Klassiker des europäischen Denkens

boek

Winfried Böttcher

Het is geen toeval dat de hoogleraar politologie van de universiteit van Aken, Winfried Böttcher, precies in de dagen waar aan ‘onze’ Herman Van Rompuy (in diens hoedanigheid van titularis van de tot nog toe hoogste presidentiële functie binnen de EU) de Karel-de-Grote-prijs 2014 werd verleend, dit belangrijke boek over het Europese denken op de markt heeft gebracht. Het gaat om een werk in groot formaat dat zich op de intellectuele achtergronden van onze tegenwoordige Europa-politiek concentreert. Uitgangspunt is dus de belangstelling voor de politici en ook theoretici, die na WO II hun Europese activiteiten hebben ontplooid en de opzet is een overzicht van de intellectuele processen en geestesstromingen die tot de tegenwoordige toestand op intellectueel en politiek vlak hebben geleid.

Bedoeling en opzet zijn duidelijk. We kennen de eerste vormen van een denken aan Europa, die zich sinds het einde van de Oudheid (in het bijzonder in het eindigende Romeinse Rijk en in de wereld van Karel de Grote hebben gemanifesteerd en we kennen het streven naar een vereniging(of hereniging) van ons continent zoals het veel later – d.w.z. tot in de loop van de XIXe en XXe eeuw - een nieuwe vorm (b.v. ‘Paneuropa’) heeft aangenomen. Maar wat in de loop van meer dan zes eeuwen daartussen heeft gelegen was en is ons in zijn specifiek Europese betekenis zo goed als onbekend. Het was vooral dit ‘euvel’ dat door deze Encyclopedie wilde worden verholpen .

Het lag voor de hand dat behalve het besteden van uitvoerige lemmata aan de figuren van politici en theoretici die na WO II de Europapolitiek hebben gedirigeerd, aandacht zou worden besteed aan de denkers die reeds in het verleden visies op de mogelijkheden van een Europese eenmaking hebben gewezen. En dit liefst voor een periode die zo ver mogelijk in het verleden reikt. Hier dus niet minder dan zeven eeuwen. Het gaat zonder twijfel om een concept van bijzondere originaliteit. En het als Encyclopedie opgevatte boek bevat dan ook een centraal deel van over de 600 bladzijden dat volgens de gebruikelijke encyclopedische stijl uit over de honderd lemmata bestaat, die door specialisten ter zake van niet minder dan 33 universiteiten uit de gehele wereld werden geformuleerd en die het verdienen gelezen te worden door eenieder die zich in de tegenwoordige tijd voor de Europese eenmaking en haar uiteindelijke bestemming interesseert.

Het opvallende en tot nog toe unieke aan dit opus is de diversiteit van de personen aan wie bijzondere aandacht is besteed. Er zijn niet alleen de politici die in de jaren na WO II de Europapolitiek voerden en samen met hun theoretici – vooral op basis van de Frans-Duitse toenadering de grondvesten voor een nieuw Verenigd Europa konden leggen, type Adenauer, Monnet, De Gasperi, Schuman, Spinelli, enz. Er zijn ook de theoretici en publicisten, die sinds Wereldoorlog I als eersten de concrete gedachte aan een verenigd continent (bv. ‘Paneuropa’) in de wereld hebben gezet en consequent de visie op een Verenigd Europa in de openbaarheid hebben gebracht, zodat de bewuste Europapolitici van na Wereldoorlog II er op hun wijze konden bij aanknopen, type Coudenhove-Kalergi, Salvador de Madariaga en ook Ortega y Gasset.

En dan zijn er de grote figuren in de geschiedenis van ons geestesleven uit een tijd waar de nstionsle denkmodellen die we heden ten dage nog steeds moeten te boven komen nog niet bestonden, maar die desalniettemin argumenten aanhaalden die voor het doel in kwestie nog steeds van betekenis zijn en pas nu hun ‘Europese’ draagwijdte duidelijk laten blijken, type Erasmus, Spinoza en zelfs Kant, die weliswaar geen uitdrukkelijk op de kwestie der Europese eenheid of veelvuldigheid gericht geschrift heeft achtergelaten, maar met zijn Zum ewigen Frieden voldoende gedachten heeft geformuleerd die bij ons tegenwoordig streven nog steeds met dankbaarheid kunnen worden opgenomen. In een zekere zin hoort ook Victor Hugo daarbij, wiens begrip Etats Unis de l’Europe weliswaar geen onderdeel van een Europees politiek programma was, maar als ‘dichterlijke’ formulering zo duidelijk heeft ingeslagen dat het ook nog in onze dagen in het bewustzijn van al wie zich voor de verdere Vereniging van Europa interesseert, present is gebleven .

