Gij zult rijk worden!

boek vrijdag 03 oktober 2003

Pascal Bruckner

Met de val van de Berlijnse Muur leek de strijd tussen de diverse ideologieën voorbij. Het kapitalisme en de vrije markt hadden het collectivisme en de planeconomie definitief verslaan. Het inspireerde Francis Fukuyama tot zijn ophefmakende visie dat de geschiedenis tot een eindpunt was gekomen en waarbij het liberalisme als politiek en economisch concept definitief had gewonnen. Van die zelfgenoegzame overtuiging blijft vandaag niet veel meer over. Vanuit diverse hoeken wordt het kapitalistisch systeem onder vuur genomen, niet in het minst door de zogenaamde antiglobalisten. Over deze kritiek op het marktdenken en over het wezen van het kapitalisme schreef de Franse filosoof en romancier Pascal Bruckner een intelligent essay onder de titel Gij zult beroemd worden! Hierin zet hij zich aan de ene kant af tegen het onvermogen van de antiglobalisten die er niet in slagen een coherent alternatief aan te reiken en aan de andere kant tegen de machtshonger van de marktfundamentalisten die oog noch oor hebben voor het lijden van zoveel medemensen.

Nu geloof en ideologie teloorgegaan lijken, bestaat het gevaar dat we opgescheept zitten met een nieuwe religie: de economie met de ‘markt’ als de nieuwe god. Bruckner heeft het evenwel niet begrepen op economisten omdat hun berekeningen vaak even voorspelbaar zijn als de horoscoop. Nochtans worden steeds meer beslissingen op basis van economische modellen genomen met alle vergissingen en rampen van dien. Ze leiden ertoe dat de vruchten van de vooruitgang niet rechtvaardig verdeeld worden en bovendien schadelijk zijn in termen van verspilling en vervuiling. Daaruit vloeit een algemeen onbehagen voort ‘over een systeem dat voortdurend zijn eigen wetten overtreedt, over concurrentie praat en monopolies produceert, de transparantie looft en belastingsparadijzen gedoogt of zelfs aanmoedigt…’. Het zorgt ervoor dat de kloof tussen rijk en arm nog groeit. Zodat bijvoorbeeld ‘nauwelijks 10% van de wereldbevolking 70% van de goederen en diensten produceert en consumeert’.

Toch schaart Bruckner zich bewust niet achter de antiglobalisten. Integendeel, hij gelooft in het kapitalisme en haalt scherp uit naar al die extreem linkse goeroes die opnieuw de kans zien om hun ‘antifascistische discours’ boven te halen als hun argumenten tekortschieten. Zoals ondercommandant Marcos die het ‘liberale fascisme’ hekelt waar iedereen onder valt die het niet met hem eens is, waaronder Octavio Paz die kritiek durfde te uiten. Maar ook Jean Baudrillard, Viviane Forrester en Ignacio Ramonet die vanuit hun postmoderne ethiek beweren te spreken namens de verschoppelingen maar in feite begaan zijn met hun eigen faam en hun comfortabele positie van ‘luxe-outcasts’. Die sympathiseren met de Palestijnse zelfmoordcommando’s en zwijgen als joodse mensen worden gemolesteerd en hun synagogen aangevallen door immigratiekinderen (zo werden in het najaar 2000 in Frankrijk 116 antisemitische incidenten geregistreerd waaronder het in brand steken van synagogen en joodse scholen). Daarbij gaan die postmoderne ‘progressieven’ ook tekeer tegen de vrijhandel (alhoewel die ingevolge douanebarrières en subsidies nergens bestaat), tegen de vermaledijde multinationals, het grootkapitaal, de reclame en de ‘liberale globalisering’. De auteur wijst terecht op het feit dat de grootste slachtpartijen van de voorbije decennia in Bosnië, Rwanda, Algerije, Tsjetsjenië en Timor ‘minder te maken hebben met financiële of economische kwesties maar wel met raciaal, religieus, etnisch en autoritair fanatisme’. In een mengsel van antisemitisme, cultuurrelativisme en dogmatisch fanatisme keren de antiglobalisten zich dan ook tegen Amerika als de grote Satan van deze tijd. Daarbij juichen ze voor elke vijand van Amerika zelfs als die zelf bloed aan zijn handen heeft. Zelfs voor de terroristen van 11 september, voor de Taliban, voor Sadam Hoessein, voor de ultranationalisten in Bosnië en Kosovo. Bruckner wijst er fijntjes op dat de moslims die in Bosnië en Kosovo niet gered werden door hun broeders uit Egypte of Saoudi-Arabië maar juist door die ‘verfoeilijke’ Amerikanen die het falende Europa ter hulp zijn geschoten. En vanwaar ook die gedrevenheid van die talloze mannen en vrouwen om hun heil te zoeken in dat land dat door de antiglobalisten wordt afgeschilderd als de onderdrukker van armen en zwarten?

