Politieke ideologieën in Vlaanderen

boek vrijdag 03 oktober 2008

Carl Devos en Luk Sanders

Politiek is saai. Dat is de mening van een groot deel van de bevolking. Toch kiezen steeds meer studenten voor het vak ‘politicologie’. Het aantal ingeschreven studenten voor Politieke en Sociale Wetenschappen aan de Universiteit Gent bijvoorbeeld, steeg op tien jaar tijd van 535 naar 827. Daarvan kiezen de meeste weliswaar voor het vak communicatie, maar ook het aantal geïnteresseerden in de loutere politieke wetenschappen is gevoelig toegenomen. Deze trend staat haaks op de mindere betrokkenheid van het brede publiek bij politieke partijen, zie bijvoorbeeld de dalende ledenaantallen bij de klassieke politieke formaties, maar ook en vooral de groeiende onverschilligheid voor de ideologieën die de diverse partijen inspireren. Ideologieën lijken wel hun beste tijd te hebben gehad. Dat kan mee verklaard worden door de waanzin van de twintigste eeuw waarin de diverse –ismen elkaar letterlijk naar het leven stonden en politieke leiders een ideologie met geweld probeerden op te leggen, desnoods ten koste van miljoenen doden. Op het einde van de vorige eeuw dachten sommigen dat we zelfs aan het einde van de geschiedenis waren aanbeland. Zo schreef Francis Fukuyama zijn ophefmakende boek The End of History waarin hij poneerde dat na de val van de Berlijnse Muur en daarmee de ondergang van het communisme, het liberaal democratische model finaal gewonnen had. Intussen weten we dat dit niet het geval is, en waarschijnlijk ook nooit zal zijn. Sinds de terreuraanslagen van 9/11, de toenemende migratiegolven, de problemen met de multiculturele samenleving, de opkomst van China, de stijgende energieprijzen en het groeiende bewustzijn over de opwarming van de aarde en andere milieuzaken, staat het liberalisme opnieuw onder druk en zijn de ideologische wereldbeelden opnieuw afgestoft.

Over de politieke ideologieën verscheen een vlot leesbaar boek onder redactie van Luk Sanders en Carl Devos. Daarin wordt uitvoerig aandacht besteed aan de vijf belangrijke politieke stromingen die in Vlaanderen bestaan en die een eigen historisch gegroeide ideologische achtergrond hebben: het liberalisme, het socialisme, de christendemocratie, het Vlaams-nationalisme en het ecologisme. De diverse auteurs gaan daarbij in op de historische wortels en de specifieke kenmerken van deze ideologieën, hun geschiedenis en ontwikkeling in België, en hun uitdagingen voor de toekomst. Alhoewel de auteurs hun teksten (uiteraard) los van elkaar schreven zit er toch een goede structuur in het boek waardoor elk deel evenwaardig is. Opvallend is ook dat alhoewel sommige teksten geschreven werden door actieve of gewezen politici (Wouter Beke, Jos Geysels) en politiek overtuigde auteurs, ze niet in de valkuil van de propaganda zijn gelopen. De auteurs slaagden erin om weliswaar geëngageerd maar toch met voldoende distantie ‘hun’ ideologie te bespreken. Dit komt ten goede aan de inhoud van het boek waardoor het gerust kan dienen als een handleiding voor studenten en politiek geïnteresseerde burgers zonder dat vervelende gevoel dat men de lezer wil overtuigen van het grote eigen gelijk. Meer nog, dit boek is een ideale basis en smaakmaker om verder kennis te nemen met de vele geciteerde filosofen die elk op hun manier gestalte gaven aan de boeiende strijd tussen de ideologieën die ons land rijk zijn.

