De nieuwe sociale kwesties

boek vrijdag 23 januari 2004

Bea Cantillon (red.)

Het is erg waarschijnlijk dat aan het begin van het derde millenium de welvaartstaat een veranderingsproces ondergaat dat vergelijkbaar is met wat zich voordeed aan het begin van de vorige eeuw. In hun boek De nieuwe sociale kwesties bespreken Bea Cantillon, Mark Elchardus, Pierre Pestieau, Philippe Van Parijs, Ive Marx en andere onderzoekers de sociaal-economische en demografische problemen waarmee we vandaag te maken hebben. Deze problemen zijn weliswaar niet vergelijkbaar met de dramatische sociale kwesties aan het einde van de 19de eeuw maar ze verplichten wetenschappers en vooral politici om ingrijpende maatregelen te nemen teneinde onze welvaartstaat voor de toekomst veilig te stellen.

Het boek focust op twee belangrijke tendenzen die zich de voorbije jaren duidelijk manifesteren en die onontkoombaar een grote impact zullen hebben op de samenleving van morgen. De eerste tendens is die van de toenemende vergrijzing die niet alleen zal zorgen voor een verhoogde druk op de sociale zekerheid maar ook tot een sterke toename van de zorgbehoeften in de samenleving. De tweede tendens is de groeiende structurele ongelijkheid tussen laag- en hogergeschoolden in westerse landen in het algemeen en in België in het bijzonder. Deze twee tendenzen hebben een impact op de economie, de tewerkstellingskansen, de sociale zekerheid, het onderwijs en zelfs op de cultuur in het algemeen.

In hun bijdrage wijzen Raphaël Desmet, Sergio Perelman en Pierre Pestieau op het feit dat de oudere bevolking in ons land leeft in ‘de gouden tijden van de pensioenen’. Hun levensstandaard is nog nooit zo hoog geweest en de sociale voorzieningen zijn goed. Het aantal gepensioneerden is in de voorbije jaren gevoelig gestegen, enerzijds door de langere levensverwachting, anderzijds door tal van maatregelen die het de burger mogelijk maken om vroeger uit het arbeidsproces te stappen. Deze aangroei van gepensioneerden zal bij een onveranderd beleid in de komende decennia nog versnellen. Een steeds kleinere groep actieven moet derhalve instaan voor de aanwas aan inactieven. Intussen blijven ook de geboortecijfers dalen. In 1995 waren er 39 zestigplussers voor 100 personen tussen 20 en 59 jaar, in 2050 zullen er dat reeds 67 zijn. De enige maatregel die hier enig soelaas kan brengen is een substantiële verhoging van de werkelijke pensioenleeftijd en (ondermeer) op die manier een substantiële verhoging van de activiteitsgraad. De auteurs gaan er evenwel vanuit dat het systeem van de vervroegde pensionering nog tot 2020 zal duren aangezien dit intussen als een verworven recht wordt aanzien. Hier leggen ze meteen de vinger op de wonde. Zolang drukkingsgroepen weigeren dit ‘verworven recht’ in vraag te stellen worden we opgezadeld met een gigantisch pensioenprobleem in de toekomst. De acties van de onderwijsvakbonden tegen de verhoging van de leeftijd waarop onderwijzers uit het vak mogen stappen voorspellen alvast niet veel goeds.

Opvallend is de positieve appreciatie van de auteurs tegenover het huidige pensioenstelsel. Zo schrijven de auteurs letterlijk dat de voorspoed van de oudere bevolking te danken is aan ‘een goed presterend pensioenstelsel in repartitie’. Dit klopt niet. Ons pensioenstelsel draait nog steeds ‘ondanks het repartitiesysteem’. De tendens naar toenemende vergrijzing werd al decennia geleden voorspeld. Uit tal van studies blijkt dat een kapitalisatiesysteem efficiënter is en beter bestand tegen economische fluctuaties (voor zover men niet speculeert met dat kapitaal). Natuurlijk is een plotse omschakeling onmogelijk maar zou bijvoorbeeld langzaam kunnen ingevoerd worden over een periode van pakweg 45 jaar. Het kapitalisatiesysteem zou kunnen gelden voor nieuwe actieven die morgen beginnen als werknemer of zelfstandige. Hun bijdragen kunnen worden gebruikt voor de betaling van hun later pensioen en ter ondersteuning van een deel van het bestaande uitdovende repartitiesysteem en waarbij de overheid via het zilverfonds de jaarlijkse toename aan uitkeringen zoveel mogelijk opvangt.

