Het verraad van links

boek vrijdag 08 februari 2008

Carel Brendel

In zijn boek Het verraad van Links schetst Carel Brendel de geschiedenis van de Nederlandse socialistische beweging en de vrijheid van godsdienst. Hij beschrijft hoe de allereerste socialisten in Nederland moeten opboksen tegen de behoudzucht van de kerken. Voor Ferdinand Domela Nieuwenhuis, Henri Polak en Pieter Jelles Troelstra is de strijd voor vooruitgang en tegen armoede ook een gevecht tegen de orthodoxe en conservatieve denkbeelden van religieuze leiders. De sociaal-democratie doet haar best om de verzuiling en de hokjesgeest te doorbreken. Na 1960 verdwijnen eindelijk de scheidslijnen tussen katholieken, protestanten en buitenkerkelijken. De Kerken verliezen hun ijzeren greep op de bevolking. Links speelt een hoofdrol in dit proces. Het komt op voor de emancipatie van vrouwen en homo’s.

Met de massale immigratie uit islamitische landen raakt de linkse beweging de weg kwijt. Uit angst voor racisme verwerpt zij kritiek op de multiculturele samenleving. De boerka, symbool voor de onderdrukking van miljoenen vrouwen, moet kunnen vindt de Nederlandse minister Ella Vogelaar. In maart 2007 loopt, door toedoen van Geert Wilders en zijn Partij van de Vrijheid (PVV), de discussie hoog op over de dubbele nationaliteit van de PvdA- taatssecretarissen Ahmed Aboutaleb en Nebahat Albayrak en het Marokkaanse adviseurschap van parlementslid Khadia Arib. De kritiek van Wilders hierop wordt door de PvdA onmiddellijk afgedaan als het zaaien van haat, zonder het formuleren van tegenargumenten of het kritisch tegen het licht houden van zijn standpunten. Dit is een oud zeer geworden. De PvdA heeft immers alle immigratievraagstukken verzwegen, ontkend of gebagatelliseerd, omdat immigranten zowel een electoraal voordeel vormen als het bestaansrecht van de partij waarborgen. Door de jaren heen zijn er verschillende politici en opiniemakers geweest die deze problemen probeerden te benoemen en daarmee een gevaar vormden voor de partij. Tot nu toe is het reduceren van deze opinies tot ‘haat zaaien’ een effectief middel gebleken om elke kritiek het zwijgen op te leggen. De PvdA gebruikt daarvoor dezelfde beproefde methodes: negeren, marginaliseren, ridiculiseren, demoniseren. Dit is in een notendop de opstelling van de sociaal-democratie in het multiculturele drama dat zich in de afgelopen decennia in Nederland heeft voltrokken.

De PvdA heeft niet alleen gestaan in het omarmen van de multiculturele samenleving. De kleine linkse partijen, het CDA en een fors deel van de VVD denken, zeker in de beginne, niet wezenlijk anders. Voor de immigranten uit Turkije en Marokko wordt het behoud van de eigen taal en cultuur van groot belang geacht. De tijdelijke Nederlanders moeten immers ‘voeling houden met hun thuisland’. Als gastarbeiders toch in Nederland mogen blijven, en hun vrouw en kinderen laten overkomen voor gezinshereniging, vertelt niemand hen dat ze zich alsnog moeten aanpassen in Nederland. Pleidooien voor aanpassing gelden weldra als symptomen van een misplaatst westers superioriteitsgevoel. Kritiek op de multiculturele samenleving is verdacht, maatregelen om de immigratie te remmen rieken naar fascisme. Zo is het typerend dat, wanneer in 1983 minister van sociale zaken Lou de Graaf (CDA) bijvoorbeeld voorstelt het woonlandbeginsel in te voegen in de kinderbijslag, wat tot bezuinigingen kan leiden, de vakbond FNV onmiddellijk protesteert en Wim Kok de demonstranten toespreekt: ‘laat U niet meeslepen “door racistische en soms fascistische elementen” die in Nederland de kop opsteken(…)’ (cursief YVS).

