2666

boek vrijdag 01 mei 2009

Roberto Bolano

Wil je vandaag kunnen meepraten op een receptie of een babyborrel dan moet je Roberto Bolano gelezen hebben, en meer bepaald zijn magistrale roman 2666, een boek over de gruwel van Mexico, de zoektocht naar een Europees verleden en het lot dat ons allemaal te wachten staat.

Met schrijvers die hun carrière aan hun ouders te danken hebben kun je de straat leggen. Steunden ze hun kroost niet door dik en dun, en fluisterden ze hen in tijden van nood geen bemoedigende woordjes toe, dan rosten ze hun jongens en meisjes bij tijd en wijlen stevig af, waardoor er een huizenhoog psychisch complex kon ontstaan. Beide blijken even goed te werken. Kinderen die hun ouders daarentegen aanzetten tot het produceren van klassieken uit de wereldliteratuur zijn er echter veel minder. Om eerlijk te zijn zouden we zelfs zo een twee drie niemand weten, tenzij Roberto Bolano natuurlijk, het enfant terrible van de Chileense literatuur dat op zijn zevenendertigste vader werd en besefte dat aan zijn leven van hopeloos vertier en het op papier zetten van al even hopeloze poëmen maar eens een einde moest te komen.

Na zijn meer dan een decennium durende zwerftocht doorheen Europa, waarbij hij van de hand in de tand leefde en hij zijn gezondheid zo verwaarloosde dat hij een of meerdere van die tanden achterliet op iedere tijdelijke pleisterplaats - een beetje zoals Klein Duimpje het deed met broodkruimeltjes - was hij in het Catalaanse Blanes gestrand. Hij had er een vrouw leren kennen en samen stichtten ze een gezin. Met proza, zo wist Bolano, viel er wel degelijk iets te verdienen, dus gooide hij zich op het schrijven van korte verhalen die hij naar alle mogelijke wedstrijden instuurde onder verschillende titels. Af en toe won hij, wat hem een mager bestaan garandeerde, en waardor hij uiteindelijk door een uitgever werd ontdekt.

Beweren dat Bolano zijn carrière volledig aan zijn zoon te danken heeft, is echter te kort door de bocht. Rond de tijd van de geboorte van zijn zoon kreeg de schrijver immers ook te horen dat hij aan een fatale leverziekte leed. Lang zou hij niet meer leven, wist hij, en als hij zijn sporen in de wereldliteratuur wou nalaten diende er dus iets te gebeuren. En er gebeurde iets, want toen Bolano in 2003 op zijn vijftigste stierf was hij in Latijns-Amerika even beroemd als berucht, en de rest van de wereld zou niet veel later volgen. Vandaag is Bolano wereldwijd een fenomeen, een figuur die net als Sebald en Murakami op heel korte tijd een schrijver is geworden die je gelezen moet hebben wil je nog kunnen meepraten op recepties en babyborrels. Verantwoordelijk daarvoor is vooral één roman, het pas vertaalde 2666, een bakbeest van 1100 pagina’s waar de schrijver tot de laatste dag aan gewerkt heeft. Het boek bestaat uit vijf delen die - mits enig betekenisverlies natuurlijk - ook afzonderlijk gelezen zouden kunnen worden. Bolano wou die delen trouwens ook afzonderlijk laten uitgeven, ieder jaar een boek, zodat het inkomen van zijn zoon en dochter verzekerd zou zijn. Zijn weduwe stak daar gelukkig een stokje voor en maakte dat we het boek in zijn geheel kunnen lezen.

