Campo Santo

boek vrijdag 22 april 2011

W.G. Sebald

Toen W.G. Sebald midden jaren negentig aan Austerlitz begon, zijn roman over de Jodenvervolging die hem wereldberoemd zou maken en die er uiteindelijk zelfs voor zorgde dat zijn naam genoemd werd in Nobelprijskringen, legde hij daar een ander project voor opzij. Hij was toen immers bezig aan een boek over Corsica, het mediterrane eiland dat in zijn melange van Italiaans machismo en Frans flegma niemand minder dan Napoleon heeft voortgebracht. Het pas vertaalde Campo Santo brengt de delen die Sebald klaar had toen hij negen jaar geleden een hartaanval kreeg aan het stuur van zijn auto en dat met de dood bekocht bij elkaar, samen met een aantal andere essays.

Voor de in Beieren geboren Sebald die het grootste deel van zijn leven in Engeland doceerde bleek de Corsicaanse samenleving vreemd en fascinerend. Zo beschrijft hij de niet te stillen jachtlust van de bevolking die zowat alle wild dat er ooit zat heeft afgeschoten en grote delen van de bossen heeft gekapt. Hij bezoekt Ajaccio en treft er een oud, stoffig Bonapartemuseum met een suppooste die als twee druppels water op Napoleon lijkt. Maar het indrukwekkendst is toch het titelstuk van het boek, ‘Campo Santo’ dus, waarin hij schrijft over de gewelddadige levensloop van de Corsicanen, over hun voorliefde voor bloederige vetes en vooral over hun boeiende begrafenisrituelen, waarbij hij een mooi staaltje van zijn extra droge humor ten toon spreidt waneer hij het heeft over de grootte van de grafstenen. Het is opvallend, merkt hij op, dat hoe rijker de dode was, hoe zwaarder de steen is die hij op zijn graf krijgt, en dat is ook geen toeval. Wanneer die rijke zou weten hoe zijn erfgenamen met zijn kapitaal omspringen zou hij wel eens uit zijn graf willen klauteren, en dan ligt er maar beter een fiks blok op.

Maar ook om een andere reden is Campo Santo een boeiend stuk. Sebald verlaat er immers Corsica in, om te kunnen focussen op de manier waarop we vandaag met onze doden omspringen. Wij hebben geen dodencultuur meer, schrijft hij, en wij maken geen tijd meer voor de doden. Omdat er te weinig plaats is op de kerkhoven worden graven al na korte tijd opgeruimd, of lijken worden gecremeerd en verstrooid, waarna we ze ook gauw weer vergeten zijn. Op die manier verliezen we niet alleen het besef van ons persoonlijk verleden, maar ook dat van de geschiedenis in zijn geheel. Wij zijn wellicht de eerste generatie die in een a-historische tijd leeft en daardoor niet allen gedesoriënteerd, maar bovenal ook ontmenselijkt is. Een duidelijke mening, maar wat hadden we anders verwacht van Sebald? Wie zijn werk een beetje kent, weet dat de geschiedenis, en dan vooral de Duitse geschiedenis met haar doodslag en geweld centraal staat in zijn boeken. We mogen het verleden niet negeren of vergeten, zei hij zijn hele leven lang, en daarmee maakte hij zich in Duitsland zelf niet altijd populair.

