Marco Polo

boek vrijdag 12 juni 2009

Laurence Bergreen

Tot de opkomst van het christendom en later de islam met hun universele ambities, konden filosofen, wetenschappers en dichters redelijk vrij hun gang gaan. Daarna veranderde het. In 380 maakte keizer Theodosius het christendom tot staatsgodsdienst en in 392 verbood hij alle heidense rituelen. Later vernietigden lokale bisschoppen heidense tempels en bibliotheken, en vervolgden ze andersdenkenden, filosofen en wetenschappers. Het gevolg was dat het denken in het Westen tot stilstand kwam. Het zou meer dan duizend jaar duren alvorens men opnieuw de vaste paden durfde te verlaten en men de oude geschriften zou herontdekken. Gedurende al die tijd moest men de kerkelijke dogma’s volgen en mocht men niet afwijken van ideeën die in strijd waren met de Heilige teksten. Men hield vast aan onveranderlijke wetmatigheden zoals die van Augustinus op het vlak van de theologie, van Galenus op het vlak van de geneeskunde, en van Ptolemaeus op het vlak van de astronomie. De aarde werd beschouwd als plat en - in het bijzonder de streek rond de Middellandse Zee - als het middelpunt van het heelal. Buiten Europa, een deel van Azië en Noord-Afrika had men nauwelijks kennis van de rest van de wereld. De bloeiende beschavingen tijdens de Oudheid verdwenen grotendeels tijdens de Middeleeuwen. Pas in de dertiende eeuw kwam er een schuchter ontwaken, vooral door de toenemende handel tussen Venetië en Genua en het Oosten. De onbekende landen en continenten met hun vreemde gewoontes trokken avonturiers aan.

Een centrale rol hierin speelde Marco Polo, allicht de meest bekende ontdekkingsreiziger die meer nog dan Bartolomeus Dias, Christoffel Columbus, Vasco da Gama, Ferdinand de Magelhaes en Giovanni Caboti tot de verbeelding spreekt. Samen met zijn vader en oom trok hij in het voorjaar van 1271 langs de Zijderoute naar China waar hij kennis maakte met de Mongoolse leider Koebilai Chan, allicht de machtigste man van die periode. Over de vermaarde ontdekkingsreiziger schreef Laurence Bergreen het fascinerende boek Marco Polo. Daarin reconstrueert hij niet alleen de befaamde reis maar gaat ook in op de toenmalige ontwikkeling van Venetië als een welvarende stadsstaat, de verhouding tussen de diverse godsdiensten, de geschiedenis van het Mongoolse rijk en de latere impact van deze ontdekkingsreis op Europa. Interessant is ook zijn voortdurende koppeling naar het heden die aantoont dat een en ander in de loop van de geschiedenis nog niet veel veranderd is. Marco Polo was niet de eerste die diep tot in het Oosten doorstootte. Er bestaan heel wat bewijzen dat de Grieken tijdens de Romeinse tijd naar India en Zuidoost-Azië vaarden en sommigen kenden al de Zijderoute die het Chinese en het Romeinse wereldrijk met elkaar verbond. Veel van die kennis was in het volgende millennium echter verloren gegaan.

Marco Polo is dank zij zijn verhaal - dat hij in gevangenschap liet optekenen door Rustichello en dat later verspreid werd onder de titel De wonderen van de Oriënt - de meest bekende van het gezelschap, maar dat was enkel mogelijk dank zij zijn vader en oom. Die hadden van 1254 tot 1269 reeds eenzelfde reis naar het rijk van de Mongoolse leider gemaakt, er de taal geleerd en zodoende heel wat ervaring opgedaan die Marco later van pas zou komen. Zij hadden dus ook een heel duidelijk doel voor ogen. De eerste stopplaatsen waren Akko, de oude zeehaven die door de kruisvaarders werd veroverd op de islam, en Jeruzalem dat opnieuw in handen was van de moslims. ‘Elk geloof (en elk leger) eiste de stad voor zichzelf op. In Jeruzalem waren twisten en gebeden een vast gegeven, en was onzekerheid een normale manier van leven’, schrijft Bergreen, en hij wijst erop dat ‘moslims en christenen met elkaar streden om het eigendom en de toegang tot heilige plekken en relieken’. Vandaag, 750 jaar later, lijkt nog niets veranderd. De bekeringsdrang van de monotheïstische godsdiensten loopt trouwens als een rode draad door het boek. Zo krijgen de Polo’s steun van paus Gregorius X die in de reis een kans zag om ‘het christendom in het hele Mongoolse Rijk te verbreiden en met name in China’. Maar het geloof verkondigen was niet datgene wat de Polo’s dreef. Zij zagen zichzelf niet als bekeerders of gezanten van een godsdienst maar als kooplieden. Alhoewel Marco Polo in zijn beschrijving regelmatig de lokale gewoontes en rituelen vergelijkt met de christelijke, laat hij zich zelden laatdunkend uit over anderen; Integendeel, vaak inspireerden ze hem en verrijkten ze zijn visie op de Ander.

