In 1996 publiceerde de Harvard-professor Daniel Jonah Goldhagen het boek Hitler’s willing executioners. Ordinary Germans and the holocaust, in het Nederlands vertaald als Hitlers gewillige beulen. Het vond een enorme weerklank. Terwijl Amerika en andere landen het boek onthaalden met gemengde gevoelens, reageerde het Duitse publiek erg welwillend. De Duitse vakhistorici dachten er evenwel anders over. Kort gezegd komt het erop neer dat volgens Goldhagen het antisemitisme bij de gewone Duitsers en de gewillig verleende hand- en spandiensten die ze verleenden aan de jodenvervolging veel omvangrijker en beslissender waren dan gedacht. In Wiens schuld? De impact van Daniel Jonah Goldhagen op het holocaustdebat worden de belangrijkste teksten met betrekking tot het debat dat losbarstte behandeld. Alvorens op de stellingen van Goldhagen en anderen in te gaan, is het nodig even de grote lijnen te schetsen van het Holocaust-debat vóór het verschijnen van Goldhagens boek.

Eigenlijk kan je dat debat samenvatten in twee theorische schema’s. Het eerste is het zogenaamde ‘intentionalisme’. Hitler en zijn directe medestanders hadden de intentie, het plan opgevat de joden te vernietigen, zagen het als de kern van hun politieke project en voerden het ook uit. Andere historici wezen er na grondig onderzoek op dat het nazi-regime een onontwarbaar kluwen van instanties en bureaucratieën vormde. Dit en de verschillende politieke en oorlogsomstandigheden waarin het regime terechtkwam, deden de invulling van het ‘jodenvrij’ maken van Duitsland en Europa verschuiven. Soms uit pure ‘praktische overwegingen’ moesten aanvankelijke projecten om de joden te verbannen naar bijvoorbeeld Madagascar wijken voor de uiteindelijke uitroeiing in de kampen. Deze ‘structuralistische’ theorie, die dus de nadruk legde op de complexe structuren van het Reich, kreeg de wind in de zeilen met Hannah Arendts boek over het proces Eichmann. Voor haar was Eichmann slechts een grijze bureaucraat die ‘technische’ uitvoering had gegeven aan orders. Ze had het over ‘de banaliteit van het kwaad’. Door de nadruk te leggen op een overheidsmachinerie waarin de enkeling slechts een anoniem functionerend radertje is, dreigt de individuele verantwoordelijkheid en de morele onderbouwing van het handelen wel uit het gezicht te verdwijnen.

Goldhagen legde daarentegen de nadruk op het eliminatie-antisemitisme van ‘de’ Duitsers sinds Luther en zelfs vroeger. Het zat volgens hem van meet af aan in de kern van de Duitse cultuur en mentaliteit ingebakken. Door de combinatie met het sociaal-darwinisme in de negentiende eeuw verhevigde het nog en wachtte het op uitvoering. Hitler zou met het oog op de jodeneliminatie in 1933 verkozen zijn. Andere factoren, zoals de economische crisis, waren secundair. Van meet af aan was er een plan om de eliminatie uit te voeren. Extrapolerend beweert Goldhagen dat honderdduizenden Duitser klaarstonden om als bereidwillige beulen Hitlers uitroeiingspolitiek uit te voeren. Drie case-studies over een politiekorps dat optrad als Einsatzgruppe die joden oppakten ombrachten, niet-SS’ers die optraden als bewakers van kampen en een commando dat een dodenmars op het einde van de oorlog moest begeleiden achtte hij representatief voor ‘de’ Duitse bevolking. Goldhagen is dus zowel extreem intentionalistich – de uitroeiing was van in het begin het plan van de hele Duitse bevolking – als structuralistisch, want door het collectieve ‘Duitse karakter’ kon haast geen Duitser zich aan deze mentaliteit en de eruit voortvloeiende politiek onttrekken.

