De ondergang van het oude Europa

boek vrijdag 21 mei 2010

Miranda Carter

Op 8 december 1912 belegde de Duitse keizer Wilhelm II een vergadering met zijn leger- en marinestaf. De krijgsraad was door hem samengeroepen nadat Groot-Brittannië bij monde van minister van Oorlog sir Richard Haldane had verklaard dat zijn land de Fransen ter hulp zou snellen als ze door Duitsland werden aangevallen. Wilhelm ziedde van woede. Enkele dagen daarvoor had sir Edward Grey, de minister van Buitenlandse Zaken, hem immers beloofd dat de Britten bij een Frans-Duits conflict neutraal zouden blijven. De Duitse militaire leiding drong er bij haar keizer sterk op aan een preventieve oorlog te beginnen. ‘Ik geloof dat oorlog onvermijdelijk is,’ zei stafchef Helmuth von Moltke, ‘en hoe eerder hoe beter.’ Wilhelm krabbelde terug. Maar was de krijgsraad hoe dan ook het moment ‘waarop de Duitse leiding begon met het aftellen tot de oorlog’? De Britse historica Miranda Carter laat niet alleen zien hoe het continent al sinds het aantreden van Wilhelm II in 1888 van crisis naar crisis zwalpte, maar ook hoe drie dynastieën, die allemaal tot één familie behoorden, de illusie koesterden dat zij de vrede tussen de grootmachten konden bewaren. De ondergang van het oude Europa is een meeslepende tragikomedie van politieke kuiperijen en machtsspelletjes, van oorlogszuchtig imperialisme en kolonialisme, van persoonlijke pretentie, naïviteit en incompetentie.

Keizer Wilhelm II, tsaar Nicolaas II en koning George V waren voorbestemd om elkaar voor de voeten te lopen. Wilhelm en George waren kleinkinderen van koningin Victoria, en dus volle neven. Nicolaas was een achterneef. Ze schreven elkaar brieven en ontmoetten elkaar om de haverklap zowel tijdens staatsbezoeken als op vakantie. Hoopten ze ook een grote oorlog te kunnen voorkomen? Alle drie dachten ze van wel. Zo wilde George de politiek van zijn vader voortzetten. Koning Edward VII mag dan een flamboyante flierefluiter zijn geweest, hij werd ook geroemd als de grote verzoener die met de Entente cordiale in 1903 een streep had getrokken onder de eeuwenlange vijandschap met Frankrijk. Jammer genoeg was George niet uit hetzelfde hout gesneden. Deze verlegen man die, aldus zijn biograaf Harold Nicolson, eerst als prins en na de dood van zijn oudere broer als kroonprins zijn hele leven lang niets anders had gedaan dan dieren doodschieten en postzegels verzamelen, werd als koning een wereld ingeduwd die ‘hij beangstigend en vreemd vond’.

Ook Nicolaas had weinig vertrouwen in de echte wereld. Hij mag dan een ‘toegewijde, trouwe en steun gevende man’ voor zijn gezin zijn geweest, als monarch van het grootste land ter wereld was hij totaal vervreemd van ‘alle machtsgroepen, elites en van de gewone bevolking’. Toen hij zijn vader, tsaar Alexander III, in 1894 opvolgde, stond hij huiverig tegenover alles wat met staatszaken te maken had. Per slot van rekening was Rusland zijn privélandgoed. Waarom moest hij met ministers overleggen? Bovendien was hij koppig, besluiteloos en onzeker. Politiek bedrijven was voor hem dan ook een vreselijke beproeving. Van de drie vorsten was Wilhelm de meest actieve, maar ook de meest wispelturige. In tegenstelling tot Nicolaas, die zijn gebrek aan zelfvertrouwen achter de muren van zijn paleizen verstopte, liet de Duitse keizer zich op zijn talloze reizen door het keizerrijk graag in het openbaar bewonderen. Uitgedost in een van zijn belachelijk opzichtige militaire uniformen riep de Reisekaiser ‘een fantasie van autocratische krachtdadigheid’ op. Achter dit heldhaftige uiterlijk school evenwel een rancuneuze, onbesuisde, verwaande en dwarse persoonlijkheid vol minderwaardigheidsgevoelens.

