Osama’s Grot

boek vrijdag 28 oktober 2005

Mohammed Benzakour

Sinds de aanslagen van 11 september in de VS, van 11 maart in Madrid en van 7 juni in Londen staan Europeanen bijzonder wantrouwig tegenover de islam en moslims. Nederland werd bovendien geconfronteerd met de moord op Theo Van Gogh door een fanatieke moslim. Niet alleen die moord zelf beroerde de Nederlanders, maar nog meer de manier waarop (met messteken in het lichaam) en de verklaringen van de dader op het einde van zijn proces (ik zou het opnieuw gedaan hebben). Al deze gebeurtenissen zorgen voor intense spanningen tussen autochtonen en (vooral Arabische) autochtonen. Over die gespannen relatie tussen Nederlanders en moslims – doorgaans Marokkanen en Turken – schreef de Nederlandse columnist en publicist Mohammed Benzakour een opmerkelijk boek onder de titel Osama’s Grot. Allah, Holland en Ik. Het is een bundeling van essays die de auteur in de voorbije zeven jaar schreef in de betere Nederlandse dag- en weekbladen. Hij ontmaskert de dubbele bodems die de bestuurlijke, politieke en administratieve overheden al decennialang hanteren wanneer het gaat over het samenleven van mensen met een verschillende religieuze en culturele achtergrond. Hij gaat op zoek naar de breuklijn tussen diverse groepen die op een of andere manier toch verplicht zijn om samen te werken en schetst de kleine en grote problemen die daar uit voortvloeien.

Met vaardige pen slaagt Mohammed Benzakour erin om de kloof tussen autochtonen en allochtonen deels te overbruggen. Beklijvend is zijn essay over zijn kapper Nezmet, een Turk die tijdens de weekends de haren van zijn klanten bijknipt. Het is een prachtig stukje waarin de auteur aantoont dat heel wat allochtonen in onze contreien meer in hun mars hebben dan clichématig vermoedt en dat ze (gelukkig) steeds een stukje van zichzelf meebrengen naar hun nieuwe thuisland. Het zijn mensen die elk op hun manier hun talenten en mogelijkheden gebruiken om te overleven en vreugde te scheppen uit hun arbeid en hobby’s. In zijn opiniestukken demonstreert de auteur voortdurend zijn gespletenheid tussen zijn Marokkaanse (Berber)afkomst en zijn aanwezigheid in Nederland. ‘Na 25 jaar is mijn geest dermate door de polderwol gewassen dat ik de warmte van vrijheid verkies boven die van de Marokkaanse zon, al heeft die zon zich als een obelisk aan mijn geheugen vastgezogen.’ Dat belet hem niet om onbevangen, scherp en vernietigend uit te halen naar de ‘bange blanke mannen’ die elke vorm van anders zijn als een bedreiging beschouwen en derhalve bestrijden.

Het interessante aan Benzakour is dat hij ons (allochtonen) een spiegel voorhoudt en tegelijk een indringend beeld geeft van de mentaliteit en ingesteldheid van heel wat jonge Arabieren in onze contreien. Zo schetst hij met veel inlevingsvermogen de gevoelens, ontgoochelingen en ambities onder de moslims in Nederland. Zoals hun karakters, hun levenswijzen en tradities. Het resultaat is grappige zelfspot zoals het essay over ‘De club der werkweigeraars’ waarin Benzakour de Marokkanen beschrijft als geboren genieters. ‘Als je eens wist wat er allemaal te halen valt op deze planeet; lezen, slapen, de liefde bedrijven, sauna’s, creatief reizen, voetballen – we hebben niet eens tijd om te werken!’ Of zijn typering van de diverse archetypen Marokkanen, van de Amazighs en de vrijbuiters, over de multiculti’s en de zelfhaters, naar de Fundi’s. Het zijn stukjes die de vele stigma’s en vooroordelen onderuit halen en dat valt alleen maar toe te juichen.