In zijn inleiding is Luk Sanders nochtans behoorlijk pessimistisch over het belang van de ideologieën. Hij verwijst naar de Witte Mars en de opkomst van de Witte Partij van Paul Marchal als toonbeelden van ideologisch lege partijen, maar net hun gebrek aan succes staaft de stelling dat alleen partijen met een stevige ideologische basis de waan van de dag kunnen overstijgen. Dat is alvast het geval met het liberalisme, waarmee het boek opent. Dat is niet toevallig, want de liberalen hebben een lange geschiedenis en vormden in België de eerste politieke partij. De tekst is van de hand van Patrick Stouthuysen, een hoogleraar Politieke Wetenschappen aan de VUB. Hij slaagt erin de kern van het liberalisme duidelijk te maken en te ontdoen van de vele vooroordelen die er tegenover deze ideologie bestaan. Zo zet hij zich af tegen diegenen die het liberalisme trachten te gijzelen om hun eigen egocentrisme, conservatisme, populisme en nationalisme een geur van waardigheid te geven. Het liberalisme hoeft geen adjectieven zoals de zogenaamde links liberalen, klassiek liberalen, neoliberalen en libertariërs pogen te doen. Stouthuysen verwijst naar Adam Smith en vooral John Stuart Mill om aan te tonen dat liberalen steeds een gepast evenwicht zochten tussen de voor hen zo essentiële individuele vrijheid en rechtvaardigheid. ‘Liberalen willen niet, zoals politieke tegenstanders wel eens beweren, de staat afschaffen’, schrijft Stouthuysen terecht. Een sterke overheid blijft nodig om onze veiligheid te garanderen, monopolies te bekampen, degelijk onderwijs te verzekeren en een goede sociale zekerheid te voorzien voor mensen die om welke reden ook niet in staat zijn hun recht op zelfbeschikking te verwezenlijken. Liberalen geloven in de kracht van de vrije markt maar aanbidden die niet als een heilige koe. In die zin aanvaarden ze dat de overheid optreedt als de markt tekortschiet.

‘Liberalen zijn nooit voorstander geweest van een nachtwakerstaat’, aldus Stouthuysen, en hij heeft gelijk. Het waren juist liberalen die aan de grondslag lagen van onze moderne staat, die opkwamen voor openbaar onderwijs en die zich keerden tegen uitwassen van het kapitalisme. Zogenaamde neoliberalen en libertariërs zijn blijven hangen in de jaren zeventig en tachtig toen liberale economen terecht tekeer gingen tegen de uitwassen van een overdreven interventie door de overheid met enorme overheidsschulden van dien. Maar ze hebben geen of weinig oog voor de gevolgen van hun eigen marktfundamentalisme dat zich net als elke andere vorm van fundamentalisme finaal keert tegen de mens zelf. In die zin tonen ze zich dogmatici die geen oog hebben voor de nefaste sociale gevolgen van hun handelen. Ware liberalen hebben dit wel onderkend en hebben zich verdiept in de nieuwe liberale ideeën van Karl Popper, John Rawls, Amartya Sen, Hernando de Soto, Fernando Savater en Martha Nussbaum die elk op hun manier aantoonden waarom een overheid nodig was om meer vrijheid te genereren. Stouthuysen eindigt alsnog pessimistisch over de toekomst van het liberalisme. Tal van populisten trachten liberale ideeën te claimen om hun gebrek aan globaal mensbeeld mee te camoufleren. Zelf ben ik optimistischer. Het liberalisme is gebaseerd op het individualisme, het recht van elke mens om iets van zijn of haar leven te maken. Het individualisme is niet dood. Integendeel, het is het doel van zowat alle mensen, vooral van diegenen die het thans omwille van religieuze en culturele redenen ontberen.

