Weg uit de leegte

boek vrijdag 02 december 2005

Gerard Bodifée

Een van de belangrijkste tendensen van de voorbije veertig jaar is ongetwijfeld de secularisatie, de ontkerkelijking en de afname van de religiositeit. Dat is geen waardeoordeel maar een vaststelling. Sommigen zien het als een pluspunt en zelfs als een noodzaak om samen te kunnen leven met mensen met diverse culturele en religieuze achtergronden.. Anderen bekijken het neutraler en beschouwen deze evolutie als een onvermijdelijk fenomeen van het toenemende individualisme, de welvaartstijging en het consumentisme. Maar nog anderen zijn er radicaal tegen gekant en noemen het een regelrechte verarming. De nieuwe generatie dreigt immers de band met de traditionele religie en haar rituelen te verliezen. Het wegkwijnen van het geloof in een zingevende werkelijkheid verzwakt volgens hen Europa. Met als concrete gevolgen vervreemding, zelfdoding en lethargie. Een van de pleitbezorgers van een spirituele nood van Europa is de wetenschapper en filosoof Gerard Bodifée. In zijn boekje Weg uit de leegte reflecteert hij over wat religie in wezen is. Zijn stelling is dat een menselijke cultuur zonder spiritualiteit binnen Europa ondenkbaar is.

Bodifée stelt vast dat het christendom in Europa op zijn retour is, terwijl religie in grote delen van de wereld alsmaar belangrijker wordt. Blijkbaar leven we nog steeds in de geest van Nietzsche die stelde dat God dood is, een stelling die in de loop van de twintigste eeuw met Auschwitz en Hiroshima als symbolen alleen maar werd versterkt. In West-Europa is godsdienst naar de private sfeer verdrongen ten voordele van de grondwetten die erboven staan. Volgens Bodifée zorgt dit voor een leegte. Het enige wat telt is blijkbaar het nu en dat staat in contrast met elke religie die het tijdelijke leven binnen een eeuwige werkelijkheid plaatst. Zo komt hij tot de stelling dat religie niet alleen zingevend werkt, maar ook bevrijdend. Met zijn essay wil Bodifée niet het instituut van de Kerk verdedigen – haar verstarde doctrine verdingt al lang de boodschap van de evangeliën – maar wel aantonen ‘dat Europa zich een teloorgang van de christelijke doctrine niet kan veroorloven’.

‘Zonder religie is het leven geen waarachtig menselijk leven’, schrijft Bodifée, waarna hij opsomt waarom dat zo zou zijn. Hij overtuigt niet echt. Overeenkomstig de falsificatietheorie van Karl Popper kan men deze stelling zelfs gemakkelijk van tafel vegen. Er zijn immers heel wat mensen te vinden die areligieus zijn en toch een volwaardig leven leiden. Mensen die zich gelovig noemen zouden volgens de auteur ook socialer zijn en minder crimineel gedrag vertonen en hij verklaart dit doordat elke religie vrede en verzoening verkondigt. Ook dit is heel betwistbaar. Heilige boeken inspireren gelovigen vaak tot wraak, geweld en vormen van onderdrukking binnen en buiten het gezin. De afwezigheid van een verwijzing naar het christendom in de Europese grondwet is de auteur dan ook een doorn in het oog. Voor hem is dit het bewijs dat het een constructie is die vastzit in materialisme en politieke opportuniteit. Dit is absurd. Naast de evidente toename aan welvaart heeft de Unie immers gezorgd voor vrede, vrijheid en verdraagzaamheid. En dat na tweeduizend jaar van strijd, geweld en doodslag in het christelijke Avondland. De auteur wijst naar de vele daklozen, de illegalen, de verwaarlozing maar ook naar de toenemende depressiviteit in onze contreien. Daarmee suggereert hij ‘dat het vroeger beter was’. Maar was dat zo? Waren er pakweg vijftig of honderd jaar geleden dan geen armen, eenzamen en depressieven? Meer nog, in die tijd leefden talloze mensen in materiële en geestelijke armoede, niet in het minst de vrouwen die zich toen massaal in een minderwaardige positie bevonden.

Bodifée probeert zijn stelling dat ‘de hedendaagse Europese samenleving zijn levenszin heeft verloren’ te staven aan de hand van de kunstrealisaties sinds de Eerste Wereldoorlog. Voor hem is kunst verworden tot ‘het produceren van lelijkheid en banaliteit’ en een vorm van zelfverachting van de mens tegenover zichzelf. Er wordt geen schoonheid meer gecreëerd zo orakelt hij, en hij verwijst naar al dat ‘lelijke’ van (de late) Picasso, Marcel Duchamps en Andy Warhol. Blijkbaar heeft de auteur nogal wat zaken uit het oog (en het oor) verloren. Wat immers met de muziek van Pietro Mascagni en Samuel Barber, de boeken van Gabriël Garcia Marquez en Umberto Eco, de films van Akira Kurosawa en Pedro Almodovar, de beelden van Alberto Giacometti en de kunstwerken van Anselm Kiefer, om maar enkele scheppers van schoonheid te noemen? Daarbij vergeet de auteur dat in de periode van pakweg Michelangelo of Mozart ook duizenden andere kunstenaars actief waren die we thans niet meer kennen, omdat ze gewoon niet goed waren of omdat ze omwille van (religieuze) dwang niet creatief mochten zijn. Ook in de toekomst zullen maar enkele van de actuele kunstenaars overblijven als representatief voor de huidige periode. Bodifées boek is doordrongen van pessimisme en een gebrek aan geloof in de mens. De enorme cultuurproductie die we momenteel meemaken is net het bewijs van de vitaliteit van Europa.