Betreurenswaardig is evenwel dat de filosoof Carl Christian Friedrich Krause (1787-1832), die later (als vader van het ‘Krausismo’) een zo grote rol in het Spanje van de twintigste eeuw heeft gespeeld en ook voor het vrijzinnige universitaire leven van Belgie, bv. aan de ULB, een zo grote betekenis heeft gehad, weliswaar als leerling van Schelling in de groep lemmata van het deel Der Umbruch zur Moderne tot tweemaal toe wordt vermeld, maar ondanks zijn Entwurf eines Europäischen Staatenbundes geen eigen lemma kreeg toegedeeld. . Gezien dit alles, moet de titel Classici van het Europees Denken in een omvattende en soms ook te relativeren zin worden opgevat. Het ging niet alleen om denken aan Europa’s culturele en mogelijke politieke eenheid, maar ook om het streven naar een praktische politiek. En dan soms ook nog om politiek die voor sommigen zelfs minder met ‘denken’ dan met ‘handelen’ te maken zou hebben. Voorbeeld: Paul-Henri Spaak, die het weinig intellectuele gezegde ‘Je suivrai mon parti jusque dans la folie’ heeft achtergelaten en zich in het België van voor WO II duidelijk verzette tegen de ‘europese’ invloed van de in het begin van de eeuw door de Duitse universiteit gevormde Hendrik de Man,en zijn ‘Plan du Travail’, maar na de tweede oorlog niet talmde om zich aan te sluiten bij de Europa-politiek van de christendemocraat Adenauer en zijn vriend de Gaulle, en zodoende een van de eersten is geworden die de praktische politiek startten die tot onze tegenwoordige stand van zaken heeft geleid.

Wat inmiddels de waarde van het encyclopedisch hoofdgedeelte van dit werk zowel voor theoretici als ook voor practici van onze tegenwoordige Europa-politiek bijzonder waardevol maakt, is dat het start met het Europese geestesleven van de late middeleeuwen. En daar is dan in eerste instantie het voorbeeld van Enea Silvio Piccolomini (1405-1464). Deze ‘eerste humanist op de stoel Petri’, die in 1458 tot Paus werd verkozen en als Pius IV zes jaar lang aan het hoofd van de katholieke kerk zou staan, Hij was niet alleen een geleerde die aan Europas eenheid dacht, maar ook een humanist die zelfs reeds in zijn tijd de eerste tekenen van het nationaal denken wist te bestrijden dat eeuwen later tot de rampzalige onenigheid binnen ons continent zou leiden. Zoals we pas sinds kort weten was Piccolomini de man die de Duitse op Tacitus’ Germania gesteunde Arminius-mythe (die voor de Duitse politiek van de 19de en 20ste eeuw van centrale ideologische betekenis is geworden) reeds in zijn tijd met methodes heeft bestreden die tegenwoordig tot de ‘Europese Studies’ van het moderne comparatisme behoren. (Cf.. Christopher B. Krebs, Negotiatio Germaniae, Göttingen 2005).

Opvallend is inmiddels ook dat Winfried Böttcher – hoewel van sociaaldemocratische signatuur zijnde (Martin Schulz schreef het Woord vooraf)) ook plaats heeft gemaakt voor politieke denkers van uiterst rechts..Met de opname van een lemma over Carl Schmitt, die destijds als belangrijkste jurist van het ‘Derde Rijk’ gold en nog steeds geldt (men denke aan zijn houding tegenover de Röhm-Putsch van 1934), wordt in Boettchers opus ook dit tot een probleem: moet ook met de gedachten aan het Europa van een fascistische ‘Nieuwe Orde’ bij ons tegenwoordige streven naar een postnationaal Verenigd Europa rekening worden gehouden? Anders gezegd: Carl Schmitt als ‘classicus’ van het Europese denken? En indien van wel, op welke manier? Het boek van Böttcher, geeft daarop slechts ten dele een antwoord.

We weten sinds lang dat het Herder is die aan de basis lag van het nationale denken waarmee wij in onze tijd nog worden geconfronteerd. En we weten ook dat hij zijn desbetreffende gedachten heeft ontwikkeld in oppositie tegen zijn oorspronkelijke leermeester Kant. Maar hoe deze laatste zijn eigen gedachten als ‘Weltbürger’ uiteindelijk gericht heeft op een specifiek ‘Europees’ denken werd tot nog toe te weinig beschreven. Bij Böttcher vinden wij de verbinding met Hugo Grotius, Thomas Hobbes, David Hume en John Locke die in de 17de eeuw een theorie van de mogelijkheid van een ‘Europees’ sociaal verdrag ontwikkelden en in Frankrijk bij Montesquieu hun voortzetting vonden om dan in Rousseau en zijn Contrat social een hoogtepunt te bereiken. En hoe Herders ‘nationaal’ denken tot de misbruiken van de 20ste eeuw heeft geleid, weten we in feite ook nog steeds slechts ten dele.