Het lijkt op een lofzang op Amerika maar dat is het niet. Pascal Bruckner richt zich immers tegen ‘hun schijnheiligheid als ze een model aanbevelen dat ze niet zelf toepassen en hun liberale credo schenden door te pleiten voor protectionisme en agressief interventionisme’. Na de val van het communisme groeide hun pretentie als het ‘geweten’ voor de wereld. Het is een taak die ze niet aankunnen en het is voor de auteur de belangrijkste reden om met een verenigd Europa een tegenmacht te vormen willen we niet voor altijd hun vazallen zijn. In een scherpe analyse koppelt de auteur de val van de Muur met een verslapping van het kapitalisme waaruit een groeiende ongelijkheid voortkwam. De verdienste van de antiglobalisten is dat zij als eersten de zwakke plekken ontdekt hebben die niemand voordien gezien had, namelijk de kwalijke gevolgen van het arrogante marktfundamentalisme. In die zin draagt hun pleidooi voor de rechten van de onderdrukten, de illegalen en de daklozen volgens de auteur juist bij tot de bloei van het door hen zo gehate liberalisme, en daar kan ik me overeenkomstig de ideeën van Amartya Sen en Hernando de Soto alleen maar bij aansluiten. Heel wat problemen en wantoestanden die ze aanklagen zijn inderdaad het gevolg van een gebrek aan liberalisme. Dat blijkt uit het teveel aan protectionisme, monopolisme, trustvorming, het niet verstrekken van eigendomsrechten en een ongehoorde onverschilligheid voor mens en milieu. Waarom zijn de antiglobalisten dan geen liberalen? Omdat ze tegen de markt op zich zijn, terwijl juist de markt het middel is voor toenemende welvaart en meer rechtvaardigheid. Een krankzinnige gedachte omdat er tenslotte geen alternatief voor de markt bestaat, en de mogelijke alternatieven in het verleden alleen geleid hebben tot de meest afschuwelijke systemen waarin het leven van de mens geen cent waard was.

De antiglobalisten vergissen zich van tegenstander. Niet het liberalisme maar het marktfundamentalisme veroorzaakt thans zoveel ellende. De apostelen van het marktfundamentalisme maken dezelfde fout als de communisten ‘omdat ze zo overtuigd zijn van hun eigen waarheid, geen tegenstand dulden en vernietigend uithalen naar al wie zich tegen hen keert’. Ze keren zich voluit tegen de overheid maar als het misgaat smeken ze om het manna van de staatsbemoeienis. Ze kopen zich in in het publieke domein om nadien ‘de winsten te privatiseren en de verliezen te socialiseren’. Bruckner toont aan dat het liberalisme de staat niet wil uitschakelen maar haar juist efficiënter maken. Zo schrijft hij over de staat “dat zijn rol is veranderd in die van regelaar, bewaarder en beschermer, en niet langer die is van eigenaar en economische medespeler is aan de liberale kritiek te danken: dankzij haar is de staat als instelling inmiddels verplicht verantwoording af te leggen, zijn eigen incompetentie en onvoorstelbare inefficiëntie te bestrijden en zich niet meer achter zijn hooghartige ondoorzichtigheid te verbergen.”

