich nooit aan de invloed van de groep kan onttrekken. In die zin staat het cultuurrelativisme als een vorm van cultureel determinisme lijnrecht tegenover het universalisme en zelfs het indivualisme. Want het beweert dat het individu overgeleverd is aan de cultuur waarin hij leeft. Misschien dat dit wel aanvaardbaar is voor onbelangrijke zaken overeenkomstig de folklore, maar niet voor vrouwenbesnijdenis, onthoofdingsrituelen en andere fundamentele kwesties (en weduwenverbrandingen, nvdv). Hier, zo stelt Cliteur, kan en dient men een universeel menselijk perspectief in te nemen waardoor men 'niet de eigen waarden en normen, maar de waarden en normen zoals die voor alle redelijk denkende mensen zouden moeten gelden' doorslaggevend zijn. Culturen die in die fundamentele kwesties een andere houding aannemen zijn niet gelijkwaardig, maar dat zijn mensen, waar ze ook wonen, wel.

Een andere vraag is of het natuurrecht of het cultuurrecht een noodzakelijke basis vormt voor het positieve recht? Hierbij bespreekt Cliteur het voorbeeld van Dr. V. die in het laatste oorlogsjaar was aangesteld als bestrijder van desertisme. Om desertie uit het leger te voorkomen vaardigden de nazis toen het 'Katastrophenbefehl' uit waarin iedereen die een wapen had de opdracht kreeg deserteurs zonder enig proces dood te schieten. Na de oorlog diende een vrouw klacht in tegen Dr. V. In zijn uitspraak stelde de rechter dat een dergelijke wet in tegenspraak komt met algemeen aanvaarde beginselen van het volkenrecht of natuurrecht. Het recht moet volgens het natuurrecht immers een bepaalde 'morele kwaliteit' hebben, dit in tegenstelling tot het rechtspositivisme dat enkel kijkt naar de procedures die door bevoegde instanties worden uitgevaardigd. Volgens de Duitse rechtsgeleerde Radbruch moeten juristen en rechters de moed hebben iedere gelding te ontzeggen aan wetten die iedere rechtvaardigheid ontberen. Het rechtspositivisme zou immers zowel de juristen als het volk weerloos maken tegen willekeurige, afgrijselijke en misdadige wetten.

Paul Cliteur pleit ervoor om het aantal 'hogere rechten' beperkt te houden. Hij wijst op het gevaar dat een te grote hoeveelheid aan 'hoger recht' op termijn kan leiden tot een verval van de democratische rechtstaat. Dit lijkt contradictorisch voor iemand die pleit voor een soort 'universele seculiere moraal' maar is bij nader inzien juist. Met hogere rechten hebben we het immers over mensenrechten' of morele rechten die aan alle mensen toebehoren in alle maatschappijen en die onvervreemdbaar zijn. "Mijn vermoeden is dat het over het algemeen verkeerd is gegaan toen de mensenrechten-traditie zich is gaan oriënteren op de gewone rechten en morele rechten om die vervolgens tot grondrechten te promoveren en dat men op het juiste pad was zolang men zich oriënteerde op de natuurlijke rechten", aldus Cliteur. Rechten als het recht op werk, op huisvesting, op vakantie, enzovoort zijn weliswaar belangrijk maar kunnen niet echt als grondrechten gelden. Er moet een verschil in waarde bestaan. Dit lijkt me logisch, al is het maar omdat bepaalde van die rechten in tweede en derde orde gewoon niet afdwingbaar zijn in landen die onvoldoende ontwikkeld zijn. Een inflatie aan rechten dreigt de fundamentele rechten even belangrijk of onbelangrijk te maken als de rest. Het gevolg is dat ondanks de vele oproepen en verdragen we geen meter vooruit komen op zaken die essentieel zijn voor elke mens, waar hij of zij ook woont. Sommige verdedigers van de 'sociale grondrechten' verwerpen dit standpunt en verwijten het als reactionair denken maar dat klopt niet. Opkomen voor een beperkt aantal fundamentele mensenrechten staat niet haaks op de solidariteit en sympathie voor sociale doelstellingen, integendeel. Naar mijn oordeel is het een vooruitstrevend standpunt.