Dat Bolano zou uitgroeien tot een schrijver die vandaag in een adem genoemd wordt met Gabriel García Márquez en Mario Vargas Llosa lag aanvankelijk niet voor de hand. Daarvoor was hij een te grote rebel en legde hij te weinig respect aan de dag voor die twee illustere voorgangers wiens magisch realisme hij conservatief en oubollig vond. Márquez had iets te vaak gekoketteerd met zijn liefde voor Fidel Castro om geloofwaardig te zijn, vond Bolano, en dat Vargas Llosa een liberaal presidentskandidaat was geweest compromitteerde hem meteen ook. Bovendien vond hij die mannen veel te nationalistisch denken. Mijn nationaliteit is mijn taal zei hij wel eens, of Zuid-Amerika, maar zeker niet Chili alleen. Hij sprak altijd over de Amerika’s, iets wat schrijvers van de jongere generatie, denken we maar aan Junot Diaz bijvoorbeeld, wel vaker doen.

Als jonge volwassene in Mexico City, waar hij vanaf zijn vijftiende woonde, stichtte hij samen met de dichter Mario Santiago de Movimento Infrarrealista de Poesia op, een anarchistisch schrijversgenootschap dat een mengeling van surrealisme en dadaïsme voorstond en dat in feite in het leven geroepen was om het werk van de grote Mexicaanse dichter Octavio Paz te contesteren. Ze deden niet liever dan zijn lezingen verstoren, opmerkingen roepen over zijn zwarte Cadillac en - het is slechts een keer gebeurd, maar het was wel een hoogdag uit het bestaan van de Movimento - een glas rode wijn over het witte hemd van de hulpeloze man kieperen. De Infrarrealista’s waren jong en wild. Ze zagen de smerige realiteit van Zuid-Amerika en ze wilden er wat aan doen, en dat wilden ze met de middelen die hen gegeven waren: pen en papier. Márquez had in een essay uit 1960 beweerd dat schrijven over de gruwel van de verdwijningen en folteringen waar heel de wereld schande over sprak gedoemd was te mislukken.

Een roman moet immers niet over de doden gaan, maar wel over de levenden, zei hij, en je kunt de oorlog wel op de achtergrond laten spelen, maar het zijn toch steeds de individuen waar je op moet focussen. Bolano vond dat klinkklare onzin en wou bewijzen dat je wel degelijk goede literatuur kon schrijven over het bloederige Zuid-Amerikaanse bestaan, wat hij bijvoorbeeld deed in de novelle Nocturno de Chile. In deze monoloog brengt de priester Sebastian Urrutia Lacroix het verhaal van zijn leven, over het moment dat hij door Opus Dei werd gecontacteerd om lid te worden van de organisatie en zijn gloriedagen als literair consulent van president Augusto Pinochet. Hij verkeerde in de hoogste kringen, werd overal geroemd om zijn eruditie en werd zelfs niet onpasselijk toen hij vernam dat in de kelders van het landgoed waar hij regelmatig salons bijwoonde politieke tegenstanders werden gemarteld. Nee, hij had nergens spijt van, besloot hij zijn bekentenis.

In tegenstelling tot nogal wat van zijn collega’s beschouwde Bolano de literatuur echter niet als een voldoende oorzaak om politiek relevant bezig te zijn. Het ging er niet om dat je schreef, maar wel wat je schreef was van belang. Neem nu de leviterende grootmoeders van mijn landgenote Isabel Allende, gaf hij dan als voorbeeld, de vrouw die niet alleen de intellectuele erfenis van haar oom Salvador opeiste, de president die door Pinochets toedoen vermoord werd, maar bovendien in een veilig en poepsjiek nest in Californië ging wonen. Hij vond haar niet meer dan een krabbelaartje dat niet boven kitsch en pathetiek uitraakte - waarop zij trouwens net na zijn dood repliceerde met de opmerking dat zij hem altijd een enge man had gevonden, en dat hij er door te sterven niet aangenamer op was geworden. Dat mens schreef dus wel volgens Bolano, maar de wereld werd er zeker niet beter van. Hoe dit mogelijk was, illustreerde hij in zijn eerste roman, La literatura nazi en América, wat in feite een denkbeeldige encyclopedie in Borgesiaanse stijl was waarin de grote en mindergrote fascistische schrijvers en filosofen uit de Zuid-Amerikaanse geschiedenis stonden opgelijst. Zuiver fictie natuurlijk, maar wel bijzonder grappig, en tezelfdertijd ook verontrustend, want zo’n encyclopedie toont inderdaad dat literatuur niet altijd progressief hoeft te zijn. De literatuur is geen heilige, ze is een hoer.