Op enkele uitzonderingen na wijzen alle auteurs van wie teksten in de bundel Wiens schuld? zijn opgenomen erop dat Goldhagen geen oog heeft voor het antisemitisme in andere landen zoals Frankrijk, Oostenrijk en Rusland. Daar vertoonde het antisemitisme zich nog virulenter dan in het Duitsland van voor 1933. In het bezette Frankrijk was de medewerking van Franse instanties, groepen en personen trouwens bijzonder enthousiast. De laatste jaren komt dat meer en meer aan het licht. Zelfs in Nederland, waar nochtans geen hevig antisemitisme leefde, was het percentage van 75 procent weggevoerden op de daar totaal aanwezige joodse bevolking een absoluut record. Historicus en Vrij Nederland-journalist Chris Van der Heijden toonde in zijn boek Grijs verleden overtuigend de rol van de al te volgzame Nederlandse instanties aan. Goldhagens bewering dat ‘de’ Duitsers schuldig waren, stuit eveneens vrij algemeen op afwijzing. Er is in dat verband zelfs sprake van een omgekeerd racisme. De ‘eeuwige jood’, waar de nazi’s het over hadden wordt zo ‘de eeuwige Duitser’. De Amerikaanse historicus Christopher R. Browning had het al voor Goldhagen over ‘ordinary men’ die meehielpen aan de vervolging van de joden. Goldagen hanteert daarentegen steevast de omschrijving ‘ordinary Germans’. Tijdens de dodenmarsen van joden in Zuid-Duitsland aan het eind van de oorlog, waarbij de bewakers erg wreed optraden, waren er Duitsers die de joodse gevangenen eten wilden geven. Dat mocht echter niet van de bewakers. Het doorprikt inderdaad het eenzijdige beeld van ‘de’ wrede antisemitische Duitser.

Door teveel de nadruk te leggen op het zogenaamd specifiek Duitse antisemitisme en geen comparatieve aanpak toe te passen, verdwijnt het universeel perspectief van de mogelijke menselijke wreedheid. Hoe dan massamoorden verklaren in Bosnië, Rwanda en elders? Structuren en overal geldige antropologische patronen doen er wel degelijk toe. Bijvoorbeeld elementen als de druk van de groep, een sfeer van oorlog, vijandigheid en bedreiging hebben een rol gespeeld en konden dat later in een andere context ook doen. De ‘banaliteit van het kwaad’, de ontsporing van een overheidsmachinerie, het autonoom worden van legerstaven die het beleid beginnen dicteren of de overtuiging in het morele gelijk van het eigen volk vormden ook na de Holocaust nog een risico. Totalitaire staten zomaar willen vergelijken met democratieën, waar tegenspraak en controle mogelijk is en andere agenda’s bestaan, gaat dan weer veel te ver.

Bovendien is het antisemitisme in Duitsland veelvormiger en heeft het wel degelijk op- en neergaande periodes gekend. Ook waren er krachtige tegenbewegingen tegen zowel jodenhaat als het algemeen gebrek aan een democratische ingesteldheid in de Duitse politiek cultuur. In 1914 stonden de liberalen en socialisten aan de vooravond van een waarschijnlijke verkiezingsoverwinning die de oorlog verijdelde. Het had allemaal anders kunnen lopen.

Hoewel Goldhagens visie nogal eenzijdig lijkt en onvoldoende ingepast is in de bestaande bevindingen, heeft zijn studie toch een aantal verdiensten. Hij leverde inzicht in nog maar ’s bijzonder duistere dossiers van nazi-Duitsland. Vooral richtte hij de schijnwerpers op mensen die zich willens en wetens, zonder verplichting of bedreiging van bovenaf, overgaven aan ontzettende beestachtigheid tegenover medemensen. De Holocaust kan misschien niet begrepen worden zonder het tijdskader en de structuren van leger en administratie, maar het was toch veel meer dan dat. Jodenhaat was natuurlijk dé voorwaarde voor wat volgde. En die haat zat diep en was meer verspreid dan velen achteraf willen geloven. Uiteindelijk beslissen mensen toch voor zichzelf of ze tot onmenselijke daden overgaan of niet. Het doet weer nadenken over het gewicht van ethiek, tolerantie en met overtuiging ondersteunde mensenrechten én laat zien dat nog veel te onderzoeken blijft over de mogelijke afgronden van de menselijke natuur.


Recensie door Olivier Boehme


Rolf Binner (red), Wiens schuld? De impact van Daniel Jonah Goldhagen op het holocaustdebat, Van Reems-Uitgeverij en Standaard Uitgeverij, 1997, 263 pp.

Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be