Cliteur heeft ook een bijzonder visie op de problematiek van de migratie en de ontwikkelingshulp. Volgens hem moeten we immigratiepolitiek koppelen aan het verlenen van ontwikkelingshulp. Landen mogen een strenge immigratiepolitiek voeren maar zijn dan wel verplicht om veel ontwikkelingshulp te verlenen. "Wie geen armen naar het geld wil brengen zal geld naar de armen moeten brengen." Dit lijkt me wat te eenvoudig. De problematiek van migratie is meer dan een loutere kwestie van 'hulp'. De beste manier om de armen te helpen is de markten vrij te maken, de vele importheffingen en landbouwsubsidies in het rijke westen af te schaffen en dan via allerlei steunmaatregelen bij te dragen tot de uitbouw van basisvoorzieningen op het vlak van onderwijs, gezondheid, justitie en democratisch bestuur. Ontwikkelingshulp is dus nodig, maar is maar één deeltje van de oplossing. Met zijn uitspraak dat we geld naar de armen moeten brengen geeft Cliteur wel een ruimere beweging aan, nl. het besef dat we 'onze' globale welvaart moeten verdelen. Zoniet zal, zoals Benjamin Barber het stelde, een democratisering van het lijden gebeuren, waarbij de armen hier hun geluk blijven komen zoeken.

In een laatste deel bespreekt Cliteur de vraag of we moeten ijveren voor een wereldwijde afschaffing van de doodstraf. Dit stuk is bijzonder omdat het is geschreven in een klassieke maar fictieve dialoogvorm. Een techniek zoals die ten tijde van Galilei gebruikelijk was toen men de op het eerste zicht 'onbespreekbare' zaken toch onrechtstreeks publiek wou maken. Het door de auteur uitgedachte gesprek tussen de Nederlandse premier en de Chinese minister van buitenlandse zaken is een intellectueel pareltje waar ik echt van genoten heb. Het zal de meeste lezers ook aan het denken zetten over de juistheid van het 'westers' verzet tegen de doodstraf. Maar toch overtuigt hij niet. Eén essentieel element blijft in deze discussie immers onbesproken en dat is de onomkeerbaarheid van de doodstraf. Enkele weken terug werd in de Verenigde Staten een veroordeelde na tientallen jaren opsluiting vrijgelaten omdat men via de moderne DNA-onderzoeken kon aantonen dat hij inderdaad de dader niet kon zijn. Had die veroordeelde in Texas gewoond dan was hij nu dood. De onomkeerbaarheid van de doodstraf is dé reden waarom we ze nooit mogen toepassen. Onomkeerbaarheid staat immers haaks op menselijkheid.

Paul Cliteur slaagt erin om mensen te doen nadenken over hun meest innige overtuigingen. Dat alleen is een enorme kwaliteit en bijdrage tot het maatschappelijk debat. Hiermee ontpopt hij zich steeds meer als een spiegel voor het eigen geweten en dat is tegenwoordig, in deze tijden van opkomend populisme, extremisme en fundamentalisme, meer dan ooit noodzakelijk. Karl Popper stelde dat niemand de waarheid in pacht had, hooguit aanvaardbare hypotheses. En dat men die hypotheses moest onderwerpen aan de meest onbarmhartige kritiek. Dat is de belangrijkste bijdrage van Cliteur. Ons doen nadenken over de op het eerste zicht evidente stellingen. Niet om de wereld in één klap te veranderen, maar om, zoals Popper het stelde, kleine en bescheiden stappen te zetten naar een betere wereld.


Recensie: Dirk Verhofstadt (verhofstadt.dirk@pandora.be)

Paul Cliteur, Rechtsfilosofie, Ars Aequi, 2002

Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be