Er is dus niets mis met een kapitalisme voor zover dit uitgerust is met corrigerende effecten. Geleid en ondersteund door organisaties die een andere logica dan die van de winst volgen. Zoals rechters, politie, ambtenaren, onderwijzers en politici. In die zin moeten ook liberalen voortdurend waakzaam blijven om de markt daar niet te laten binnendringen. Daarom mijn pleidooi voor het behoud van een ambtenarenstatuut, mijn afkeer tegen de privatisering van politiediensten en mijn verzet tegen de tendens om de privé-bedrijven toegang te verlenen in het onderwijs. “De staat heeft als opdracht om voor het kind een ruimte in stand te houden die vrij is van elke godsdienstige, ideologische of commerciële indoctrinatie”, schrijft Bruckner. Om die reden is één enkele regel reclame in een schoolagenda onaanvaardbaar. Om die reden mogen we ook niet toegeven aan de lokroep om ons onderwijs sneller af te stemmen op het bedrijfsleven. “Waarom muziek, filosofie, tekenen of dode talen leren als men later ingenieur, beursmakelaar of astronaut wordt? Omdat het in de kindertijd deuren op een kier zet die we met het klimmen der jaren kunnen openen of sluiten; omdat het iedereen de prachtige mogelijkheid biedt om te ontsnappen aan de eentonigheid van één enkele carrière en één enkel profiel, vooral als men het geluk heeft van een bijzondere leraar les te krijgen.”

Bij dit alles speelt de democratie een essentiële rol. Antiglobalisten wijzen terecht op het gevaar dat de zetel van het wettig gezag verhuist van het parlement naar de onderneming. Maar Bruckner vervalt daarom niet in een vorm van postmodernisme waarbij de mens zijn vrijheid zou verliezen ingevolge een geestdodend consumentisme. Hiermee raakt de auteur ook de kern van het hedendaagse debat aan, namelijk de uiterst belangrijke vraag over de toekomst van de moderniteit en het vooruitgangsgeloof dat liberalen zo nauw aan het hart ligt, maar dat vandaag meer dan ooit ter discussie staat (lees Roger Scruton, John Gray, Zygmunt Baumann, nvdv). Bruckner stelt dat de moderniteit niet teleurstelt “omdat ze is mislukt, maar omdat ze te goed is gelukt”. Tegenover het pessimistische consumentisme stelt hij dat “de dingen waarover we beschikken, van de bril tot de computer, ons verlossen van de beperkingen van ruimte en tijd, onze beperkte capaciteiten en onze greep op de werkelijkheid vergroten, en ons binnen bereik brengen van allerlei krachten die vroeger alleen aan tovenaars en sjamanen werden toegedicht”. We beseffen wat vooruitgang is telkens we naar de apotheek gaan of een geslaagde operatie in het ziekenhuis achter de rug hebben. We moeten dus blijven onttoveren en de vooruitgang aanmoedigen maar dan wel binnen een ethisch besef, ‘een vooruitgang in de vorm van een verbond met de wereld dat in dienst staat van haar behoud en niet van haar beheersing’.

Ergens in het boek stelt Bruckner vast dat het woord liberalisme in Frankrijk en daarbuiten een ongunstige connotatie heeft. Hier vergist hij zich. Het liberalisme heeft in heel wat landen een bijzonder positieve connotatie. Alleen wordt het door heel wat mensen gebruikt en misbruikt om hun eigen conservatisme, nationalisme, etnocentrisme, elitarisme, racisme, hedonisme of egoïsme een geur van waardigheid en beschaafdheid te geven. Het losgeslagen kapitalisme gebruikt het liberalisme als alibi om onrechtvaardigheid, gewelddadigheid en immoraliteit te handhaven. Dat mogen we als liberalen niet laten gebeuren. Het boek van Pascal Bruckner is daarbij een aanbevolen hulpmiddel.


Recensie door Dirk Verhofstadt


Pascal Bruckner, Gij zult rijk worden!, Boom, 2002, 206 blz.

Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be