Boerenbloed

boek

Kees Kooman

Zuivel en vlees zijn luxeproducten. Voor een gezond dieet heeft een mens geen zuivel of vlees nodig. Wereldwijd groeit de vraag naar zuivel en vlees. Waarom krijgen zoveel mensenbaby’s koeienmelk en geen mensenmelk? Waarom drinken zoveel mensen, ook als zij allang geen baby meer zijn, koemelk? Veel mensen zijn lactose-intolerant, dat wil zeggen dat zij de melksuiker lactose niet kunnen verteren, waardoor darmklachten ontstaan. Waarom dan toch zoveel zuivel? Het is haast niet te bevatten maar het mini-Nederland staat na Duitsland en Nieuw-Zeeland op de derde plaats van de ranglijst van zuivelexport.

De zuivelindustrie is enorm milieuvervuilend. De ecologische voetafdruk van zuivelproducten is groot. Dierenleed is endemisch voor de sector. Er is een groot gevaar van zoönose ziektes – ziektes die van dier naar mens over kunnen springen. Kortom: zuivel en vlees zijn producten die we niet nodig hebben en die meer lasten dan lusten opbrengen. Waarom gaat Nederland door met deze schadelijke sector?

In het boek Boerenbloed (2015) laat journalist Kees Kooman boeren en betrokkenen aan het woord over de Nederlandse zuivelindustrie. Het boek leest als een dystopie. ‘Koeien geven melk, omdat ze hun kinderen willen voeden. Daarop draait deze agrarische sector.’ In 2013 zijn er in Nederland 1,5 miljoen melkkoeien die zo’n 12 miljard liter melk leverden. Van de totale hoeveelheid van 73,2 miljard kilo stront van de Nederlandse veestapel, produceren koeien 55%. Op 1 april 2015 vervielen de Europees opgelegde melkquota en de verwachting is dat de productie met zo’n 30% zal toenemen.

Waarom is dat eigenlijk zo? Waarom gaan boeren opeens veel meer produceren nadat de limiet is opgeheven? Zijn de boeren nu dan armlastig? Is er meer melk nodig? Op beide vragen is het antwoord: nee. Maar de werking van de markt bepaalt anders. Er kan meer geld verdiend worden. Een multinational als Friesland Campina levert aan de wereldmarkt. Dat bedrijf beweert dat Nederland de wereld moet voeden met zuivel. De milieudruk van de intensieve zuivelproductie is thans al veel te hoog. Het laat zich raden wat er gebeurt als er nog meer geproduceerd wordt: nog meer mest, nog meer broeikasgassenuitstoot, nog meer ontbossing in Zuid-Amerika ten behoeve van de productie van diervoeder en nog meer dierenleed, want nog meer dieren.

Kooman woont in een oude boerderij het Friese dorpje Ee omringd door boeren. In zijn boek laat hij boeren, wetenschappers en politici aan het woord over de zuivelindustrie en de ophanden zijnde schaalvergroting met meer en grotere megastallen na de opheffing van het melkquotum. Kooman laat de boeren het meest aan het woord. Hij wil ‘de anonieme voeders van het volk een gezicht geven.’ Wat mist in het boek is de stem van dieren- en milieuactivisten. Er komen er een paar aan het woord: Johan van der Gronden, directeur van het WNF, Fred Wouters, directeur van de vogelbescherming, en Anja Hazekamp, Europarlementariër voor de Partij voor de Dieren. De Nederlandse Vereniging voor Veganisme, die een campagne tegen melk (‘Melk, je kan zonder’) voert, komt niet aan het woord. Milieuactivisten worden door boeren beschouwd als terroristen, schrijft Kooman.

Hoewel Kooman sympathiseert met de boeren, maakt hij zich zorgen over de milieu-impact van de zuivelindustrie. Het boek biedt een antropologische perspectief op de hedendaagse zuivelboer. ‘De meeste boeren die ik sprak, heb ik leren kennen als natuurliefhebbers.’ Dat is een wonderlijke uitspraak. Kooman analyseert dat boeren weliswaar naar eigen zeggen dierenliefhebbers zijn, maar ‘die wel of niet bewust meegezogen worden door een meedogenloos systeem.’