Ook al is hij heel wat later geconcipieerd, toch past de roman 2666 in deze politiek geladen literaire traditie. “Latijns-Amerika had het in zich om Europa’s ziekenhuis te worden, of zelfs Europa’s graanschuur,” zei Bolano ooit in een interview, “Maar het is anders uitgedraaid. We zijn de psychiatrische instelling van Europa geworden, een brutaal, verarmd en bijzonder gewelddadig gekkenhuis, maar als je bereid bent je ogen wijd genoeg open te trekken, zul je merken dat je tussen al die gruwel een schaduw van het Louvre kunt zien”. 2666 zou je met enige overdrijving de fantastisch geslaagde uitwerking van dit idee kunnen noemen, een roman van topklasse dus, die desalniettemin begint als een belegen mop.

Een Fransman, een Spanjaard, een Italiaan in een rolstoel en een Engelse wulpse dame gaan op zoek naar een grandioze, maar bijzonder schichtige schrijver. Benno von Archimboldi heet de man wat ongewoon voor een Duitser, en hij wordt steeds vaker genoemd als kandidaat voor de Nobelprijs. Het viertal literatuurwetenschappers wil de man kost wat kost vinden en hem een paar vragen stellen. Hij is voor het laatst gezien in het Mexicaanse Santa Teresa vernemen ze, dus gaan ze op pad, of toch drie van hen, want de Italiaan in zijn rolstoel blijft liever thuis. In het tweede deel maken we kennis met een professor filosofie die samen met zijn jeugdige dochter in Santa Teresa woont en zich stilaan zorgen begint te maken over zijn geestelijke gezondheid - hij hoort stemmen - en die dochter. Er doen immers vreemde geruchten de ronde en wat heeft die zwarte Cadillac te betekenen die al te vaak voor zijn huis staat? Deel drie speelt ook in Santa Teresa. Een zwarte Amerikaanse journalist moet een bokswedstrijd verslaan in het stadje. Hoe langer hij er echter verblijft, hoe meer hij er zich ervan bewust wordt dat er iets niet loos is. Hij hoort dat er al honderden vrouwen vermoord zijn, wordt binnengeleid bij een paar mensen die er meer van weten en smokkelt Amalfitano’s dochter uiteindelijk mee naar Amerika.

In deel vier, het langste en belangrijkste van de roman krijgen we een beschrijving te lezen van 108 vrouwenlijken, allemaal even koel en forensisch: naam, leeftijd bij hun dood, sporen van geweld, vermoedelijk moordwapen, de staat van hun kledij, of ze seksueel misbruikt zijn of niet, waar hun resten zijn gevonden en ga zo maar door. Het is een opsomming die ijzig maakt en door haar genadeloosheid op je inhakt als een bijl. Santa Teresa is immers niet zomaar een fictieve Mexicaanse stad ergens aan de grens met de Verenigde Staten. Voor deze stad heeft een echte model gestaan, Ciudad Juáres, tot de jaren 1990 een overslagplaats en sindsdien, na de invoering van de NAFTA-akkoorden, uitgegroeid tot een geografische Frankensteincreatuur. Heel wat Amerikaanse fabrieken met een hoge arbeidsintensiteit sloten meteen na het in voege komen van de akkoorden de deuren en begonnen net over de grens opnieuw, in Ciudad Juáres, waar ze soms maar 50 cent per uur hoefden te betalen en de vakbonden onbestaande waren. Aan arbeiders was er geen gebrek. Die kwamen toegestroomd uit heel Zuid-Amerika, samen met de drugshandelaars en het geweld. De stad is in meer dan een betekenis een grote open riool geworden. Krotten alom, autowrakken zo ver je kunt kijken en daar tussenin spelende kinderen en jonge meisjes, de ideale prooi voor perverten. Sinds ‘de grote stap voorwaarts’, zoals een cynicus deze verandering zou noemen, zijn er meer dan 400 vrouwen vermoord teruggevonden in Ciudad Juáres. Dat dit geen gewoon geval is van seriemoord, mag duidelijk zijn. Hier is macht, geld en heel veel corruptie mee gemoeid, en niemand spendeert er ook maar de minste aandacht aan, ook al ligt “het geheim van de wereld” erin vervat.

