Tegen de angst

boek vrijdag 17 juni 2005

Ralf Bodelier

Europa zit in de greep van de angst. Dat hebben de referenda in Frankrijk en Nederland goed aangetoond. Ze illustreren de angst van de burger voor verandering, voor vernieuwing, voor globalisering en voor de toekomst. Nergens is die angst zo tastbaar als in Nederland. Na de aanslagen in New York en Madrid en de moorden op Pim Fortuyn en Theo Van Gogh zijn onze noordelijke buren bang. Bang voor nog meer aanslagen op hun vrijheid, op hun tradities en op hun culturele waarden. Het land dat decennialang als gidsland diende voor de rest van Europa, waar Nelson Mandela de bewoners kwam danken voor hun bijdrage aan de strijd tegen de apartheid en dat met zijn wetgeving inzake softdrugsgebruik, abortus en euthanasie tot een van de meest progressieve in de wereld werd aanzien, lijkt wel verkrampt. De angst om een stuk van hun welvaart te verliezen is allicht de belangrijkste reden waarom de Nederlanders zich massaal tegen de Europese Grondwet hebben uitgesproken. Het verrast niet alleen buitenstaanders. De vooraanstaande opiniemaker Geert Mak verwerpt in zijn essay Nagekomen flessenpost de cultuur van de angst en pleit voor een dynamiek van de hoop. Een andere opmerkelijke stem in het publieke debat is Ralf Bodelier. In zijn boek Tegen de angst pleit hij voor een principieel optimisme in deze donkere tijden. In een tiental essays rekent hij af met het romantische denken van religieuze radicalen, dweperige nationalisten en fanatieke anti-globalisten en moedigt hij verlichte mensen aan te kiezen voor een open samenleving. Want alleen een dergelijke samenleving is bestand tegen de uitdagingen van de 21ste eeuw.

Pessimisme is ‘in’. Burgers hebben angst voor moslims, werkloosheid, lagere pensioenen, criminaliteit, instortende ecosystemen, genetisch gemanipuleerd voedsel en een verlies van de eigen cultuur. Die angst wordt nog aangezwengeld door partijen, politici en opiniemakers die er garen bij spinnen. Daarmee scharen ze zich feitelijk aan de kant van de occidentalisten die ‘het liberale Westen, met zijn onzedige bevolking, zijn platte vermaak, zijn rationele en oneerbiedige wetenschappers, zijn oppervlakkige burgers en spotlustige atheïsten’ verwerpen. ‘Niet de Verlichting overheerst’, zo schrijft Bodelier, ‘maar de revolte tegen de Verlichting: de Romantiek’. Dat merk je aan de hernieuwde sympathie voor sterke leiders, voor mystiek en geloof, voor authentiek leven en voor overzichtelijke en idyllische gemeenschappen. Weg met de stad, leve het dorp, zo lijkt wel de boodschap. De auteur gaat er regelrecht tegenin. Voor hem is het vrije Westen de hemel op aarde, alhoewel nog niet de zevende hemel. Maar de grootste fout die we zouden kunnen maken is dat we onze vrijheid inleveren voor virtuele zekerheden. En hij verwijst naar Amartya Sen die stelde dat de vrijheid niet alleen de uitkomst is van ontwikkeling, maar ook de motor van alle ontwikkeling.

Bodelier heeft het niet begrepen op het cultuurrelativisme enerzijds en het monoculturalisme anderzijds. Het eerste is nog steeds bon ton bij de linkse elite die zich stoorde aan de film Submission part I van Theo Van Gogh en Ayaan Hirsi Ali. Die film is een aanklacht van mensonterende praktijken. Niet alleen van onderwerping aan een God maar ook van onderwerping van de moslimvrouw aan de moslimman, een lot dat meer dan een half miljard vrouwen in de islamitische wereld ondergaan. Maar hij past evenzeer voor het simplisme van de nieuwe patriotten die de Nederlandse identiteit als het nec plus ultra zien en die desnoods bereid zijn daarvoor de rechtstaat even op zij te zetten. ‘Vandaag strijden het ‘rechtse’ patriottisch correcte denken van de nationalisten en het ‘linkse’ politiek correcte denken van de multiculturelen om voorrang. En hoe ze elkaar ook naar het leven staan, op sympathie voor de vrijheid van individuen zijn beiden maar amper te betrappen’, aldus de auteur. Beide groepen wantrouwen duidelijk het individualisme en het universalisme. De geest van Jean-Jacques Rousseau en zijn principe van de ‘volonté générale’ maken blijkbaar weer opgeld. Want zowel binnen het cultuurrelativisme als het monoculturalisme wordt het individu ondergeschikt gemaakt aan de gemeenschap. ‘Iedereen die weigert de algemene wil te gehoorzamen, zal daar door de gemeenschap toe worden gedwongen’. Zowel in de Franse Revolutie (vooral onder Robespierre) als onder de Rode Khmers in Cambodja hebben we gezien tot welke drama’s dat kan leiden.

