Political Ideas in the Romantic Age

boek vrijdag 20 oktober 2006

Isaiah Berlin

Een jaar of vijf geleden, toen de Jong-Turken van de conservatieve revolutie hun stormloop begonnen tegen de cultuurrelativistische, hedonistische en nihilistische Linkse Kerk, ontving ik van een van hen een brief waarin hij nogal fel uithaalde naar de Britse filosoof en ideeënhistoricus Isaiah Berlin. Nu was hij aan het goede adres, want ik had verschillende malen, in overwegend positieve zin, over Berlin geschreven. Volgens deze conservatieve intellectueel was dat zeer ten onrechte, omdat Berlin stroperig schreef, simplistische denkschema’s hanteerde, slordig citeerde en zich bovenal blindstaarde op de ‘moderniteit’. Alsof er vóór de Renaissance, voor de opkomst van het scepticisme en relativisme, niets geschreven was wat de moeite waard was. Wat hij, als ik het goed begreep, Berlin vooral kwalijk nam, was dat hij geen coherent denksysteem, met duidelijk gedefinieerde begrippen had ontwikkeld, dat hij teveel om de hete brei heen draaide en steeds allerlei relativerende uitvluchten verzon.

Merkwaardig, want Graa Boomsma voerde hem in De Groene Amsterdammer, in een recensie van Simon Blackburn’s Filosofie van de waarheid (11.08.06), ineens op als ‘de antirelativistische denker Isaiah Berlin’. Volgens Boomsma was Berlin (1909-1997) van mening dat ‘de menselijke oerbehoeften en vermogens dwars door alle culturen heen’ niet echt veel van elkaar verschillen. ‘Vandaar dat Berlin ervan overtuigd was dat er universele waarden moesten bestaan.’ Hij snapt dan ook niet dat Blackburn, in zijn strijd tegen vermaledijde relativisten als Rorty, niet verwijst naar Berlin, die toch zijn leven lang zocht naar een ‘gemeenschappelijke morele horizon’.

Voor de een is Berlin dus een hopeloze relativist, voor de ander een grote antirelativist. Hoe kan dat? Tot op zekere hoogte is het natuurlijk Berlins eigen schuld. ‘Isaiah Berlin was a fundamentally unsystematic thinker,’ schrijft Joshua L. Cherniss. Berlin heeft zich op een groot aantal terreinen bewogen, maar nergens heeft hij zich gewaagd aan een synthese of een magnum opus. Qua temperament en stijl was hij een essayist en hoewel het in zijn werk niet ontbreekt aan enkele Leitmotive, heeft hij nergens een systematische doctrine geformuleerd. Niettemin vormen zijn essays over ideeëngeschiedenis, politieke theorie, geschiedfilosofie, analytische wijsbegeerte, Russische literatuur, de sociale wetenschappen en de geschiedenis van de Sovjet-Unie een samenhangend geheel.

Cherniss maakt zijn opmerking in het begin van zijn inleiding bij Political Ideas in the Romantic Age, het boek dat Berlin begin jaren vijftig schreef maar nooit voltooide, en dat in feite de “oertekst” vormt waaruit veel van zijn latere werk is afgeleid. Zelf duidde Berlin het manuscript aan als ‘de torso’, maar zijn onvermoeibare redacteur Henry Hardy, die vrijwel al zijn essaybundels heeft samengesteld en na zijn dood de ongepubliceerde teksten en correspondentie bezorgt, wijst erop dat die metafoor onjuist is. Wanneer deze tekst een torso zou zijn, zou het logisch zijn geweest dat Berlin hem in de veertig jaren erna had opgetuigd met allerlei ledematen. In plaats daarvan heeft hij er allerlei delen uit losgewrikt en omgewerkt tot zelfstandige publicaties. In een noot schrijft Hardy ironisch dat hij met belangstelling uitziet naar een studie met als titel: De torso als steengroeve. Het intellectuele autoparasitisme van Isaiah Berlin.

Gezien het feit dat Berlin geen afgeronde theorie heeft afgeleverd en niet meer dan één ‘echt’ boek heeft geschreven, lijkt alle aandacht voor hem nogal overdreven. Niet alleen geeft Hardy ongeveer elke snipper papier uit die Berlin ooit heeft beschreven, ook is er inmiddels een forse reeks boeken en een enorm aantal artikelen over hem geschreven. De Poolse filosofe Beata Polonowska-Sygulska had reeds een boek aan hem gewijd (Filozofia wolnosci Isaiaha Berlina, Krakow 1998), maar heeft hieraan nu een bundel toegevoegd die bestaat uit de correspondentie en de gesprekken die ze tussen 1983 en 1997 met hem heeft gevoerd, plus een aantal artikelen over aspecten van zijn werk. In haar artikel over de verschillende visies die Berlin en Friedrich Hayek hebben ontwikkeld op het begrip vrijheid, wijst Polonowska-Sygulska op het merkwaardige gegeven dat de wetenschappelijke aandacht voor Hayek veel geringer is dan die voor Berlin. En dat terwijl de beroemde Oostenrijkse econoom en politiek filosoof wél een systematisch oeuvre heeft geschreven en bovendien door zowel liberalen als conservatieven wordt geclaimd als intellectueel boegbeeld. Bij de vuistdikke, zorgvuldig gecomponeerde en soms meerdelige boeken van Hayek steken de ogenschijnlijk achteloze, wat slierterige essays van Berlin toch wat mager af.