Het multiculturele gedachtegoed mag dan vrij algemeen aanvaard zijn bij de politieke en maatschappelijke bovenlaag, de felste verdedigers zitten weldra in de uiterst linkse vleugel van de socialistische beweging. Zo wordt het CPN opnieuw salonfähig door het verdwijnen van de Koude Oorlog, maar ook door haar ijzersterke reputatie als partij van de Februaristaking, de partij die een lange traditie zou hebben bij het bestrijden van racisme en discriminatie. Zo krijgt de CPN toeloop van antifascistische activisten zoals de uit Suriname afkomstige Tara Singh Varma, die zich inzet voor de positie van de vrouwen en minderheidsgroepen. Het Amsterdamse CPN-raadslid stroomt later door naar Groen-Links, waar ze als eerste (niet-westerse) allochtone vrouw tot de Tweede Kamer doordringt. Dat ze in kleine kring bekend staat als pseudologe en al eens een greep heeft gedaan in de kas van het Steunkomité voor het kortstondige communistisch bewind van Grenada, schaadt haar carrière niet. Het is immers racistisch om haar van fraude of cliëntelisme te beschuldigen.

Pas in 2001 strandt haar politieke loopbaan, als blijkt dat ze in financiële problemen is geraakt en bovendien een ongeneeslijke ziekte voorwendt. ‘Tara is in de politiek een specimen geweest van wat men in de Verenigde Staten aanduidt als token niggerism’ schrijft NRC-columniste Elsbeth Etty. ‘Groenlinks wilde grote sier maken met een etnische excuustruus die als uithangbord werd gekandideerd en niet op grond van capaciteit of verdienste.’ Dat is geen uniek fenomeen. Zo moet de organisatie Islam en burgerschap een andere naam verzinnen voor de Nana Asma’u-prijs voor vrouwen, die de maatschappelijke rol van moslima’s stimuleren. De naamgeefster, een 19de-eeuwse vrouw uit West- Afrika, zo blijkt, heeft vrouwen opgeroepen hun man te gehoorzamen en zoveel mogelijk binnenshuis te blijven. Bovendien heeft deze voorvechtster van de emancipatie hel en verdoemenis in het vooruitzicht gesteld aan ongelovigen. Het multiculturalisme heeft een aantal antiwesterse en antikapitalistische trekken, die dit gedachtegoed extra populair maken in linkse kringen. Weldra zitten de fanatiekste bestrijders van een mogelijk herlevend fascisme bij ultra-links, op de flanken van de PvdA, bij de CPN, en bij de meer extremistische groepen. De grote partijen trekken een cordon sanitaire rond de echte of veronderstelde racisten. De stoottroepen van de militante kraakbeweging of de Internationale Socialisten delen als het nodig is de klappen uit.

Van historicus Jacques Presser is de uitspraak: ‘Als het fascisme in Europa ooit weer opduikt, zal het dat doen onder de naam antifascisme.’ Presser heeft een vooruitziende blik gehad, want zowel de militante krakers als de Internationale Socialisten vertonen overeenkomsten met het fascisme dat ze zeggen te bestrijden (verwerping van de democratie, intimidatie, straatgeweld, het verketteren van andersdenkenden en - in het geval van de IS - antisemitisme en verheerlijking van een totalitaire ideologie). Zolang hun geweld zich alleen keert tegen het gevaar van extreemrechts hoeven de geweldplegers echter niet te vrezen voor een krachtige afkeuring van hun gedrag. Anders wordt het als de woningen van de Amsterdamse burgemeester Ed van Thijn (1985) en staatssecretaris van Justitie Aad Kosto (1991) het doelwit worden van aanslagen.

Krachtige welzijnslobby’s doen het hunne om de smeulende veenbrand rond immigratie en integratie uit beeld te houden. Vuijsje spreekt van ‘speculatie op de racisme-markt’. ‘Wel leidde de zorg van de overheid om de etnische minderheden tot de opbouw van een omvangrijk circuit van welzijnsorganisaties - een complete bedrijfstak waarin “zaakwaarnemers” concurreerden om invloed, posities en geld. Véél geld, want de overheid was bereid diep in de buidel te tasten om schuldgevoelens af te kopen en problemen te vermijden. Als dit minderheidscircuit een “bedrijf” was ,vormde racisme daarin de grondstof. Hoe meer racisme een zaakwaarnemer of racismebestrijder kon “claimen” , des te groter zijn marktaandeel.’