Bodelier wil het individu opnieuw centraal plaatsen. Dat doen cultuurrelativisten en monoculturalisten niet. Voor de eersten leven er in Nederland geen zestien miljoen individuen maar diverse autonome culturen waarbinnen de leden overgeleverd zijn aan de gebruiken binnen de groep. Voor de tweeden moet iedereen zijn eigenheid afwerpen en is de eigen dominante cultuur monolitisch, statisch en onwrikbaar. In feite komt dit neer op een vorm van fundamentalisme. Echte vrijheid houdt vrijheid van dwang in. Wat cultuurrelativisten en monoculturalisten beogen is ‘onderwerping als bevrijding’. Het is een geradicaliseerde vorm van positieve vrijheid waarin de mens zich overgeeft aan een ideaal. Heel terecht wijst de auteur erop dat ‘wie meent dat mensen alleen vrij kunnen zijn wanneer ze één duidelijk afgebakend doel nastreven, zal er al snel toe neigen dit doel algemeen geldend te verklaren’, waardoor vrijheid omslaat in gehoorzaamheid en zelfs tirannie.

Het doemdenken zit ook diepgeworteld bij heel wat milieuactivisten. Bodelier heeft het zelfs over ‘milieuterroristen’ zoals de actievoerders van GroenFront! die samenwerken met groepen als Earth Liberation Front en Animal Liberation Front. Zij keren zich doorgaans tegen de vooruitgang, de wetenschap, de techniek, het consumentisme en het nutsdenken. In die zin verzetten ze zich ook tegen het individualisme. Dat blijkt niet alleen uit het teksten maar ook uit hun daden. Zo vermeldt de auteur brandstichtingen, bommeldingen, het dicht lijmen van sloten, het ingooien van ramen, het saboteren van pinautomaten en het vernietigen van velden genetisch gemanipuleerde gewassen. In feite hanteren ze antidemocratische middelen om hun ideeën doorgang te doen vinden. En dan is er nog die moord op Pim Fortuyn door milieuactivist Volkert van der Graaf die vond dat de opkomende politicus met zijn ideeën ‘de democratie misbruikte’. Dus haalde hij de trekker over.

Ook in zijn bijdrage over ‘het moleculaire Europa’ wijst Bodelier op een toenemende angst binnen Europa. De val van de Berlijnse Muur zorgde voor een periode van onstuimig optimisme. Wie herinnert zich niet het grote enthousiasme waarbij duizenden mensen met hamers en beitels de gehate Muur aanvielen, een doorgang forceerden en de Oost-Duitsers met champagne verwelkomden. Decennialang hekelden we het communistische systeem dat haar bewoners verhinderde om vrij te zijn en om vrij te reizen. Mede door de brandhaarden in Afrika en het voormalige Joegoslavië zochten honderdduizenden vluchtelingen asiel in de Europese Unie. ‘Het Europese optimisme sloeg om in vrees’, zo schrijft de auteur. Nochtans is er voor hem één essentiële bestaansreden voor de Unie: Auschwitz. De verplichting die we ten aanzien van onze voorouders hebben om elkaar niet langer naar het leven te staan, maar via samenwerking te komen tot vrede en welvaart. Blijkbaar is dit voor de angstige romantische Europeaan niet meer voldoende, aldus Bodelier, die scherp aanduidt dat de diepste kloof die door Europa loopt ‘nog steeds de contouren van het voormalige Ijzeren Gordijn’ volgt. Maar dan wel een met wachtposten die ditmaal naar het Oosten zullen kijken, bevreesd voor de oprukkende ‘hordes’. Inderdaad, ook hier breekt het romantische verlangen naar een traditionele, monoculturele en eenduidige Avondland door.