Toch groeit tijdens het lezen van de opeenvolgende stukjes een zeker onbehagen en blijkt de scherpe pen van de auteur wel heel vette letters neer te schrijven. Zo komt de lezer stilaan tot het besef dat de auteur in hetzelfde bedje ziek is als diegenen die hij aan de figuurlijke schandpaal nagelt. Het gaat om zijn neiging tot veralgemening die hij zelf zozeer afkeurt. Zijn anti-Amerikanisme, zijn anti-Israëlisme, zijn grote afkeer voor Ayaan Hirsi Ali, zijn adoratie voor Yasser Arafat en voor zowat elke Palestijn, en zijn naïef geloof in de emancipatorische kracht van de hoofddoekjes demonstreren een selectieve verontwaardiging, waarbij elke nuance door zijn schrijvende zeis op voorhand worden weggemaaid. In de ogen van Benzakour zijn alle Amerikanen pro Bush en alle Israëliërs pro Sharon. Dat maakt hen allen medeschuldig aan de wandaden die door beide landen worden begaan. Daartegenover staan de Palestijnse ‘vrijheidstrijders’ en onderdrukte moslims die steeds onrechtvaardig behandeld worden. De auteur vergeet dat Israël zowat de enige democratie is in het Midden-Oosten waar mensen vrij hun mening kunnen zeggen en waar het recht op betogen een grondrecht is. De Canadese moslima Irshad Manji beschrijft dit goed in haar boek Het Islamdilemma. Chassidische partijen bestaan er naast de enige jaarlijkse homoparade in het Midden-Oosten. Kritiek op religie is er perfect mogelijk. Zo is de derde grootste politieke partij de liberale en seculiere Shinui. Manji ziet wel dat een democratie geen garantie biedt tegen het achterstellen van minderheden, maar de mate van vrije meningsuiting en vrijheid van vereniging is in Israël groter dan in gelijk welk islamitisch land.

Benzakours kritiek op Israël mondt zelfs uit in regelrecht antisemitisme. In een poging om uit te leggen waar dat ‘anti-joodse’ sentiment vandaan komt tijdens betogingen en relletjes minimaliseert hij het gedrag van de actievoerders tot ‘onschuldig’ stenen gooien en wat roepen dat ‘niet gericht is op het wezen van het joods-zijn maar indirect het gevolg is van joodse daden’. Maar die betogers steken niet enkel de Israëlische vlag in brand en roepen niet alleen ‘weg met Sharon’. Ze roepen ook luidkeels en met overtuiging ‘Hamas, hamas, alle joden aan het gas’. Daarmee lopen ze in de voetsporen van bedenkelijke fascistische moslimleiders zoals de vroegere grootmoefti van Jeruzalem al-Husseini, een actief pleitbezorger van de Endlösung. Hij stond in direct contact met Hitler, schreef een voorwoord in de Arabische vertaling van Mein Kampf, richtte in 1943 een eigen SS-divisie van 20.000 moslims uit Bosnië-Herzegovina en Albanië op en zorgde ervoor dat tienduizenden joden niet konden uitwijken naar Palestina, maar gedeporteerd werden naar de concentratiekampen. Het antisemitisme tiert ook vandaag nog welig in de islamwereld. Mein Kampf en de valse Protocollen van de Wijzen van Zion zijn er nog steeds bijzonder populair.

Ergerlijk is ook dat Benzakour alle Palestijnen op gelijke lijn plaatst, terwijl er duidelijk verschillen bestaan tussen mensen die bijvoorbeeld in Abbas een mogelijke oplosser vinden voor het decennialange conflict en de moordenaars van Hamas die al duizenden onschuldige slachtoffers maakten en die – net als de radicale joden trouwens – geen oplossing voor het conflict willen. Dat geen enkele Israëlische leider een vrede wilde in ruil voor land klopt evenmin. De auteur vergeet dat Rabin werd doodgeschoten – notabene door een orthodoxe jood – juist omdat hij een dergelijke oplossing verdedigde. Benzakour prijst anderzijds wel Yasser Arafat want ‘die heeft de Nobelprijs voor de Vrede gekregen’. Maar het was diezelfde Arafat die in 1990 Saddam Hoessein steunde, Hoessein die duizenden Koerden had omgebracht met gifgas. De auteur zou zich eens de vraag moeten stellen hoe het komt dat zoveel moslimlanden zelf zo afwijzend staan tegenover de Palestijnen en de ‘vreedzame’ Yasser Arafat. Tal van buurlanden, Saoudi-Arabië voorop, weigerden steeds om Palestijnse vluchtelingen op te nemen. Benzakour lijkt wel als een piraat met een donker lapje voor zijn rechteroog. Daarmee schouwt hij de wereld om zich heen, maar zonder diepgang en nuance. De nuance is dat zowel langs Israëlische als Palestijnse kant haviken zitten die mordicus tegen elk akkoord zijn en het vuur laaiend willen houden. Maar evenzeer bestaan er langs beide kanten mensen die echt vrede willen. Met zijn discours helpt de auteur die laatste echter niet.