Net als met Singh Varma gebeuren er ongelukken in dit welzijnscircuit als gevolg van wat Elsbeth Etty ‘token niggerisme’ noemt. Surinaamse instellingen kunnen in Amsterdam ongehinderd hun gang gaan, omdat de gemeentelijke controle op de boeken als discriminatie en koloniale bevoogding wordt gezien. In de jaren tachtig schrijven Parool-journalisten Theo Gerritsen en Bart Middelburg over de dubieuze ondergang van stichtingen als Srefidense en Interimbeheer. De autoriteiten blijken hardleers. In 2001 nemen politiemensen in Amsterdam Zuidoost de boeken in beslag van de stichting Stida, waar welzijnswerker Harrald Axwijk de scepter zwaait, een centrale figuur uit het wanbeheer en het cliëntelisme van de jaren tachtig. Dit keer komt Axwijk met de schrik vrij: enkel een boete van 1.720 euro wegens ‘administratieve fouten’. Als journaliste Bernadette de Wit Axwijk een ‘racist’ en een ‘fraudeur’ noemt, komt het haar op een reprimande te staan van Jan Lau, voormalig hoofd communicatie van het stadsdeel Zuidoost. ‘Witte Bijlmerbewoners voelen zich kennelijk ongemakkelijk bij de toenemende invloed van zwarte organisaties.’ Maar een racist is Axwijk niet. Lau: ‘Een racist? Axwijk is inderdaad tot in zijn nieren solidair met de Surinaamse volksklasse en hanteert graag “een raciale invalshoek” en ziet witte complotten achter processen die eerder voorvloeien uit bureaucratische angst, bestuurlijke incompetentie of ander gemeengoed. Met andere woorden: blanken zijn racisten, niet- blanken gebruiken hooguit de “raciale invalshoek”.’

Voor de volgers van het etnisch welzijnscircuit in de Bijlmer is de voorpagina van De Volkskrant op 14 oktober 2006 een feest der herkenning: ‘In het Amsterdamse stadsdeel Zuidoost heerst een beheerscultuur waarbij politici subsidies verstrekken aan stichtingen waarin ze zelf belangen hebben.’ Vooral de PvdA is verweven met maatschappelijke organisaties. Het stadsdeel controleert amper wat er met de subsidies gebeurt. Alleen de namen van de stichtingen en betrokkenen zijn anders, voor de rest lijkt het een herhaling van de jaren tachtig. Het stadsdeel laat echter weten dat de strekking van de reportage niet klopt. De deelraad van Amsterdam Zuidoost, waarin de PvdA de absolute meerderheid bezit, vertrouwt vervolgens het onderzoek naar de affaires toe aan partijgenoot Ed van Thijn, een kritiekloze antiracist.

Ook een fors deel van de wetenschappelijke wereld heeft zich aan het wereldbeeld van de antiracisten geconformeerd. Ook hier is het oordeel van Vuijsje (uit 1977) vernietigend: ‘De intellectueel als inquisiteur, die het debat niet voert, maar verbiedt, heeft ons de afgelopen decennia behoed voor menige ongewenste gedachten wisseling over onderwerpen als erfelijkheid, medisch bevolkingsonderzoek, gedwongen opname van schizofrenie patiënten, uitkeringsmisbruik, etniciteit en immigratie, privacy, criminaliteit en overheidscontrole.’ De Utrechtse criminoloog en antropoloog Hans Werdmölder stuit aan zijn universiteit op grote tegenstand als hij de criminaliteit onder Marokkaanse jongens wil onderzoeken. In Marokkaanse lieverdjes rekent Werdmölder af met zijn terughoudende collega’s: ‘De meeste criminologen zeggen er geen behoefte aan te hebben een bijdrage te leveren aan de stigmatisering van een kwetsbare minderheidsgroep. Dat valt te prijzen, maar misschien is het ook wel een beetje naïef en onwetenschappelijk. Wetenschappers kunnen niet langer de ogen sluiten voor de invloed van de culturele factor.’