Prikkelend is het essay onder de titel ‘De toekomst ligt in de Verenigde Staten’. Terwijl het anti-Amerikanisme in Europa enorme proporties aanneemt - vooral bij de linkse elite en de antiglobalisten - wijst Bodelier net op de ambitie van Bush voor een wereldwijde vrijheid. In zijn tweede inaugurale rede verdedigde de Amerikaanse president het principe van de vrijheid als de afwezigheid van dwang. Voor de auteur is deze aanpak offensief en optimistisch en tegelijk kosmopolitisch en universeel. Menige lezer zal hier de wenkbrauwen fronsen. De oorlog in Irak werd geen onverdeeld succes en of het Bush wel echt te doen was voor de vrijheid en niet voor de olie blijft alsnog onduidelijk. Maar Bodelier heeft wel een punt als hij schrijft dat de cynische houding ter linkerzijde uiteindelijk neerkomt op onverschilligheid en morele lafheid. Want wat deed Europa toen er in de Balkan een vreselijke oorlog woedde? Uiteindelijk waren het de Amerikanen die aan het moorden een einde maakten. In dat anti-Amerikanisme en antiglobalisme ziet de auteur ook een vorm van romantisme, namelijk ‘de ambivalente reactie van traditionele samenlevingen op de uitdagingen van de moderne tijd’. Zeg maar het missen van de trein van de vooruitgang. De uitslagen van de referenda in Frankrijk en Nederland vormen daar trouwens een bijkomend bewijs voor. De toekomst ligt volgens Bodelier juist in de globalisering. ‘De Kloof (tussen arm en rijk op wereldschaal) moet dicht’, zegt hij, en dat kan alleen door de globalisering een handje te helpen, slechte leiders te verwijderen en naast een militair leger ook een humanitair leger in te zetten.

Dat de hedendaagse mens een egoïstische cynicus zou zijn countert Bodelier met het feit waarop ze massaal financiële steun gaven na de tsunamiramp. Een generositeit die ze ook demonstreren voor andere grote en kleinschalige goede doelen. De auteur heeft het zelfs over een morele globalisering. We moeten de handen uit de mouwen steken en niet bij de pakken blijven zitten of terugplooien in ons eigen nest. Hij verwijst naar een andere tsunami, de overstroming van Lissabon in 1755, toen er ook twee visies bestonden tegenover de toenmalige ramp. Enerzijds diegenen zoals Leibniz en Pope die stelden dat deze wereld de best mogelijke is van alle werelden, dat ons lot in Gods handen ligt en dat we de gebeurtenissen alleen maar kunnen aanvaarden. Anderzijds Voltaire die stelde dat het juist de hoogste tijd is om deze wereld niet langer te accepteren als de best mogelijke van alle werelden, maar dat we haar moeten beschaven en cultiveren. Die botsing kwam ook tot uiting in de reactie op de ramp zoals beschreven door Susan Neiman. De toenmalige eerste minister van Portugal Pombal reageerde bijzonder ‘verlicht’. Hij liet zo snel mogelijk de doden begraven om epidemieën te vermijden, vorderde graanvoorraden om de hongersnood te bedwingen en begon snel aan de wederopbouw van de stad. Daartegenover stonden de jezuïeten die nieuwe aardbevingen voorspelden en de bevolking aanmaanden om boeten te doen voor hun zonden in plaats van zich bezig te houden met de wederopbouw.

Bodelier kiest resoluut voor de ‘verlichte’ weg. De mens heeft het uitroeien van het kwaad zelf in handen. We kunnen en mogen niet langer wegkijken voor het leed van de anderen. Juist door de toegenomen informatie via reizen, handel, internet en televisie kunnen en mogen we niet langer onverschillig zijn. Het optimisme is een morele plicht, schrijft de auteur, waarmee hij zich finaal keert tegen het pessimisme van de romantici en de lafheid van de cynici. En Bodelier is zelf optimistisch. Hij verwijst naar de toegenomen ontwikkelingshulp, de enorme vrijwillige bijdragen van mensen voor goede doelen, maar ook en vooral naar de wil naar vrijheid. In navolging van Fukuyama stelt hij dan ook dat ‘de liberale democratie ondanks al haar fouten toch het beste politieke model van alle denkbare politieke modellen is’. En de auteur eindigt met een waarheid zo groot als een huis, maar die steeds meer kankeraars niet meer kunnen of willen zien: “We hebben het nog nooit zo goed gehad. We kunnen het nog veel beter krijgen en dat geldt des te meer voor hen die vandaag nog geen fractie van onze vrijheid mogen smaken.” Dit boek is een lichtbaken in deze duistere Europese tijden.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Ralf Bodelier, Tegen de angst, Inmerc, 2005

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be