Tegen de decadentie. De democratische rechtstaat in verval.

boek vrijdag 12 maart 2004

Paul Cliteur

Paul Cliteur is een van de meest spraakmakende filosofen van dit ogenblik die met zijn denkbeelden vaak ingaat tegen het mainstream-denken. In zijn boek Moderne Papoea’s keerde hij zich frontaal tegen het cultuurrelativisme en zwengelde daarmee het debat aan over de multiculturele samenleving, de integratie en inburgering van nieuwkomers in onze maatschappij. In zijn nieuw boek Tegen de decadentie onderzoekt hij de grondslagen van onze democratische rechtstaat, het belang dat we aan onze waarden hechten en de manier waarop we met die waarden omgaan. Zijn stelling is dat we onze grondslagen niet genoeg kennen en verdedigen, waardoor het lijkt alsof we ‘decadent’ geworden zijn. Dat is een probleem, want je kunt nieuwkomers moeilijk een norm van integratie voorhouden als je niet eens weet waarin ze zouden moeten integreren.

Cliteur analyseert de interne spanningen in de democratische rechtstaat, stelt prangende vragen bij onze centrale staatsinstellingen, gispt de anarchie in ons openbaar bestuur als het gevolg van de non-conformistische dialectiek van ‘68, raadt religie af als instrument tot inburgering dringend af, en bepleit een heroriëntatie op het Grieks-Romeinse gedachtegoed als fundament van ons waardesysteem. Met dit boek lanceert Cliteur een - door hemzelf en anderen - conservatief genoemde cultuurkritiek met een felle vermaning aan ons systeem in verval: de gevaren die onze democratische rechtstaat bedreigen komen niet van buiten, maar zijn we zelf.

Met die ‘zelf’ richt Cliteur zich vooral op het cultuurrelativisme dat heel wat intellectuelen en politici in de greep houdt. Alle culturen en gebruiken zijn gelijkwaardig en elke beoordeling of veroordeling daarvan is onaanvaardbaar. Universele waarden bestaan niet of drukken enkel een vorm van superioriteit uit dat staat haaks op hun relativisme. Cliteur countert door te verwijzen naar de Griekse Verlichting waarin mensen bewust waren van hun vrijheid, kritisch stonden tegenover het gezag en opkwamen voor een vorm van democratie. Zij beschouwden zichzelf als ‘superieur’ tegenover anderen. En terecht, want in tegenstelling tot latere geopenbaarde godsdiensten die heilige teksten boven het individu plaatsten refereerden zij inzake morele oordelen naar de autonomie van de mens.

‘Wanneer je in Rome bent, doe dan net als de Romeinen’, maar Cliteur voegt daar aan toe ‘wanneer het niet indruist tegen bepaalde onvervreemdbare rechten die je als mens hebt’. Hiermee geeft hij scherp aan hoe mensen uit diverse culturen met elkaar zouden moeten samenleven. Een samenleving is maar leefbaar als er een consensus bestaat over enkele fundamentele regels. En die regels zitten, ondanks alle mogelijke bemerkingen van cultuurrelativisten, vervat in de westerse cultuur. Cliteur ziet drie verplichtingen: de kennis van de taal, de aanvaarding van de liberale grondwaarden en de acceptatie dat die regels superieur zijn. Die laatste regel veronderstelt dat mensen afstand nemen van de absolute waarde van religies. Juist de onderwerping aan de onfeilbaarheid van monotheïstische waarheden heeft geleid tot ontsporingen zoals de kruistochten, maar ook de acceptatie van ‘moderne’ ontsporingen als het nazisme dat onder de leuze ‘Gott mit uns’ aanspraak maakte op de waarheid. Cliteur stelt terecht dat alleen een bevrijding van de religie kan leiden tot meer menselijkheid. Wie onder de paraplu van een religie staat hoeft niet te kiezen, pas wanneer hij of zij er onderuit komt moet hij of zij zelf, volgens zijn of haar geweten oordelen.

Hiermee verwerpt Cliteur de religie ook als basis voor de moraal en staat hij diametraal tegenover de stelling van Job Cohen, de burgemeester van Amsterdam, die religie juist ziet als een middel tot integratie. Misschien dat dit het geval is als de inwoners van de gemeenschap eenzelfde geloof praktiseren maar dat is ingevolge de globalisering in westerse landen niet langer het geval. ‘Integratie betekent dat men op zoek gaat naar wat bindt, niet naar wat scheidt’, aldus de auteur. In dat geval moet men via subsidies alleen steunen wat de integratie bevordert. En dat blijkt in feite alleen de secularisatie te zijn. Want elke steun aan geopenbaarde waarheden leidt tot verdeeldheid tussen mensen die menen dat hun aanspraak op de ‘waarheid’ waardevoller is dan een andere claim.