Het laatste deel van 2666 brengt ons weer naar Europa, waar we de levensgeschiedenis van Benno von Archimboldi te lezen krijgen, wat de schuilnaam blijkt te zijn van een Duitser die als jonge volwassene aan het Oostfront vocht en een man doodde met zijn blote handen. Tijdens zijn leven is hij getuige van de grootste gruwelijkheden en het smerigste verraad, en niets houdt hem tegen om grote literatuur te schrijven. De man had zichzelf een fabuleus leven aangemeten, iets wat Bolano trouwens zelf ook heeft gedaan menen nogal wat van zijn would-be biografen. Zo vertelde hij altijd dat hij tijdens de staatsgreep van Pinochet in Chili was en dat hij gevangengezet was wegens zijn verzetsdaden. Twee bewakers die ouwe klasmakkers waren zouden hem dan vrijgelaten hebben. Wellicht had hij zijn persoonlijke geschiedenis zo zien verlopen, maar alles wijst erop dat hij die befaamde 11e september 1973 veilig en wel in Mexico City zat.

Roberto Bolano had iets met detectives. In het laatste interview dat hij ooit gegeven heeft, aan de Mexicaanse editie van Playboy, zei hij bijvoorbeeld dat hij liever detective was geworden dan schrijver. Literatuur en geweld blijken bij hem ook uit hetzelfde psychische vaatje te tappen en het is de vraag in hoeverre hij het geweld in zijn fictie nodig had om te kunnen schrijven. Zijn boeken ontspinnen zich daardoor nogal eens als misdaadromans met een serieuze kronkel erin. Zijn andere grote roman - die binnenkort ook in het Nederlands verschijnt trouwens - Los detectives salvajes, is het verhaal van twee dichters die in de woestijn op zoek gaan naar een verwenen schrijver, twintig jaar lang over heel de wereld opgemerkt worden door Jan en klein Pierke en uiteindelijk zelf boven water gehaald worden door een detective, wat het klassieke verloop is van een Bolano-roman: de misdaad - of de verdwijning - wordt opgelost. Maar niet zo in 2666, een roman die zijn titel haalt uit een eerder boek van Bolano en verwijst naar een mistig kerkhof.

De literatuur van de Amerika’s drijft op twee oerboeken zei Bolano ooit, Huckleberry Finn en Moby Dick. De eerste is de ultieme bildungsroman, te vergelijken met Los detectives salvajes, dat Bolano zelf beschreef als een afscheid van het jeugdig idealisme, terwijl de roman van Melville over de ultieme strijd tegen het kwaad gaat, net als 2666. En die strijd blijkt nooit gestreden. Benno von Archimboldi wordt niet gevonden en uit zijn levensverhaal blijkt dat niet alleen Santa Teresa op een kerkhof uit het jaar 2666 lijkt, maar ook Europa, en bij uitbreiding de hele wereld. Mexico is dus inderdaad een gekkenhuis, en wie goed kijkt herkent er de schaduw van het Louvre in, maar wat we te zien krijgen is niet zo fraai: de kerkers van Piranesi, de zwarte schilderijen van Goya, de bizarre fantasieën van Kubin en de slachthuizen van Bacon.


Recensie door Marnix Verplancke



Deze tekst verscheen eerst in ‘Uitgelezen’, de boekenbijlage van De Morgen.

Roberto Bolano, 2666, Meulenhoff, 2009, 1101 p., 49,50 euro.

Links
mailto:marnixverplancke@skynet.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be