De groeiende kloof tussen laag- en hooggeschoolden is van een andere orde maar heeft aldus de auteurs ook invloed op de activiteitsgraad. De toenemende globalisering en technologisering zorgt er immers voor dat grote groepen laaggeschoolden economisch overbodig dreigen te worden met een toenemende afhankelijkheid van de sociale zekerheid tot gevolg. In haar bijdrage wijst Lieve De Lathouwer op het feit dat lage scholing leidt tot een lager beroepsstatuut, een minder goede kwaliteit van de arbeid, negatieve gevolgen op het vlak van persoonlijk welzijn en een hoger werkverzuim. Daarbij nemen ‘werkgevers liever hooggeschoolden aan, zelfs voor lager gekwalificeerde banen omdat zij aan scholing vaardigheden verbinden die steeds belangrijker worden in de moderne arbeidsorganisatie’. Lage scholing leidt ook tot ‘homogamie’, het huwen of samenwonen van mensen met een gelijk onderwijsniveau. Dit kan er op termijn toe leiden dat het ganse systeem van solidariteit onder druk komt te staan. Mark Elchardus en Koen Pelleriaux gaan nog verder en stellen vast dat lagergeschoolden zich onbehaaglijk voelen in onze samenleving. Dat onbehagen vertaalt zich in een welbepaald instrumentalistisch mens- en maatschappijbeeld, dat de kans op een stem voor extreem- of populistisch rechts vergroot. Deze conclusie lijkt me te eenvoudig (zie hiervoor mijn besprekingen van andere recente boeken van Mark Elchardus op www.liberales.be, nvdv), maar een zekere segregatie ingevolge het onderwijsniveau en de daaruitvoortvloeiende kansen op de arbeidsmarkt valt niet te ontkennen. Daarom stellen de auteurs terecht dat sociaal beleid, onderwijs en cultuurbeleid beter op elkaar afgestemd moeten worden.

Hiermee komen we naar mijn oordeel bij de enige structurele oplossing die bestaat om onze welvaart op termijn te behouden, de activiteitsgraad op te krikken en aldus de sociale zekerheid en dus de pensioenen veilig te stellen. Onderwijs, investeringen in onderzoek en ontwikkeling, een verbetering van het technisch- en beroepsonderwijs, loopbaanbegeleiding en andere vormen van educatie zijn op termijn belangrijker dan verlagingen van de loonkost. Het verlagen van de loonkost om concurrentieel te blijven is noodzakelijk maar zal nooit tot een duurzame oplossing leiden. Steeds zullen er immers landen zijn waar men goedkoper kan produceren, vooral in landen die weinig of geen sociaal opvangnet voorzien. Alleen door de kaart te trekken van kwaliteit, originaliteit, design en taalkennis gekoppeld aan een grote efficiëntie kunnen we erin slagen nieuwe investeringen aan te trekken. Hiervoor zijn een hoge scholingsgraad en permanente vorming evenwel noodzakelijk.

Het onderwijs in ons land is goed maar uit vergelijkend cijfermateriaal blijkt dat we op tal van vlakken achterop hinken tegenover andere landen. Zo geven we in België maar 0,17% van het BNP uit voor de vorming van werklozen tegenover 0,28% in Frankrijk, 0,32% in Nederland en 0,78% in Denemarken. Eén derde van de geschorste en niet-geschorste oudere werklozen zegt nooit te zijn uitgenodigd voor een gesprek terwijl een ruime helft zegt nooit een vacatureaanbod te hebben gekregen. Een van de redenen kan hier natuurlijk zijn dat werlozen zich te snel nestelen in hun afhankelijkspositie en dat de overheid daar te weinig tegen in gaat. Zo werden in 1999 slechts 1% van alle niet-werkende ingeschreven werkzoekenden met een uitkering gesanctioneerd wegens een gebrekkige arbeidsbereidheid. Verder blijkt dat relatief weinig mensen zich substantieel bijscholen tijdens hun actief leven. Er moet meer geïnvesteerd worden in ‘actief’ arbeidsmarktbeleid, in opleidingsprogramma’s, in trajectbegeleiding, enz…