Er is een machtige zuivellobby in Nederland. Zo was er jarenlang het systeem van schoolmelk waarbij kinderen werden aangemoedigd om melk te drinken, tenminste drie glazen per dag. Ik weet nog dat ik veel complimenten kreeg wanneer ik zei dat ik meer dan één liter melk per dag dronk. Het geloof in de gezondheidseffecten van melk was rotsvast: hoe meer melk hoe beter. Een wetenschappelijke onderbouwing voor deze claim is er niet. Eerder het tegenovergestelde: dat melk helemaal niet gezond voor je is. In ieder geval is een goede gezondheid – inclusief (top)sport prestaties niet afhankelijk van zuivelproducten. Het lijkt mij evident immoreel als marketing wordt gebruikt alleen voor economisch gewin, niet gebaseerd op feiten. Dat is misleiding. Nederland wordt misleid door de immoraliteit van de marketing en de economische belangen die dat bevorderen.

Dieren in de veeteelt worden instrumenteel behandeld. Koeien zijn melkmachines. Vergeleken met 50 jaar geleden leveren koeien thans twee keer zoveel melk. Koeien kunnen tussen de 8.000 en 12.000 liter melk per jaar leveren. De koeien zijn hierop gefokt. Alles is gericht op een maximale melkproductie. Als de melkproductie van een koeien afneemt, wordt ze afgevoerd naar het slachthuis. Om de melkproductie op gang te houden, worden koeien kunstmatig zwanger gemaakt. Zodra het kalf geboren is wordt het bij de moeder weggehaald. Dan wordt het kalf handmatig de fles gegeven met de koemelk (biest).

Moeder en kind loeien hard als ze van elkaar gescheiden worden. Een vrouwelijk kalf wordt opgefokt voor melkkoe, een stier wordt verkocht en opgekweekt voor vlees. Weidegang van koeien wordt steeds minder. Het merendeel van alle melkkoeien staat (bijna) altijd op stal. ‘Na de bevalling (draagtijd: negen maanden) mag de moeder even ruiken aan het nieuwe kind, de bloedresten van de placenta aflikken, waarna op de meeste boerderijen de scheiding volgt. […] Meteen na de bevalling is de productie (lactatie) het hoogst, om dan langzamerhand af te nemen tot de volgende bevalling.’

Ik citeer een passage die tekenend is voor de morele afstomping van de boer: Maar het gebeurt ook wel dat – bij het weghalen van een pasgeborene – het moedergevoel diep weggeborgen natuurkrachten oproept, waarbij je maar beter je zo snel mogelijk uit de voeten kan maken. ‘Stierengedrag,’ noemt Geert Kroodsma het. ‘De moeders vreten je op, worden helemaal gek.’ De kop gaat omlaag, met de poten maakt het woedende dier bewegingen, alsof ze zich opmaakt voor een aanloop. Dan kunnen er ongelukken gebeuren. De jonge boer vindt het eigenlijk wel mooi, dat oerinstinct. ‘Het laat ook zien, hoe gezond de koe is.’

De MKZ crisis in 2001 heeft diepe indruk gemaakt op de boerengemeenschap. Er was een uitbraak van de zeer besmettelijke ziekte Mond-en-klauwzeer waarbij de maatregel werd genomen dat (mogelijk) besmette boerderijen in het geheel geruimd werden, ook wanneer het om gezonde dieren ging. ‘Mannen in witte pakken verschenen helaas niet alleen in nachtmerries. Voor iedereen die het heeft gezien, vormen de hijskranen met de bungelende karkassen een beeld dat zich niet of moeilijk van het netvlies laat verdrijven.’ Maar waarom? Alle dieren op een boerderijen eindigen hun leven in de slachterij. Het verschil is dat de dieren nu door dierenartsen in witte pakken met een spuit werden gedood. Ze hoefden niet op transport. En dat alle dieren in één keer werden gedood. De publieke verontwaardiging om het ruimen was groot. Maar waarom? Voor dieren was er niks ergers dan hun te wachten stond. Hooguit werd hun leed bespaard. De beelden van het doden van dieren en de karkassen stonden in de kranten. Foto’s van diertransporten en slachthuizen halen zelden de krant. Er was sprake van niet goed doordacht sentiment. Wie echt geraakt was door het leed en doden van dieren zou veganist moeten zijn.