Ook daarom verdient de behandeling van Thomas Garrigue Masaryk een bijzondere aandacht. Masaryk die het door zijn belangstelling voor het nationale denken van hoogleraar in de wijsbegeerte (en zelfs godsdienstfilosofie) niet alleen tot ‘nationaal’ politicus, maar in 1919 zelfs tot eerste president van de nieuwe Tsjechoslovaakse republiek zou brengen, waarbij dan zijn opvatting van een specifiek defensieve vorm van nationaal denken zou worden ontplooid, betuigde zijn bekentenis tot een Verenigd Europa dat tegen het dynastisch model van de keizerlijke Oostenrijks-Hongaarse multinationaliteit was gericht en zich als republikeins en democratisch model zou vestigen. (Cf. T.G. Masaryk, Das neue Europa, Berlijn 1922). In dit verband is het lemma over Masaryk een van de belangrijkste artikelen in het gehele boek.

Het gaat om het type der denkers die voor ‘eigen Volk en Land’ – onder een als onrechtmatig dominerend aangevoelde multinationale heerschappij – een ‘nationaal’ onafhankelijkheids-streven aan de dag hebben gelegd en daarbij toch nooit de oriëntatie naar Europa uit het oog hebben verloren. Het is een verschijnsel waarvan Masaryk allicht het beroemdste voorbeeld is geworden. Ook Giuseppe Mazzini hoort in zekere mate bij deze categorie van ‘nationale’ denkers. Hier zou ook plaats geweest zijn voor August Vermeylen en zijn “Vlaming zijn om Europeër te worden.” Het is schrijver dezes trouwens bekend dat oorspronkelijk voor deze Vlaming eveneens een uitvoerig lemma was voorzien, maar dat dit tengevolge van onvoorziene omstandigheden niet tot stand is kunnen komen.

Lovenswaardig is eveneens nog het feit dat ook gepoogd werd om van het ‘Europees denken’ waaraan we tegenwoordig een zo sterke behoefte hebben, zoveel mogelijk voorstadia in het Franse geestesleven van de 19de eeuw te vinden: na de abbé de Saint-Pierre (1658-1743) en Montesquieu (1689-1755), komen met eigen lemmata ook Condorcet, Saint-Simon alsmede Guizot, Jouffroy, Toqueville en Proudhon aan de beurt, om van de grote namen Rousseau, Victor Hugo en Ernest Renan maar te zwijgen.

Bij wijze van slot is ook nog te wijzen op het belang van de gedachten die ontwikkeld werden inzake de mogelijke status van een komend Verenigd Europa in intercontinentaal verband: De auteur van de lemmata over Metternich, Fichte, Sorel en Carl Schmitt, weten natuurlijk dat er ook in het verleden visies op een Verenigd .Europa. zijn ontwikkeld die niets met de democratische inzet te maken hebben gehad, die wij als de basis beschouwen van het Europa waar wij naartoe streven. Niet alleen het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk, maar ook de pangermaanse visies van een Friedrich Naumann en zelfs het nazistische Duitsland presenteerden ten gepasten tijde concepten van een ‘nieuw’ Europa en verkondigden hun opvatting van een specifiek Europese dominantie tegenover de rest van de wereld. Masaryk had dit zien aankomen en het is goed dat in deze encyclopedie ook over dit soort ‘Europees’ denken wordt gesproken. Het werk is niet alleen een encyclopedie, het bevat ook een programma!

En de opzet is duidelijk: we worden met de eerste vormen van een denken aan Europa geconfronteerd die zich tegen het einde van de oudheid en in de wereld van Karel de Grote hebben gemanifesteerd en we leren het streven naar een vereniging (of hereniging) van ons continent kennen, zoals het later nieuwe vormen heeft aangenomen om uiteindelijk tot onze tegenwoordige Europa-politiek te komen. Maar wat in de loop van meer dan zeven eeuwen daartussen heeft gelegen, was ons in zijn specifiek Europese betekenis zo goed als onbekend of werd in deze specifieke betekenis zo goed als geïgnoreerd. Het is dit ‘euvel’ dat door deze Encyclopedie van de Europese gedachte wil worden verholpen. Een prestatie, naar aanleiding van de verlening van de Karel-de-Grote-prijs aan een van onze Europese toppolitici, die zelf een verlening van deze prijs waardig is.


Recensie door Hugo Dyserinck

De recensent is oud-Hoogleraar aan de Universiteiten van Aken en Luxemburg. Hij wordt beschouwd als een van de de grondleggers van de comparatistische imagologie, een specifieke tak van vergelijkend literatuuronderzoek. Hij is tevens kernlid van Liberales.

Winfried Böttcher, Klassiker des europäischen Denkens, Friedens- und Europavorstellungen aus 700 Jahren europäischer Kulturgeschichte, Nomos, 2014

Links
mailto:dyserinck.lanaken@skynet.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be