Het gebied dat Marco Polo nadien betrad, van het Midden-Oosten, over de Krim, via Afghanistan en de Himalaya, tot in Cambuluk (het huidige Bejing), was gedurende lange tijd onder de voet gelopen door de Mongolen. Uit tal van historische verslagen weten we dat die bijzonder wreedaardig waren, vooral onder hun leider Djingiz Chan. Maar Marco Polo wijst ook op een ander aspect dat hem ten zeerste verbaasde, namelijk godsdienstvrijheid. ‘Wie onder het Mongoolse gezag viel kon doen en laten wat hij wilde, of hij nu “jood, heiden, saraceen (dat wil zeggen: moslim) of christen” was.’ Zo ervoer de jonge Polo bijvoorbeeld het bloeiende handelscentrum Mosul aan de Tigris dat voordien streng islamitisch geregeerd werd tot het in 1182 door de Mongolen werd veroverd, waarna alle godsdiensten mochten beleden worden. Ook verder in het boek valt op dat steden met een grote tolerantie, de meest welvarende waren (en zijn). Laurence Bergreen beschrijft dat ‘in de opkomende Mongoolse samenleving vrouwen aanzienlijk onafhankelijker (waren) dan hun westerse of islamitische zusters’. De Mongolen drongen ook hun eigen gebruiken niet op aan de lokale bevolking maar probeerden er juist interessante elementen van over te nemen. Dat was ook nodig omdat ze met hun geringe aantal een enorm rijk moesten besturen en iedereen te vriend moesten houden. Dit alles betekende niet dat de Mongolen een toonbeeld van vreedzaamheid vormden, aldus Bergreen. Marco Polo verviel immers graag in overdrijvingen (waarschijnlijk om de toenmalige leider Koebilai Chan te behagen), maar in elk geval waren de Mongoolse leiders bijzonder slim en sluw.

Marco Polo bleef 17 jaar aan het hof van de keizer. In die periode stelde hij vast dat de Mongools-Chinese cultuur heel wat verder stond dan de Westerse. Koebilai Chan voerde als eerste het papiergeld in, iets wat pas veel later werd toegepast in Europa. Omdat hij een rijk bestuurde waarin talloze talen werden gesproken liet hij een nieuwe taal ontwikkelen, die op termijn echter zou mislukken maar die wel duidelijk de enorme ambities van de Mongoolse leider aantonen. Marco Polo zag er allerlei instrumenten zoals zonnewijzers, een astrolabium, een aardbol en een armillarium die veel geavanceerder waren dan de Europese. Hij maakte er kennis met de boekdrukkunst in de vorm van pamfletten en boeken (in Europa zou het nog twee eeuwen duren alvorens men deze technologie toepaste). Hij beschreef de stadsplanning als een wetenschap die in China veel verder gevorderd was. Met nog meer verbazing had hij het over het gebruik van steenkool als energiebron, een techniek die al duizend jaar in China werd toegepast terwijl men in Europa enkel met hout stookte en pas in de 18de eeuw intensief de nieuwe brandstof zou gebruiken. Hij had het ook over een systeem van belastingen en van doelbewuste hulp aan armen en aan mensen die getroffen werden door natuurrampen, over steun aan publieke werken (zoals het Grote Kanaal van 2500 kilometer van Cambalu naar Hangzhou), en over de tot die tijd in Europa onbekende zijdecultuur. Hij verwees naar de hoogstaande dichtkunst en het toneel.

Bijzonder is de beschrijving door Marco Polo van de plannen van de Mongolen om Japan te veroveren, een eiland dat de Europeanen helemaal niet kenden, en dat juist de authenticiteit van Marco Polo’s beschrijvingen aantoont, want Chinese bronnen verwijzen er uitdrukkelijk naar. Koebilai Chan probeerde meerdere keren om het eiland aan zijn gezag te onderwerpen, evenwel zonder succes. Uiteindelijk slaagden Marco, zijn vader en oom erin om van de keizer de goedkeuring te krijgen om naar Venetië terug te keren. Het werd een terugreis vol risico’s maar uiteindelijk bereikten ze in 1295 hun moederland. In die periode overleed de Koebilai Chan en stortte het Mongoolse rijk in elkaar. Marco Polo bracht intussen een schat aan informatie binnen op het Europese vasteland. Zoals het bestaan van steenkool, lenzen, buskruit, papiergeld en zelfs de boekdrukkunst alhoewel hij daar toen het belang niet van inzag. Nochtans was het juist de boekdrukkunst die zijn verhalen zo populair zouden maken. Zo werd zijn werk over De wonderen van de Oriënt uitgebracht in verschillende Europese talen. Columbus maakte gebruik van Marco’s aanwijzingen, maar kon via de westelijke route het zover afgelegen China niet ontdekken. In de plaats daarvan ontdekte hij ‘de nieuwe wereld’ Amerika. Ook Ferdinand de Magelhaes liet zich bij zijn reis rond de wereld inspireren door De wonderen van de Oriënt. Maar in tegenstelling tot Columbus en Magelhaes had Marco Polo niet tot doel te veroveren.’Als koopman begreep Marco dat handel de basis voor internationale betrekkingen vormde’, aldus Bergreen, een enorme wijsheid die men in de daaropvolgende eeuwen echter al te vaak veronachtzaamde. Marco Polo was zijn tijd ver vooruit. Eeuwenlang hebben historici en religieuze leiders getwijfeld aan de echtheid van zijn reisverslag. In 1995 verscheen nog een boek waarin beweerd wordt dat Marco Polo niet verder was gekomen dan Constantinopel. Laurence Bergreen maakt brandhout van die visie. Door vergelijking met Chinese en Mongoolse bronnen toont de auteur overtuigend aan dat Marco Polo ondanks zijn literaire overdrijvingen wel degelijk was doorgedrongen tot China. Hij plaatst Marco Polo dan ook op de plaats in de geschiedenis die hij verdient en stelt dat we ons de Renaissance, of zelfs de hedendaagse wereld, moeilijk kunnen voorstellen ‘zonder de culturele brug die Marco Polo tussen het Oosten en Westen wist te slaan.’


Recensie door Dirk Verhofstadt

Laurence Bergreen, Marco Polo, De Bezige Bij, 2008

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be