Carl Devos en Tine Boucké schreven de tekst over het socialisme. Dat is op zich een huzarenstukje want geen enkele ideologie kende zoveel schisma’s en innerlijke tegenkrachten als het socialisme. Dat beseffen de auteurs ook, maar ze slagen erin om zich bij de hoofdstroom te houden. Het socialisme kantte zich oorspronkelijk tegen het privé bezit en vond gelijkheid belangrijker dan vrijheid. Het wilde de levensomstandigheden van de zwakkeren verbeteren en daar zijn ze in de loop van de geschiedenis ook in geslaagd. Het lot van de arbeiders verbeterde, de kinderarbeid werd afgeschaft en er kwam een performant stelsel van sociale zekerheid waar ze fier mogen over zijn. De auteurs nemen afstand van het communisme dat in de loop van de geschiedenis heeft bewezen onmenselijk te zijn, maar beklemtonen terecht de verwezenlijkingen van de sociaal democratie. Wie de huidige arbeidsvoorwaarden bekijkt, zoals het minimumloon, de betaalde verlofperiode, de acht uren werkdag en de veertig urenweek, beseft dat de socialisten belangrijke zaken hebben verwezenlijkt. Eigenaardig genoeg is het socialisme een beetje de dupe van haar eigen succes. Omdat veel arbeiders van toen het vandaag beter hebben, voelen ze zich minder aangesproken door de vaak revolutionaire taal van hun leiders, niet zozeer binnen de partij, maar wel in de vakbond. De laatste verkiezingsuitslagen waren niet goed voor de SP.a, ondanks een korte opstanding onder Steve Stevaert. Toch zijn het socialisten die een belangrijke rol hebben gespeeld in de welvaartsontwikkeling van ons land. Onder impuls van Freya Van den Bossche slaagden ze erin om de consumenten een betere bescherming te bieden tegen nefaste praktijken van bedrijven die hun dominante positie op de markt misbruiken. Op Europees vlak deed Karel Van Miert trouwens hetzelfde. De strijd tegen machtsconcentraties en het verdedigen van de belangen van de consument is niet alleen voor socialisten, maar ook voor liberalen belangrijk. Wat tegenwoordig minder aan bod komt binnen de socialistische beweging is haar specifiek internationalistische aspiratie. Sterker nog, vaak zijn het socialisten en sociaal-democraten die kritisch staan tegenover de Europese Unie, legale migratie en het toelaten van arbeidskrachten uit andere landen.

Carl Devos en Tine Boucké hebben wel bedenkingen bij de koers van de hedendaagse socialistische partij. Ondermeer ten aanzien van de multiculturele samenleving. Hier dreigen de socialisten op links voorbij gestoken te worden door de liberalen die ronduit pleiten voor de emancipatie van individuele mensen. Hedendaagse socialisten hebben de neiging om minderheidsgroepen achterna te lopen en evidente persoonlijke rechten opzij te schuiven voor rechten van specifieke culturen. Het is een evolutie die niet alleen bestaat in België maar ook duidelijk aan bod komt in andere Europese landen, zoals Nederland en Frankrijk. De ambivalente houding van socialisten tegenover bijvoorbeeld de strijd van Ayaan Hirsi Ali toont aan dat ze op zijn minst halfhartig staan tegenover de Verlichtingsidealen waarvoor ze vroeger zo hard gestreden hebben. Om het harder te zeggen: veel socialisten lopen de vermeende (doorgaans mannelijke) vertegenwoordigers van de autochtone gemeenschap achterna om hun electorale slagkracht te vergroten. Dat was onmiskenbaar één van de redenen van hun successen bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2006. Intussen keurde Patrick Janssens, de Antwerpse socialistische burgemeester, een verbod goed op het dragen van opvallende religieuze symbolen in stadsfuncties. Een principieel correcte houding, maar electoraal kwetsbaar.