Werdmölder besluit het hoofdstuk Een wetenschappelijk taboe als volgt: ‘Het grote taboe is inmiddels doorbroken, maar wetenschappers hebben nog steeds de neiging om negatieve gegevens niet te (willen) zien of verhoogde criminaliteit “weg te verklaren”. Niet een gebrek aan kennis, maar de zelf opgelegde ethische code om niet in ongunstige zin te generaliseren zit veel criminologen dwars.’ De Leidse rechtsgeleerde Paul Cliteur veegt al in 1999 de vloer aan met de politiek correcte opstelling van de meeste criminologen: ‘De criminologie is een wetenschap van de verhulling. Decennialang heeft men om politiek correct te blijven gegevens onder de pet gehouden. Die houding is een schande voor de wetenschap en het bewijst eens te meer dat wat het academisch debat had moeten zijn in feite niet plaatsvindt, omdat men zich in de gedachtevorming en meningsuiting laat bepalen door politieke taboes en academische esprit de corps.’ Tegenover de ondergrondse tegenwerking van Werdmöller staan de rode lopers die aan de Universiteit van Amsterdam worden uitgelegd voor Philomena Essed, die op grond van heel dun onderzoek vaststelt dat de op het oog tolerante Nederlandse samenleving is ‘doortrokken van een subtiel, maar gemeen soort alledaags racisme.’ Ze promoveert in 1990 cum laude op haar proefschrift Understanding everyday racism. Ondanks de combinatie van selectieve dataverzameling en gegeneraliseerde conclusies, toonden de meeste recensenten zich enthousiast. De blanke journalisten zijn pas later bereid toe te geven, dat ze geen kritiek durfden te leveren op een zwarte wetenschapster.

In september 2002 komen Paul-Kleis Jager en Yoram Stein met een uitgebreid overzicht, waaruit blijkt dat het systematisch onderdrukken van kritiek op het immigratie- en integratiebeleid absoluut geen verzinsel is. Hun ‘bloemlezing van dertig jaar multicultureel conformisme’ geeft een illustratief, maar nog niet eens compleet overzicht van de periode tussen 1970 en 2002. Het is overigens de oude anarchist en vrijdenker Constandse die de rug recht tegen aantijgingen van gedachtepolitie. Hij durft de islam net zo goed te kritiseren als andere conservatieve godsdiensten. ‘De islam is zeer autoritair, nog meer dan jodendom en christendom, die in elk geval zeer vele variaties en interne tegenstellingen kennen. Er zijn tal van orthodoxe islamieten, die veeleer racistisch of fascistisch genoemd kunnen worden dan vrijzinnige Nederlanders die hen kritiseren. Hun houding tegenover het gezag, de koning van Marokko (tevens een soort Paus), hun vrouwen en kinderen of andersdenkenden is hoogst bedenkelijk en discriminerend. En als aanpassing wordt voorgestaan aan normen van Nederlandse vakarbeiders is dat geen poging tot discriminatie, maar tot emancipatie.’ Constandse’s uitsmijter is nog steeds van belang voor politici met twee paspoorten zoals Aboutaleb, Albayrah en Arib: ‘(De regimes van Turkije en Marokko) willen controle behouden over hun onderdanen, met een beroep op hun “cultuur”. Het is in het belang van de emancipatie der gastarbeiders, hen los te maken van de politieke en godsdienstige leiders van hun vroegere vaderlanden.’

Achteraf blijkt 1990 een keerpunt. In het minderhedendebat melden zich deelnemers, die je niet zo eenvoudig kunt negeren, marginaliseren, ridiculiseren of demoniseren als Janmaat of de prille SP toen. De VVD krijgt een nieuwe fractieleider in Frits Bolkestein, die openhartige opiniestukken schrijft over het taboe onderwerp. De actievoerders maken hem uit voor ‘racistisch zwijn’, maar deze kritiek glijdt van hem af. ‘De angst voor racist uitgemaakt te worden heeft de discussie te lang gefrustreerd.’ Onder leiding van Bolkestein stijgt de VVD van 22 naar 38 zetels. Ook in de PvdA melden zich eindelijk smaakmakende partijgenoten, die de omertà op islam, immigratie en integratie doorbreken. Partijvoorzitter Felix Rottenberg zegt in 1992 dat zijn partij veel te weinig naar de gewone man heeft geluisterd. ‘Er is te veel fraude, te veel misbruik, er zijn te veel illegalen.’ Paul Scheffer moet in 2000 spitsroeden lopen na de publicatie van zijn artikel Het multiculturele drama. Elsbeth Etty noemt Scheffer een ‘cultuurnationalist’ en laat fijntjes weten dat – ‘zoals Marcel van Dam het zo treffend formuleerde’ – ‘nationalisme en fascisme’ uit één koker komen. Een week later moet Etty haar excuses maken. Scheffer: ‘Door meer mensen werd druk geprobeerd mij met extreemrechts in verband te brengen. Die pogingen zijn zoals iedereen kan zien op niets uitgelopen,maar het heeft mij wel geraakt.’