Het landschap is de afgelopen 50 jaar ingrijpender gewijzigd dan ooit te voren. Na de hongerwinter van 1944, was de politiek vast besloten om honger uit te bannen. De voedselproductie moest gemoderniseerd en geïndustrialiseerd worden. Bij de door overheidswege georganiseerde ruilverkaveling werd het landschap verdeeld in rechte stukken landen waarbij boeren zoveel mogelijk aaneengesloten stukken land kregen toebedeeld. Kooman spreekt over ‘de grootste facelift van het landschap.’ Kromme slootjes en wegen werden rechtgetrokken. Het idyllische landschap transformeerde in korte tijd tot de desolate groene woestijnen van Engels raaigras waar geen bloem op groeit. De boerendorpjes transformeerden mee in de modernisering waarbij de lokale winkeliers het onderspit delfden voor de grote supermarkten. Geert Mak beschrijft deze transformatie in zijn boek Hoe God uit Jorwerd verdween (1996).

Amateurhistoricus Douwe Zwart herinnert zich de tijd voor de ruilverkaveling: ‘Het gebied zat vol met slingerende slootjes, waarin je de roerdomp kon horen roepen. En die waterlopen lagen in 1970 nog precies hetzelfde als in 1560. […] Boerenslootjes met kikkers, honderden verschillende bloemen en kruiden, kronkelende waterlopen – allemaal weg. Voorgoed verdwenen. Waterstanden dusdanig geregeld dat de zware landbouwmachines zo vroeg mogelijk aan het werk kunnen.’ De idylle van het platteland is niet allen verstoord door de ruilverkaveling, maar ook door de nieuwe (maai)technieken en gewassen. Het aantal kruiden en bloemen in de wei is drastisch afgenomen. Ook het aantal soorten weidevogels is teruggelopen. De grutto komt bijna niet meer voor. Ganzen zijn er wel, die houden van raaigras. De kwetterende geluiden van (weide)vogels behoren tot het verleden: de natuur is stil gemaakt. ‘Geen boter- of paardenbloem meer te bekennen op dat groene asfalt. Van het oorspronkelijke kruidenrijke en fleurige boerenland van voor de grootscheepse ruilverkavelingen is nu nog maar 4 procent over. De enorme productie, gemiddeld vijf maaibeurten ging geheel ten koste van de biodiversiteit.’

Professor Jan Douwe van der Ploeg, die hoogleraar rurale sociologie in Wageningen was, laat een ander geluid horen: ‘Zullen we op alle lekkere zuiveldingetjes in de schappen van de supermarkten schrijven: geproduceerd op de meest vervuilende manier?’ De uitbuiting van de dieren moet er dan ook bij vermeld worden, meen ik. Van der Ploeg merkt op over de Nederlandse zuivelindustrie: ‘We doen iets dat op mondiaal niveau heel onverantwoordelijk is.’ Een van de geïnterviewden is Frank van Ooijen, corporate director sustainability communication van Friesland Campina. Over de zuivelindustrie zegt hij: ‘Het is een markt die groeit en bloeit en vele kansen biedt.’ Ik was eens met hem op de radio in een interview over duurzaamheid. Het ging er nogal heftig aan toe, want ik verweet hem dat Friesland Campina ten eerste niet duurzaam kan zijn vanwege de enorme ecologische impact van zuivelproductie en ten tweede dat de intensieve veehouderij een holocaust voor dieren is. Dat viel zoals te verwachten was niet goed. Van Ooijen wordt omhelst door mensen die geloven in innovatie en duurzaamheid. Het carnistische paradigma zelf wordt niet ter discussie gesteld. De enige manier om Friesland Campina duurzaam en ethisch te maken is om de deuren te sluiten.

Het concept van dierenrechten staat ver af van de boer. Dieren hebben op deze boerderij geen rechten. Ik bepaal wat ermee gebeurt. Maar als je dieren hebt, heb je ook de verplichting om ze goed te verzorgen. Echter een verplichting tot het laatste moment waarop het dier onder je hoede is. Dat zorgen voor dieren is wel heel instrumenteel, zoals een slavenhouder er verstandig aan doet goed voor zijn slaven te zorgen om ze productief te houden. Dat zorgen van de boer betekent ook dat hij bepaalt wanneer de koe naar het executieterrein wordt gezonden. ‘Wie voor dieren geen gevoel heeft’, zo merkt een boer op, ‘is echt ongeschikt voor het werk.’ Het zal te maken hebben met het inlevingsvermogen van een psychopaat – die kunnen zich goed in hun slachtoffers inleven, maar ze zijn niet met hen begaan. Precies zoals boeren met hun vee omgaan.