Even blind blijft Benzakour voor de nefaste kant van de islam inzake vrouwenrechten. Hij bejubelt als het ware de moslima’s met hun ‘kruinsluiers’. ‘Wat een gratie! En wat een emancipatie’, zo schrijft hij, want die vrouwen dragen dat helemaal vrijwillig. De waarheid is opnieuw heel wat genuanceerder. Er zijn inderdaad meer vrouwen die de hoofddoek willen dragen om uiting te geven aan hun islamitische identiteit, maar evenzo en nog veel meer, gaat het om regelrechte dwang, onderdrukking en patriarchaal gebod. Dat zeggen steeds meer moslima’s zelf zoals Nahed Selim, Naima El Bezaz, Naema Tahir, Irshad Manji, Saillo Ouarda, Chahdortt Djavann, Fadela Amara, Samira Bellil en zovele anderen. ‘Ik snap niet dat er individuen zijn die zich ongebreideld, kolommenlang kunnen opwinden over een doekje’, zo schrijft Benzakour. Misschien begrijpt hij dit wel als hij leest over het erbarmelijke leven dat wijlen Samira Bellil had. Zij werd tweemaal het slachtoffer van een groepsverkrachting omdat ze haar hoofddoek niet droeg. Of over Fadela Amara die de organisatie Ni putes, ni soumises oprichtte en een betoging organiseerde tegen de verplichte hoofddoek. Dertigduizend moslima’s liepen toen arm in arm door de straten van Parijs om te protesteren tegen datgene wat Benzakour een ‘detail’ noemt. Wat ergerlijk is, is dat de auteur het verschil niet schijnt te zien tussen extreem-rechtse politici die elke hoofddoekdraagster zouden willen repatriëren (zoals de extreem-rechtse Filip Dewinter van het Vlaams Belang voorstelt) en verlichte geesten die opkomen voor individuele rechten en vrijheden, die strijden voor de gelijkwaardigheid van man en vrouw en die zich verzetten tegen elke externe dwang.

Dat traditionele moslimmannen de laatste tijd zodanig in het verweer komen, en fanatici hun messen bovenhalen tegenover de zogenaamde ‘ongelovigen’, komt omdat steeds meer moslima’s die onderdrukking niet langer aanvaarden. De traditionele patriarchale structuur begint te wankelen. Vandaar de uithalen van Benzakour en andere moslimmannen tegenover bijvoorbeeld Naima El Bezaz die hij een gebrek aan schrijftalent verwijt (hij schreef dat in 1998 en kon toen niet bevroeden dat El Bezaz intussen het wondermooie Minnares van de Duivel schreef). Maar zijn afkeer - zeg maar haat – is vooral gericht tegen Ayaan Hirsi Ali. Blijkbaar verdraagt hij haar aanklachten tegen het huiselijk geweld, de verplichte hoofddoek, de gedwongen huwelijken, de verstotingen, de genitale verminkingen en de eremoorden niet. Hij verdraagt haar weerstand tegen het cultuurrelativisme niet alhoewel die mee oorzaak is voor de onverschilligheid waarmee zoveel zogenaamde ‘progressieve intellectuelen’ tegenover de problematiek van de onderdrukte vrouwen aankijken. Benzakour schrijft dat Hirsi Ali geen emancipatiestrijder is maar toont daarmee alleen aan dat hij niets begrepen heeft van de essentie van Hirsi Ali’s betoog, namelijk haar pleidooi voor individualisme in de moslimwereld. Wat Ayaan wil bereiken is dat mensen, van welk geloof en uit welke cultuur ook, de mogelijkheid krijgen om zelf invulling te geven aan hun levenslot. Dat ze zelf kunnen kiezen wat ze met hun leven doen, of ze gaan trouwen of niet, of ze kinderen krijgen of niet, of ze een hoofddoek willen dragen of niet. De grote inbreng van Ayaan is dat ze de Kantiaanse gedachte ‘Sapere aude’ of ‘durf je van je eigen verstand te bedienen’ binnen de moslimwereld heeft gebracht en gepromoot. Zo wil ze de mens bevrijden van de onderdrukkende krachten die het individu ondergeschikt willen houden aan groepen, tradities en ‘heilige’ teksten.

Groep versus individu. Daar ligt het verschil tussen de werelden van Benzakour en Hirsi Ali. Wie beslist over het individu? De mens zelf of een groep, een heilige tekst, een dictator? Ergens haalt Benzakour Martin Heidegger aan als ‘misschien wel de grootste filosoof van de twintigste eeuw’. Zijn invloed op de vorige eeuw was inderdaad bijzonder groot, maar dan vooral omwille van zijn uitspraak uit 1933: ‘De wil van de Führer is wet’. Wat volgde was de complete Verduistering. Iedereen is vrij om zich te onderwerpen aan God, Jahwe of Allah, maar laat in godsnaam de anderen met rust.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Mohammed Benzakour, Osama’s Grot, L.J. Veen, 2005

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be