‘De christelijke religie is de religie die een absoluut vertrouwen stelt in de persoon van Christus’, schrijft Bodifée. Intrigerend is hier het woordje ‘absoluut’. In zijn boek Negen koffers beschrijft de Hongaarse schrijver Béla Zsolt hoe hij in het getto van Nagyvárad wekenlang naast een stapel joodse lijken lag. Toen nam Zsolt definitief afscheid van God. ‘Voordat Hij me definitief had verlaten, heb ik Hem uit de grond van mij hart de mantel uitgeveegd’, zo schrijft hij verbitterd. Hetzelfde lees je bij Elie Wiesel, Jean Amery, Paul Steinberg, Gitta Sereny, Isaac Singer, Jurek Becker, Tadeusz Borowski, Imre Kertész en zovele andere laatste getuigen van de shoah. Wat baatte dat ‘absoluut vertrouwen’ voor de miljoenen slachtoffers van een ideologie die doorheen gans Europa soldaten stuurde die een koppelriem droegen met de leuze ‘Gott mit uns’? Hoe moeten de laatste weerstanders van het getto van Warschau zich gevoeld hebben toen ze één voor één vernietigd werden door de christelijke ‘Übermenschen’? En wie kan ‘Hem’ nog absoluut vertrouwen als hij of zij in ziekte en pijn door het leven moet zoals de Franse filosoof Michel Onfray en zoveel miljoenen anderen. Zou er in de plaats van dat ‘absolute’ geen twijfel mogen bestaan?

‘Ook een bestaan waarin men het lijden ervaart, is goed’, zo schrijft Bodifée, want ‘alles wat bestaat is zinvol en dus goed’. Auschwitz zinvol? De genocide in Rwanda goed? De auteur is duidelijk in de ban van Gottfried Wilhelm Leibniz en Alexander Pope. Samen waren ze het erover eens dat alles wat voor kwaad doorgaat uiteindelijk bijdraagt tot het goede van een groter geheel. Het lijkt wel een gedachtegang om te zeggen dat geen enkel kwaad echt kwaad is en dan zou men elk ingrijpen tegen dat kwaad eigenlijk als goddeloos moeten beschouwen. Dus weg met het mededogen, weg met tolerantie en weg met de bescherming van diegenen die onderdrukt, vervolgd en vermoord worden. Dit kan de auteur niet bedoeld hebben, maar het is wel de logische conclusie van zijn eigen ‘absolute’ stellingen. Religies zouden de belangrijkste kracht zijn die mensen inspireren tot caritatief werk. Ook die stelling is betwistbaar. Filosofen als Adam Smith, Immanuel Kant en John Rawls hebben aangetoond dat mensen juist omwille van hun menszijn in staat zijn anderen te helpen. Net in het door de auteur spiritueel zo ‘leeg’ bevonden West-Europa wordt de grootste inspanning geleverd op het vlak van ontwikkelingshulp en kennen goed-doel-acties zo’n succes.

Bodifée kan zich een wereld zonder religies niet indenken en dat klopt. Velen zullen steeds in mythes geloven om het onverklaarbare een betekenis te geven. Maar juist die zekere onverklaarbaarheid maakt religie voor heel wat anderen net zo zinloos. Hij schrijft dat tal van prachtige gebouwen als de Taj Mahal, de tempel van Luxor, het Parthenon, de muziek van Bach en het Lam Gods van Jan van Eyck er zonder religie nooit zouden geweest zijn, maar hij vergeet dat juist door religies de bibliotheek van Alexandrië, de Boedha-beelden in Bamiyan en de WTC-torens in New York werden vernietigd, dat Salman Rushdie met de dood werd bedreigd en dat Giordano Bruno op de brandstapel terechtkwam. Natuurlijk zal de auteur dan zeggen dat die negatieve voorbeelden niets te maken hebben met echte religiositeit maar een – ook door hem – af te wijzen vorm van fanatisme. Maar werden die positieve voorbeelden dan wel met echte religiositeit gebouwd? De Taj Mahal kwam tot stand onder de Indiase heerser Shah Jahan die het liet bouwen ter ere van zijn overleden vrouw Mumtaz Mahal. De tempel van Luxor kwam tot stand door een legertje slaven die leefden onder Amenhotep III en Ramses II. En ook het Parthenon kwam tot stand met slavenarbeid.

In zijn slotstuk stelt de auteur dat een democratie een religie nodig heeft. Meer nog, voor hem heeft een coherente samenleving ‘een overheersend geloof’ nodig. Het is een bizarre kijk op een democratie en een overheersend geloof kan misschien wel zorgen voor coherentie maar zeker en vast ook tot onvrijheid, en dat is net wat in een democratie niet aanvaardbaar is. Wie de problemen tussen mensen met diverse culturele en religieuze achtergronden goed volgt weet dat enkel een seculiere moraal de basis kan vormen van een humane samenleving. Zoals de Nederlandse filosoof Paul Cliteur stelt, hebben we net nood aan een ‘universele seculiere moraal’ waarin een aantal fundamentele liberale grondrechten moeten waken over het recht op zelfbeschikking en de gelijkwaardigheid van elk individu. Pas door het loslaten van absolute aannames is vrede mogelijk. Wie daar anders over denkt moet zich de vraag stellen waarom er in Noord-Ierland, in het Midden-Oosten en in Kashmir zo hard gevochten wordt en waarom miljoenen vrouwen vandaag nog steeds behandeld worden als tweederangsburgers. Godverdomme.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Gerard Bodifée, Weg uit de leegte, Davidsfonds, 2005

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be