In het deel over de christendemocratie heeft Wouter Beke het vooral over het personalisme als antwoord op het collectivistische socialisme enerzijds en het individualistische liberalisme anderzijds. Daarbij verwijst hij naar denkers als Georges Maritain en Emmanuel Mounier. Die laatste is nochtans niet onbesproken. Mounier keerde zich frontaal tegen het collectivisme en het individualisme en sloot zich aan bij het fascistische gedachtegoed van Pétain. De Katholieke Actie die zo sterk was in het begin van de twintigste eeuw koos doorgaans voor een modus vivendi met het fascisme. Pas na de Tweede wereldoorlog koos men voor een duurzaam samengaan met de democratie. In die periode maakte vooral het gedachtegoed van Emmanuel Levinas opgang bij de christendemocraten. Zijn verband tussen de autonomie van de mens en het ‘Gelaat van de Ander’ legde de basis voor de moderne christendemocratie en de verbondenheid van mensen met de gemeenschap. En die gemeenschap kent binnen een christelijke traditie geen echte grenzen. ‘Voor het personalisme is een natiestaat geen absoluut politiek kader. Een natiestaat is geen doel, maar een middel. En wanneer het middel niet meer in staat is het doel te dienen, moet het middel worden aangepast’, schrijft Wouter Beke waarmee hij een duidelijke scheidingslijn trekt tussen de christendemocratie en het Vlaams-nationalisme. Christendemocraten willen de menselijke zekerheid vergroten en de verbondenheid tussen mensen stimuleren. Dat zijn nobele doelstellingen maar hoe ze dit willen bereiken is in deze tekst minder duidelijk. In zijn boek De mythe van het vrije ik is Wouter Beke daar concreter over. Tekenend daarin was zijn uitspraak dat een grote groep van mensen zich pas echt vrij voelt ‘wanneer anderen voor hen keuzes maken en wanneer zij bepaalde gedragspatronen gewoon kunnen overnemen’. Dit staat haaks op liberale en socialistische krachten die de emancipatie van de mens willen bevorderen. Ook Beke wil die emancipatie maar dat kan volgens hem enkel wanneer de mens in relatie tot de ander staat.

Bruno De Wever en Antoon Vrints beschrijven goed gestructureerd de grillige weg die het nationalisme in ons land en in Vlaanderen heeft afgelegd. ‘Nationalisten beschouwen de natie of “het volk” als een primaire want “natuurlijke” sociale vorm waaraan alle andere sociale verbanden ondergeschikt zijn’, aldus de auteurs. Dat is duidelijk en geeft goed aan dat het nationalisme veraf staat van de voorgaande ideologieën, in het bijzonder van het liberalisme dat net het individu centraal stelt en niet wil dat de mens ondergeschikt wordt gemaakt aan een natie, een volk en een ras. Het is ook de reden waarom nationalisten zo’n afkeer hebben van het individualisme en van het kosmopolitisme. Vlaams-nationalistische intellectuelen streefden naar een organisch maatschappijmodel als ‘alternatief voor de verbrokkelde, individualistische liberale samenleving’. Het hoeft niet te verwonderen dat ze op die manier in de eerste helft van de twintigste eeuw als vanzelf in het vaarwater kwamen van autoritaire en xenofobe denkbeelden. Zowel het Verdinaso, het VNV als Rex raakten in de collaboratie. ‘Het odium van het nazisme zou nog lang aan het nationalisme blijven kleven’, schrijven de auteurs. Wat het Vlaams Belang betreft is dat nog steeds het geval. Hun weigering om afstand te nemen van ranzige extreemrechtse organisaties en hun contacten met Holocaustontkenners (zoals Philip De Winter met Jean-Marie Le Pen, Koen Dillen met Leon Degrelle en Marie-Rose Morel met Volen Siderov) is daarbij exemplarisch.

Natuurlijk is er ook het democratisch Vlaams-nationalisme Volksunie dat de voorbije jaren dermate succesvol was dat ze zichzelf als het ware moest opheffen. Dat kwam mede door het inbrengen van meer progressieve thema’s die weinig van doen hebben met de kernboodschap van het nationalisme. Intussen zitten zowat alle gewezen kopstukken van de voormalige Volksunie in andere partijen waar ze niet geringe impact hebben, kijk naar de toenemende verharding in communautaire kwesties. De voorgaande ideologieën zullen moeten opletten dat hun kernboodschap hierdoor niet wordt aangetast. Ze zullen er vooral moeten voor opletten dat het gif dat ontegensprekelijk aanwezig is binnen radicalere vormen van nationalisme de rede niet aantast.