Volgens Cliteur moeten we terugkeren naar een stimulering van de ‘Civis Mundi’, de burger van de wereld in de plaats van de burger die opgesloten zit in bepaalde religieuze tradities. De auteur schaart zich hierbij achter de vaak verguisde Francis Fukuyama en zijn stelling van de ‘End of history’. Voor Fukuyama is de democratische rechtstaat superieur. In essentie verdedigt hij een liberale staat waarin het recht bepaalde beperkingen oplegt aan de macht van de overheid. Sommige van die bepalingen zijn zo essentieel dat ze niet of bijna niet gewijzigd kunnen worden. Hiermee raakt Cliteur een essentieel punt aan tussen de rechtstaat en de democratie. Het gaat in feite over het belang van de Grondwet. En daar kan geen enkele persoonlijke interpretatie of religie iets aan wijzigen. In die zin is de vrijheid van meningsuiting en vereniging in feite belangrijker dan de vrijheid van godsdienst.

Cliteur heeft het over de zienswijze van de overheid tegenover haar vertegenwoordigers. Die laatsten worden geacht de wil van de ‘overheid’ te volgen. Maar sinds de jaren zestig is antiautoritarisme in. Elke vorm van gezag en hiërarchie werd in vraag gesteld. Het leidde tot een situatie waarbij burgerlijke ongehoorzaamheid in zekere mate werd aangemoedigd. En tot een mentaliteit waarin elke minderheidgroep bescherming vroeg en kreeg in naam van het relativisme. De aantasting van fundamentele grondwaarden ziet Cliteur vooral in de legitimatie van niet-democratisch te controleren enclaves van het overheidsbeleid. Zo verwijst hij naar de loskoppeling van ambtenaren van de ministeriële verantwoordelijkheid en andere bestuursorganen die zich een vorm van zelfstandigheid en zelfs onaantastbaarheid toemeten.

Cliteur heeft het ook niet begrepen op de inflatie van nieuwe rechten. Als voorbeeld verwijst hij naar een recente politieke eis voor een ‘recht op automobiliteit’. Zo waren er vroeger ook al pleidooien voor een recht op culturele identiteit, vrije tijd, schone lucht en zelfs op het genieten van kunst. Elk van die eisen kan terecht zijn, maar een verheffing van dergelijke rechten tot hoger en bijgevolg quasi onaantastbaar recht is juist schadelijk voor de democratie. Het betekent immers dat dergelijke zaken overgeheveld worden van de politiek (het parlement) naar de rechtszaal. Dan zal een rechter steeds meer hogere rechten tegen elkaar moeten afwegen terwijl hoger recht moet gaan over enkele fundamentele principes die prevaleren op lager recht. Met zijn bezwaar tegen het constitutionaliseren van rechten krijgt Cliteur door zijn criticasters het etiket ‘inherent conservatief’ opgeplakt. De auteur gaat daar op in en pleit aldus voor een ‘constitutioneel conservatisme’. ’Soms moet je je verzetten tegen een ontwikkeling. Ook als een ontwikkeling wordt gepresenteerd als hoogt modern’, zo schrijft Paul Cliteur, waarmee hij aangeeft dat we niet zomaar moeten ingaan op elke grillige wens van een actiegroep om iets te verheffen tot hoger recht. Juist om de democratische rechtstaat te versterken moeten we terugkeren naar de bronnen van de Verlichting en die liggen niet in het christendom maar in het oude Griekenland.

Is Cliteur nu een conservatief? Zelf beschouwt hij het als een geuzennaam. Maar zoals hij zelf in de inleiding schrijft, is zijn oproep tegen de decadentie erop gericht om terug te keren naar de zuivere grondslagen van de democratische rechtstaat. Die grondslagen zijn fundamenteel en waardevol. Omdat ze, in vergelijking met alle andere systemen die we ooit gekend hebben of nog bestaan, de enige - thans gekende - manier zijn voor een harmonieuze samenleving tussen mensen uit diverse culturen en met diverse meningen. Omdat ze als enige waarborgen dat mensen vrij zijn en zelf invulling kunnen en mogen geven aan hun levenslot. Omdat ze de mens de beste bescherming bieden tegen de macht van de overheid. Opkomen voor die grondslagen is niet conservatief maar juist een bijzonder progressieve houding die in schril contrast staat met de onverschillige medeplichtigheid die tal van linkse intellectuelen ten aanzien van de hiervoor vermelde doelstellingen ten toon spreiden. In die zin lijkt het me beter om het begrip ‘progressief’ opnieuw te claimen en diegenen die het om welke reden dan ook misbruiken te ontmaskeren en aan te klagen. De argumenten en stellingen van Cliteur zijn daarbij van uitzonderlijk belang. Dit boek zou verplichte leerstof moeten worden voor studenten in de rechten en de rechtsfilosofie.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Paul Cliteur, Tegen de decadentie, De Arbeiderspers, 2004

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be