Eigenlijk bestaat Berlins bijdrage aan de politieke filosofie en de ideeëngeschiedenis uit zijn ideeën over het begrip ‘negatieve vrijheid’ en de notie van het waardenpluralisme. Onder negatieve vrijheid verstond Berlin de afwezigheid van dwang, de mate waarin de individuele burger beschikt over een privé-domein, waarin de staat niet mag interveniëren en het individu zelf zijn keuzes mag maken. Er bestaat echter ook nog het concept ‘positieve vrijheid’, de vrijheid om zichzelf te ontplooien, om meester te zijn over zichzelf, om een ‘vol’ leven te leiden. De burger die door de overheid met rust wordt gelaten, die zelf kan bepalen hoe hij zijn leven inricht, maar die niet te eten heeft of die verslaafd is aan drank of porno, die burger is volgens de theoretici van de positieve vrijheid niet echt vrij. Hij is immers het slachtoffer van de omstandigheden of de slaaf van zijn aandriften. Hij leidt geen ‘vol’ leven.

Berlin heeft nooit ontkend dat negatieve vrijheid niet meer is dan een minimumeis, dat een positieve invulling van die vrijheid belangrijk is, maar hij heeft wel altijd gewezen op de gevaarlijke implicaties van elke poging om te definiëren hoe die positieve vrijheid eruit moet zien. Wie bepaalt immers of ik wel uit mijn leven haal wat erin zit? Wanneer anderen gaan bepalen hoe ik mijn leven moet inrichten, wat blijft er dan over van mijn individuele vrijheid? Om misverstanden te voorkomen: Berlin zegt niet dat er nooit ingegrepen mag worden in het leven van een burger. Iemand die aan een psychische stoornis lijdt of die zwaar verslaafd is, moet soms ‘voor zijn eigen bestwil’ een behandeling ondergaan, ook als hij dat niet wil. Maar, zegt Berlin, noem dat dan geen vrijheid, maar wat het werkelijk is: dwang.

In haar bundel gaat Polonowska-Sygulska in op de vele haken en ogen die er aan Berlins opvatting van vrijheid zitten, en op de vele kritiek die er op is geleverd. Interessant zijn vooral de brieven die ze met hem wisselt. Wanneer ze doorvraagt naar aspecten van zijn werk die niet helemaal helder zijn, dan antwoordt hij vaak in de trant van ‘ik denk dat’ of zelfs ‘ik geloof dat ik denk dat…’ Dat komt misschien gemakzuchtig over, maar het is wel kenmerkend voor zijn open, tastende manier van denken en schrijven. Alleen al op grond daarvan is hij moeilijk een “antirelativist” te noemen. Dat geldt helemaal voor zijn opvattingen over het waardenpluralisme. Waarden zijn volgens Berlin onvergelijkbaar en vaak ook onverenigbaar. Wat dat laatste betreft spreekt de eeuwige spanning tussen “vrijheid’ en ‘gelijkheid’ boekdelen. Met de onvergelijkbaarheid van waarden bedoelt Berlin dat er geen universele rangorde van waarden valt vast te stellen. In sommige culturen neemt bijvoorbeeld “eer” een veel hogere plaats in dan “rechtvaardigheid”, terwijl dat in onze cultuur weer omgekeerd is. Ook binnen een samenleving zal niet iedereen dezelfde rangorde hanteren.

Toch is Berlin evenmin een relativist. Hij geloof immers wel in het bestaan van een ‘minimum aan zo goed als universele waarden’. Er zijn tegenwoordig immers nog maar weinig voorstanders van slavernij, gaskamers of de plicht van kinderen hun ouders aan te geven wanneer zij zich kritisch uitlaten over het regime. Maar, zoals uit dit voorbeeld blijkt, ook deze ‘bijna universele’ waarden zijn historisch gegroeid en dus niet onveranderlijk. Doordat Graa Boomsma in zijn recensie van Blackburn’s boek Berlin een ‘antirelativist’ noemde, wekte hij de indruk dat Berlin tot het kamp der ‘absolutisten’ behoort. In dat geval zou hij niets moeten hebben van alle relativerende opmerkingen over rede, waarheid, kennis, objectiviteit en dergelijke. Dan zou hij geloven dat de waarheid en de ratio de eenduidige richtingwijzers vormen die ons door het leven moeten loodsen. Je hoeft niet zo heel lang in Berlin’s werk te lezen, om te weten dat niets minder waar is.

Maar als hij geen relativist en geen antirelativist genoemd kan worden, waar staat Berlin dan? Heeft hij ons dan überhaupt wat te zeggen? Dat hangt natuurlijk af van wat je wilt horen. Voor de conservatieve ideoloog, die op zoek is naar een afgerond wereldbeeld dat een alternatief vormt voor de intellectuele verwarring die kenmerkend is voor de moderniteit, is Berlin een hopeloos geval. Op een vraag geeft hij zelden een eenduidig antwoord, meestal komt hij zelfs met twee nieuwe vragen. Wie zich daarentegen bewust is van de voortdurende veranderlijkheid van onze cultuur, van ons denken en zelfs van onze waarden, vindt bij Berlin veel dat de moeite waard is. Juist door zijn afkeer van systematiseren, door zijn essayistische aanpak, door zijn voortdurend rondjes draaien om dezelfde vraagstukken, biedt hij vaak nieuwe inzichten en stimuleert hij vooral tot zelf nadenken. Het is volgens mij geen toeval dat zijn ongeveer vijftig pagina’s tellende oratie Two concepts of liberty uit 1958 meer reacties oproept dan de duizenden pagina’s die de systeembouwer Hayek heeft volgeschreven.


Recensie door Rob Hartmans




Isaiah Berlin, Political Ideas in the Romantic Age: Their Rise and Influence on Modern Thought, Chatto & Windus, 292 blz., € 42,95. Isaiah Berlin & Beata Polanowska-Sygulska, Unfinished Dialogue. Prometheus Books, 317 blz., € 26,75

Links
mailto:egbert@liberales.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be