Jos Geysels en Jan Mertens hebben het tenslotte over het ecologisme. Hier ontbreekt spijtig genoeg de ideologische onderbouw. Nochtans hadden ze die kunnen vinden bij verschillende liberale filosofen en daarmee wijzen op een aantal inconsequenties die liberale partijen in hun politiek handelen, vertonen. Denk aan John Locke die duidelijk maakte dat de mens zoveel van de natuur mag nemen als hij wil, voor zover hij genoeg van dezelfde kwaliteit overlaat aan anderen. Of aan John Stuart Mill die met zijn pleidooi voor zelfbeschikkingsrecht ook het recht op zelfbeschikking van de toekomstige generaties beoogde. In elk geval heeft het ecologisme op een spectaculaire snelle manier impact gehad op het politieke denken en handelen. Zowat alle partijen hebben nu aandacht voor het milieu en de kans is groot dat die aandacht in de toekomst nog zal toenemen. Centraal staat de vraag: hoe kunnen we economie en ecologie verzoenen? Daarover zijn de auteurs duidelijk: ‘Het verdelingsvraagstuk willen oplossen uitsluitend door globaal meer te produceren (waardoor de armen rijker kunnen worden, zonder dat de rijken armer moeten worden) kan volgens ecologisten niet.’ Daarom pleiten ze voor duurzaam ondernemen en sufficiëntie, een economie van het genoeg. Dat klinkt goed, maar wie zal bepalen wat genoeg is? In diezelfde zin keren ecologisten zich tegen het eenzijdig consumentisme. Ook hier stelt zich de vraag wat het alternatief is? Het inperken van bepaalde keuzemogelijkheden? En wie gaat dat dan doen? Een realistischer mogelijkheid die ecologisten ook mee ondersteunen is het fiscaal aantrekkelijk maken van milieuontlastende zaken en diensten, en het fiscaal belasten van milieubelastende zaken en diensten. De auteurs schrijven dat ecologisten net zoals liberalen een sterk geloof hebben in de mogelijkheden van het individu. In de praktijk valt dat wat tegen. Liberalen geloven in verdere groei, concurrentie en vrije markt als motoren voor creativiteit en het ontwikkelen van nieuwe technieken die minder milieubelastend zullen zijn. Dat geloof bestaat bij heel wat ecologisten minder of niet. Nochtans geven Geysels en Mertens zelf een goed voorbeeld van een ecologische modernisering die niet in strijd is met groei. ‘Milieubescherming is een motor voor groei’ en ‘wie nu kiest voor een ecologische pioniersrol zal in de toekomst de sterkste marktpositie hebben’. Dat klopt helemaal. In die zin is de steeds hogere olieprijs geen doembeeld maar net een opportuniteit om alternatieve energiebronnen een kans te geven.

Carl Devos wijst er terecht op dat ideologieën ‘dynamische gehelen’ vormen. Dat moet ook gezien de steeds veranderende en nieuwe uitdagingen waarvoor we staan. Ideologieën blijven belangrijke inspiratiebronnen voor de politiek. Toch valt op dat zowat alle ideologisch verankerde partijen het moeilijk hebben met een nieuwe opkomende tendens: het populisme. Dat is inderdaad geen ideologie op zich maar een stofzuigen van het maatschappelijk ongenoegen. Partijen als die van Geert Wilders, Rita Verdonck, Hugo Coveliers, Jean-Marie Dedecker (Devos had er ook de SP van Jan Marijnissen en het Vlaams Belang mogen aan toevoegen), spelen in op de angst en onzekerheid die onder mensen leeft. Ze verkondigen dat ze ‘een politiek van het gezond verstand’ volgen en ‘doen wat de mensen willen’. Ze pleiten voor het status-quo, het afschermen van onze markten, het buiten houden van vreemdelingen. Ze stellen oplossingen aan die vanzelfsprekend lijken, maar in feite onhaalbaar zijn. Op korte termijn zullen die partijen veel stemmen halen, maar op lange termijn zullen de burgers inzien dat hun voorstellen enkel valse zekerheden meebrengen. Het zullen lege dozen blijken, juist door een gebrek aan ideologische ruggengraat. Dit boek zal dat de lezers doen inzien. In elk geval zijn de auteurs en de samenstellers geslaagd in hun opzet: het belang van de ideologie opnieuw duidelijk maken. Hiermee vormt het een sterk antidotum tegen de antipolitiek.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Carl Devos en Luk Sanders (Red.), Politieke ideologieën in Vlaanderen, Standaard Uitgeverij, 2008

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be