Een ander probleem is de werkloosheidsval, het feit dat de meeropbrengst uit arbeid te klein is in vergelijking met een uitkering. Vaak moet het al te bescheiden verschil tussen minimumloon en uitkering uitgegeven worden aan andere kosten die arbeid met zich meebrengt zoals de voor- en naschoolse opvang, de verplaatsingskosten en het kwijtspelen van andere voordelen die aan een werloosheidsstatuut verbonden zijn. Een middel om de werkloosheidsval tegen te gaan is het omzetten van uitkeringen in een betere verloning. In feite gaat het hier om een vorm van subsidiëring van laaggeschoolde arbeid. Lieve De Lathouwer wijst erop dat hier ook gevaren aan verbonden zijn zoals het gevaar voor concurrentie met de reguliere arbeid, dat ‘gesubsidieerde’ werknemers minder gemotiveerd zullen zijn om zich bij te scholen, voor loonerosie en voor het feit dat werkgevers minder snel geneigd zullen zijn in investeren in opleiding voor hun werknemers. Tegenover een activerend beleid van lagere sociale uitkeringen, meer deregulering en een verlaging van de minimumlonen staat de auteur evenwel ook kritisch. Dit biedt immers geen garantie op een hogere werkgelegenheidsgraad en houdt grote risico’s in op grotere ongelijkheid en armoede. Deze conclusie staat mijn inziens in contrast met de praktijk in andere landen. In Nederland en Italië vinden heel wat laaggeschoolden, waaronder een aanzienlijk aandeel ouderen, werk in sectoren die onderhevig zijn aan piekmomenten en in bedrijven die een bijkomende service willen bieden aan hun klanten. Het gaat om pompbedienden in tankstations, inpakkers in grootwarenhuizen, fruitplukkers, helpers in de horeca, tuinonderhouders, begeleiders in rust- en bejaardentehuizen, enz… Dergelijke jobs zijn enkel mogelijk mits soepelheid inzake minimumlonen en een grotere flexibiliteit. Het risico op een toenemende ongelijkheid wordt daarbij gecompenseerd door de voordelen die het hebben van een job met zich meebrengen en waarvan de auteurs zelf aangeven dat het zowel op materieel vlak als inzake integratie in de samenleving belangrijk is. Een groot pluspunt is daarbij ook het tegengaan van het zwartwerk. Het lijkt me nuttig om op zoek te gaan naar nieuwe vormen van arbeidscreatie via deregulering gekoppeld aan vorming en dit binnen een kader waarin voldoende sociale bescherming blijft bestaan.

De hoofdtoon van het boek blijft evenwel dat de actieve welvaartstaat verder moet nagestreefd en gestimuleerd worden maar dan op een manier dat de noodzakelijke solidariteit behouden blijft. Via opleiding, begeleiding en permanente vorming moet hiervoor meer geïnvesteerd worden in de inzetbaarheid van het menselijk kapitaal. In haar besluit stelt Bea Cantillon dat we, in de wetenschap dat de welvaartstaat morgen duurder zal worden door de vergrijzing, prioriteiten zullen moeten vastleggen. Zo moeten we zorgen dat de minimuminkomens bij arbeid en niet-arbeid mee evolueren met de welvaart van de samenleving, het feitelijk waarborgen van gelijke kansen in onderwijs, vorming, gezondheid, werk en huisvesting, het behoorlijk verlonen van zorgverleners en een internationale samenwerking op het vlak van sociaal en fiscaal beleid. Deze prioriteiten vereisen evenwel grondige hervormingen in het sociaal beleid. Welke hervormingen dit nu juist moeten zijn bespreekt de auteur spijtig genoeg niet. Maar blijkbaar zijn die zo diepgaand dat de auteur reeds vooraf waarschuwt dat ze in elk geval niet eenvoudig zullen zijn, niet in het minst omwille van de te verwachten tegenstand uit angst om verworven rechten te verliezen.

Dit boek is belangrijk omdat het een goed zicht geeft op de grote problemen in de sociale sector die op ons afkomen en op het gevaar voor een dualisering in de samenleving. Deze bespreking is maar een kleine greep uit het rijk gedocumenteerde boek dat ook andere aspecten behandelt (zo is er een interessante bijdrage van Philippe Van Parijs over de socio-culturele gevolgen van de taalkundige globalisering waar ik zelf het belang van een goed taalondericht in het onderwijs zou willen aan koppelen). Het boek geeft alvast heel wat materiaal voor een debat over de hervorming van de sociale zekerheid en de economische politiek die onvermijdelijk zal gevoerd moeten worden, willen we ons welvaartspeil op zijn minst behouden.


Recensie door Dirk Verhofstadt (verhofstadt.dirk@pandora.be)


Bea Cantillon (red), De nieuwe sociale kwesties, Garant, 2003

Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be