Maar deed het er eigenlijk toe welk karakter deze heersers hadden? Miranda Carter maakt terecht een onderscheid. Hoewel ze zonneklaar aantoont dat de drie oerconservatieve vorsten alle drie anachronismen waren in een complexe samenleving die steeds meer eiste van haar politieke leiders, heersten ze ieder over een zeer verschillend rijk. Terwijl Rusland een dictatuur was en Duitsland een staat waar de keizer, het leger en de Pruisische Juncker de baas speelden over het parlement, was het Verenigd Koninkrijk een parlementaire democratie waar de monarchie intussen een ‘huiselijke, decoratieve, ceremoniële en in zekere zin flegmatieke creatie’ was geworden. Voor Rusland en Duitsland had het karakter van hun vorst daarom wel degelijk verstrekkende politieke consequenties. Aangezien Nicolaas, die zelf geen onderscheid wist te maken tussen futiliteiten en zaken van gewicht, elke beslissing diende goed te keuren, maakten de pluimstrijkers in zijn regering de beste kans om hun voorstellen door te drukken. De gevolgen waren catastrofaal. Het was een regering, aldus de Amerikaanse president Theodore Roosevelt, ‘die leugenachtigheid als een wetenschap beschouwt’. De chaos in het bestuurssysteem bestond ook in Duitsland. Alleen had ze daar een andere oorzaak. Omdat Wilhelm ervan overtuigd was dat hij de beste politicus van zijn land was, diende zijn regering met grote regelmaat zijn faux pas te herstellen, nu eens tot grote schaamte van de keizer, dan weer tot zijn grote woede.

Miranda Carter laat in feite geen spaander heel van de pretenties van de keizer en de tsaar. Dat ze met hun familiepolitiek de vrede wilden bewaren in een tijd wanneer er voortdurend om oorlog werd geschreeuwd en landen de ene dag boezemvrienden waren en de volgende dag gezworen vijanden, was natuurlijk lovenswaardig. Alleen, die vredespogingen sorteerden weinig of geen effect. De Europese grootmachten waren toentertijd immers bezig met onstuitbare imperialistische en koloniale veroveringen. Duitsland, dat als laatste op de internationale scène was verschenen, wilde op zijn beurt ‘een plaats onder de zon’. Rusland zocht uitbreiding in de richting van Perzië, India en China. Beide landen stootten op een inhalig Verenigd Koninkrijk, de kampioen van het imperialisme. De Britten verzetten zich dan ook hardnekkig tegen Duitse inmenging in Afrika en Russische bemoeienissen in Azië. Koloniale ruzies liepen daarom regelmatig uit op internationale crisissen.

Duitsland zag zich in Europa bovendien omsingeld door een onberekenbaar Rusland en een Frankrijk dat het verlies van Elzas-Lotharingen na de verloren oorlog van 1870 nog niet had verteerd. Het was die angst voor insluiting die de rechtstreekse aanleiding voor de Grote Oorlog zou worden, want toen de Oostenrijkse kroonprins Franz Ferdinand op 28 juni 1914 in Sarajevo werd vermoord en de Oostenrijkse stafchef Conrad von Hötzendorf, die het jaar voordien al vijfentwintig keer oorlog had geëist, kort daarna liet verstaan dat hij Servië absoluut een lesje wilde leren, was het voor de Duitse legerstaf het uitgelezen moment om onder het mom van steun voor de Doppelmonarchie datzelfde land in een oorlog met Rusland te storten, zodat Duitsland zelf eerst snel Frankrijk kon verslaan en vervolgens Rusland kon aanpakken, een land dat, zo de redenering, vele weken, zo niet maanden zou nodig hebben om hun hele troepenmacht op de been te brengen.

Miranda Carter vertelt haar verhaal tegelijk snedig en subtiel. Zo laat ze zich niet door mythes van de werkelijke toedracht van de gebeurtenissen afleiden en bewaart ze doorlopend een frisse, ongezouten kijk op de ontwikkelingen aan de Koninklijke hoven en in de corridors of power. En zoals het een verstandig schrijfster betaamt, lardeert ze haar feitenmateriaal met voortreffelijke citaten en treffende anekdoten, zodat de geschiedenis als een trotse pauw zijn prachtige staartveren kan openvouwen. Maar bovenal schetst ze een magnifiek portret van drie mannen die dachten dat ze het lot van de wereld in hun hand hadden, maar uiteindelijk hulpeloos dienden toe te kijken hoe die wereld rondom hen in vuur en vlam verging.


Recensie door Joseph Pearce

Deze recensie verscheen eerst in ‘Uitgelezen’, de boekenbijlage van De Morgen.

Miranda Carter, De ondergang van het oude Europa. Uit het Engels vertaald door Gerrit Jan Zwier. Uitgeverij Balans, Amsterdam, 584p., €39,95.

Links
mailto:joseph.pearce@telenet.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be