Een van de merkwaardige fenomenen in het islamdebat is dat juist de verdedigers van onze vrijheid, die waarschuwen voor de totalitaire ideologie van het moslimfundamentalisme, met kromme vergelijkingen in het kamp van de fascisten en antisemieten worden geplaatst. Vaak zijn het linkse columnisten en politici die het kamp van de vrijheid verlaten en als bondgenoot fungeren van de onverdraagzaamheid. Even opvallend is het stilzwijgen van de feministen over hoofddoeken, sluiers, eerwraak, besnijdenis en andere aantastingen van de vrouwenrechten binnen en buiten Nederland. Voor vrouwen in het Midden-Oosten gaat niemand de straat op. Daar stuurt niemand een abortusboot naar toe. Feministen in Nederland bestaan het om plastische chirurgie, ondanks alle media-aandacht toch werkelijk geen normaal en alledaags verschijnsel, gelijk te stellen met eerwraak en vrouwenbesnijdenis, gewone onderdelen van veel Arabische culturen. Het lijkt mij dat steniging heel wat anders is dan het grote lijden dat wordt veroorzaakt door het glazen plafond.

Enkele op vrijheid gerichte allochtonen gaan zich na 11 september 2001 mengen in het debat. Hafid Bouazza, een schrijver van Marokkaanse afkomst, schudt ons ruw wakker. Hij put uit eigen ervaringen in een baanbrekend artikel in NRC Handelsblad waarin hij het moslimextremisme op één lijn stelt met andere totalitaire ideologieën: ‘Steeds wordt over het hoofd gezien dat de islam een intrinsiek politiek karakter heeft en dat het separatisme van zijn ongure aanhangers niets anders is dan een totalitaire, racistische en nationalistische ideologie die in Nederland zo wordt verafschuwd. Het is de taak van de Nederlandse overheid om er tegen op te treden.’ Bouazza ziet het extremisme ver voor 2001 opkomen, met dit verschil, dat de Nederlands-Marokkaanse schrijver al veel langer signalen van groeiende onverdraagzaamheid tegenkomt. ‘Het fundamentalisme is in Nederland niet iets nieuws. Al in de jaren tachtig begonnen de “moslimbroeders”, zoals ze toen werden genoemd, aan een propagandacampagne in Nederland.’

Deze moslimbroeders waren al in de jaren vijftig door president Nasser uit Egypte verbannen en kregen in Europa asiel. In Gorinchem stichtten ze een eigen moskee, want de moskee die er al stond en die ze een paar keer tevergeefs hadden geprobeerd in brand te steken was hun te gematigd. Cassettebandjes met agressieve preken werden verspreid. Ik herinner mij vooral de preken van de blinde imam al Kask, die fulmineerde tegen vrouwen (‘valstrikken van de duivel’), tegen muziek en films, video’s tegen alles en iedereen, die niet, zoals de vogels en bomen en stenen in de Koran, dag en nacht de lof van God en zijn profeet zongen. De gedragingen van de dochters der gelovigen werden streng in de gaten gehouden, vrouwen moeten gesluierd en opgesloten worden. Ze mochten geen onderwijs genieten en niet werken. Elk contact tussen een vrouw en een man, al was het maar een groet van ver, was verboden. Een kennis van Bouazza werd moslimbroeder en verbood ons zijn vrouw en dochters de hand te schudden. De profeet zou hebben gezegd dat het beter was voor een vrouw om een bijl in haar gezicht te krijgen dan een man de hand te geven. Bouazza zegt over de reacties op dit fundamentalisme: ‘Het probleem is dat deze mensen steeds meer gehoor hebben gevonden in Nederland en dat ze door de moslimgemeenschap zelf niet zijn gemarginaliseerd, zoals dat is gebeurd met Janmaat en zijn partij. En dat zal ook nooit gebeuren. Moslims zullen het altijd voor elkaar opnemen… Het individu is ondergeschikt aan de gemeenschap. Wat Nederland nodig heeft zijn afvalligen, ketters, vrijdenkers, met andere woorden volgers van de ratio.’

Vrijdenkers hebben aan de basis gestaan van de progressieve socialistische beweging. Nu een nieuwe groep vrijdenkers hun steun hard nodig heeft, geven de linkse nazaten van Domela Nieuwenhuys en Troelstra niet thuis. Het verraad van links is compleet.


Recensie door Yves Van de Steen


Carel Brendel, Het verraad van links, Soesterberg, Uitgeverij Aspect, 2007, 242 p.

Links
www.hetverraadvanlinks.nl
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be