Het grootste deel van Campo Santo wordt ingenomen door een aantal essays die Sebald schreef over figuren die hem op intellectueel vlak na aan het hart lagen, zoals Wolfgang Hildesheimer, Peter Weiss en Jan Peter Tripp, stuk voor stuk bezwaarde schrijvers en schilders die met hun beide voeten in de Duitse geschiedenis stonden en gebukt gingen onder een immens zwaar schuldgevoel. Nogal eens laat hij deze figuren contrasteren met tijdgenoten die heel wat blinder en minder plichtsgetrouw te werk gingen, en daaruit leren we heel wat over het schuldige zwijgen dat na de oorlog bij onze oosterburen overheerste, bij de gewone burgers, maar ook bij de grote literatoren. In oppositie met Hildesheimers roman Tynset, ontstaan uit een diep besef van persoonlijke rouw, plaatst hij bijvoorbeeld Uit het dagboek van een slak, van Günter Grass. In dit boek beschrijft Grass de politieke tournee die hij in 1969 maakte doorheen de Bondsrepubliek om mensen te overhalen op de sociaal-democraten te stemmen. Niet alleen was dit zuivere propaganda die stelde dat alleen die partij voor vooruitgang kon zorgen, en dus een activiteit een groot schrijver onwaardig, bovendien werd er in dat boek ook geen enkele keer verwezen naar de geschiedenis van de sociaal-democratische partij en de rol die ze tussen de twee wereldoorlogen had gespeeld in het ondermijnen van het politieke bewustzijn, waarmee ze onrechtstreeks aan de basis lag van de opkomst van de nationaal-socialisten. Iedereen weet immers uit welke maatschappij het nazisme is voortgesproten en niemand kan aan zijn verantwoordelijkheid ontsnappen, aldus Sebald, want die is collectief. Het zijn spijkers met koppen die hij hier slaat, maar geen enkel weldenkend mens die het met hem oneens kan zijn.

Wie echter vermoedt dat we hier met een eenzijdige ‘landverrader’ te maken hebben, zoals Sebald in Duitsland wel eens beschreven werd, heeft het bij het verkeerde eind. In het essay ‘Tussen geschiedenis en natuurlijke historie; over de literaire beschrijving van de totale verwoesting’, een tekst die later zou uitgroeien tot het boek De natuurlijke historie van de verwoesting, klaagt hij bijvoorbeeld de tot in de puntjes rationele wijze aan waarop de geallieerden op het einde van de Tweede Wereldoorlog de Duitse steden platbombardeerden, allemaal, een voor een, ook al hadden ze geen enkele militaire of strategische waarde. Dit roekeloze geweld was onafwendbaar, citeert hij een Amerikaanse brigadier die meewerkte aan de verwoesting, “zo’n bom was immers duur spul dat je niet in de bergen ging droppen”. Eens de bommen gemaakt moesten ze dus gebruikt worden. Het rationele is hier dus in zijn tegendeel omgeslagen. Het gekke was dat deze bombardementen na de oorlog in Duitsland onbespreekbaar bleken. Wanneer ze voorkwamen in romans werden ze afgedaan als uitingen van het lot, alsof niemand er voor verantwoordelijk was, het oude regime niet, met zijn hakenkruisen en concentratiekampen, noch het nieuwe van de overwinnaars die je beter niet al te diep in de bek keek.

Sebald blijkt dus een luis te zijn die zich in iedere pels thuis voelt en die op zoek is naar nieuwe betekenissen achter oude gebeurtenissen. Hij doet dit door vanuit een nauwgezet historisch perspectief op het eerste zicht totaal verschillende zaken met elkaar in verband te brengen. En de literatuur lijkt daar het ideale middel voor. Er bestaan veel vormen van schrijven, zegt hij, maar alleen in het literaire schrijven gaat het over meer dan registreren. In het ideale geval gaat het ook over restitutie, en dan meer bepaald restitutie voor wat er is misgegaan in het verleden. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat de Duitse schuld steeds weer opduikt, zelfs in een kort essay over de fascinerende, het grootste deel van zijn leven in een psychiatrische instelling opgesloten dichter Ernst Herbeck, de man die zich vereenzelvigde met een angstige, immer op de vlucht zijnde haas. Ook hier slaagt Sebald erin te wijzen op de gewelddadige, sinistere Duitse achtergrond. Waar het hart van vol is, loopt de mond van over, zeggen we dan, of zoals Nietzsche het in Die Genealogie der Moral schreef: “Misschien is er wel niets verschrikkelijker en luguberder aan de hele prehistorie van de mens dan zijn mnemotechniek. We branden iets in zodat we het onthouden: alleen wat niet ophoudt pijn te doen blijft in ons geheugen”.


Recensie door Marnix Verplancke

Deze tekst verscheen eerst in ‘Uitgelezen’, de boekenbijlage van De Morgen


W.G. Sebald, Campo Santo, vertaald door Ria van Hengel, 2010, 269 p., 24,90 euro

Links
Mailto:marnixverplancke@skynet.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be