Een andere boer schrijft: ‘Je bent in de eerste plaats een vriend van de natuur.’ Ook dat is een wonderlijke liefde, want de intense veeteelt staat op gespannen voet met het milieu. Het landschap van de intensieve veehouderij is een groene woestijn met een lage biodiversiteit. Een boer merkt op: ‘[…] een boer mag toch wel streven naar een goed belegde boterham?’ Deze opmerking toont dat de belevingswereld van de boer zich in een moreel vacuüm bevindt. Zolang anderen geen schade wordt berokkend is er niks verkeerd aan het verdienen van ‘een goed belegde boterham’, maar dat is wel een morele randvoorwaarde. Boeren denken eendimensionale in het alomtegenwoordige (neoliberale) economische paradigma: ‘Je moet als boer die zelf wil overleven een behoorlijke afstand – laten we zeggen een financieel verantwoorde kijk – ten opzichte van je dieren houden. Anders kun je de tent wel sluiten.’

Biologische melkveehouderijen die iets minder milieu- en dieronvriendelijk zijn, zijn er wel: 366 op een totaal van 18.600 bedrijven. Minder dan 2%. Het overgrote deel van alle zuivel is zodoende niet biologisch. De zichtbaarheid van biologische producten is disproportioneel; het is een wensbeeld dat de consument zich voorhoudt. Anja Hazekamp, Europarlementariër namens de Partij voor de Dieren, probeert via politieke weg de intensieve veehouderij te bestrijden en uit te bannen: ‘We moeten terug naar de bron: een systeem aanpakken dat aantoonbaar niet duurzaam is en dus fout. Niet wachten op de rampen die de varkens- en kippensector aan de rand van de afgrond hebben gebracht, ook na een adembenemende race van groot, groter, grootst. Tot ze figuurlijk bijna stikten, of bijna letterlijk in het geval van omwonenden door de gevolgen van Q-koorts.’ Hazekamp stelt voor om de miljarden landbouwsubsidie vanuit de EU in te zetten naar een omschakeling naar biologische landbouw. Ik zou eraan toe willen voegen: en alleen biologische landbouw, geen veeteelt, ook niet kleinschalig.

Kooman die met welwillende blik begon aan zijn journalistieke project om de ‘voeders van het volk’ te portretteren komt tot een zeer negatieve en verontrustende conclusie: ‘In 2050 moet de aarde twee keer zoveel voedsel produceren. […] De landbouw gebruikt 70 procent van het zoet water, is de belangrijkste oorzaak van het verlies van biodiversiteit en zorgt voor overbemesting voor dode zones in zeeën en stervende bossen. Vermenigvuldig dat met twee en je stevent af op…. een Apocalyps, inderdaad.’ Hij is bij een nieuwjaarsreceptie 2015 voor boeren waar er een wedstrijd frikadellen eten was. De winnaar vrat er 10 in een kwartier.

Hoe is het mogelijk dat deze horrorindustrie bestaat en blijft bestaan? Zolang consumenten niet ethisch consumeren, zal deze geïnstitutionaliseerde morele blindheid in stand blijven en zal de schuldvraag van hot naar her worden doorgeschoven. Consumenten moeten zelf verantwoordelijkheid nemen. Een plantaardig dieet biedt een oplossing voor al de bovengeschetste problemen. De oplossing ligt letterlijk voor onze neus: we kunnen kiezen, vandaag nog, of we deel willen blijven uitmaken van het probleem, of deel zijn van de oplossing. Het is hoogste tijd dat er meer over koetjes en kalfjes wordt gepraat. Ik hoop dat deze recensie met luid geloei ontvangen wordt.


Recensie door Floris van den Berg

Kees Kooman, Boerenbloed. Melkquota, megastallenen het verdwenen idyllische platteland, De Kring, 2015

Links
mailto:florisvandenberg@dds.nl
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be