Het rijk van de angst

boek

Benjamin Barber

Zelden was een titel toepasselijker voor de inhoud van een boek dan de laatste publicatie van Benjamin Barber. Het rijk van de angst slaat op de angstpsychose die vandaag bestaat in de Verenigde Staten als gevolg van de aanslagen op 9 september 2001. De auteur vraagt zich af hoe het Amerikaans buitenlandse beleid zich zo heeft kunnen ontwikkelen tot de huidige agressieve politiek. Hoe de regering-Bush zich zo heeft kunnen vervreemden van ‘het oude Europa’ en de Verenigde Naties. En wat de consequenties voor de internationale democratie zijn. Volgens Benjamin Barber is het radikaal verkeerd om angst (voor terrorisme) te bestrijden door angst (voor oorlog) te zaaien. De ‘shock and awe’-ideologie is een regelrechte bedreiging voor de internationale verspreiding van de democratie. Barber laat zien dat alleen internationale samenwerking, wetgeving en soevereiniteit de huidige mondiale crisis kan bezweren. En de verspreiding van westerse waarden moet niet beperkt blijven tot de markteconomie, maar zich ook richten op zaken als opvoeding, burgerschap en democratie. Met zijn vorige boek Jihad vs. McWorld schreef Barber een bestseller. Maar ook deze tekst maakt indruk, zeker nu de verzetsdaden in Irak en de aanslagen van de terroristen in Turkije de voorspellingen van de auteur bevestigen.

De globalisering is niet alleen een economisch en financieel fenomeen maar is ook voelbaar op andere vlakken. Ziektes als HIV en Sars, het broeikasteffect en vooral het terrorisme hebben een wereldwijde impact waar nationale grenzen geen greep meer op hebben. Een internationale aanpak lijkt dus aangewezen, maar de VS hebben het zo niet begrepen. Ze verklaren de oorlog aan terroristen die geen adres hebben en zich niet schuilhouden in een of andere staat. In feite trappen ze in de val van de terroristen die maar één wapen hebben, namelijk de angst. Angst is een bijzonder efficiënt wapen vooral tegenover mensen die veel te verliezen hebben. Het gevolg is dat Amerikanen radeloos op zoek gaan naar middelen die hen zouden kunnen beschermen zoals gasmaskers en plakband voor vensters tegen gasaanvallen. Dagelijks geeft de overheid via kleuren de graad van mogelijke risico’s door waardoor het angstniveau bij de burgers voortdurend wordt aangescherpt. De auteur wijst koelweg op het feit dat het terrorisme slechts een heel beperkt aantal slachtoffers maakt, alvast veel minder dan het jaarlijks dodental in het verkeer, maar dat de impact op het publiek via de media enorm wordt vergroot, waardoor de indruk onstaat dat een massale tegenreactie noodzakelijk is. Ondermeer in de vorm van preventieve oorlogsvoering. Maar Barber wijst erop dat dit niet zal helpen om in de toekomst terroristische daden te voorkomen.

Volgens de auteur zitten in de Amerikaanse regering twee groepen: adelaars en uilen. De eersten zoals Cheney, Rumsfeld en Wolfowitz willen het amerikanisme zo snel mogelijk opdringen aan de rest van de wereld. De uilen, zoals Colin Powell, vertrouwen liever op mondiale akkoorden. Dit verschil in attitude vloeit voort uit het verleden. Uit de spanning tussen de isolationisten, die Amerika ver weg wilden houden van internationale conflicten, en diegenen die beseffen dat ze als belangrijkste militaire en economische macht een rol moeten spelen in de rest van de wereld. Een tussenpositie blijkt niet aan de orde en dat verklaart de uitzonderlijkheid van de Amerikaanse buitenlandse politiek die schril afsteekt tegenover het diplomatisme van heel wat Europese landen en andere landen van de wereld. Een van de nefaste gevolgen van de politiek van de adelaars is dat de VS zijn veiligheid afkoopt door vrijheid op te offeren. De Patriot-Act beperkt tal van individuele vrijheden van burgers in naam van het belang van de veiligheid van de natie. Hetzelfde gebeurde tijdens de Tweede Wereldoorlog toen Amerika loyale Japanse Amerikanen in concentratiekampten stopte.

Het grootste probleem van de VS in de oorlog tegen Irak is er een van perceptie. Niemand gelooft dat het ging om een wijziging van het regime maar wel om een toenemende greep van Amerika op de olierijke regio. Om de oorlog te verantwoorden greep de VS naar dubieuze bewijzen van het bestaan van massavernietigingswapens in Irak, maar ook in Iran, Syrië, Zuid-Korea en Libië. Het mogelijke, maar niet vaststaande, feit van het bezit van dergelijke wapens werd gebruikt om Irak binnen te vallen. Dit vormt de basis van de preventieve oorlogspolitiek van de VS maar demonstreert tegelijk het exceptionalisme van de VS. Omwille van hun militaire slagkracht zijn de VS in staat om oorlog te voeren met wie dan ook, ongeacht de mening van de Verenigde Naties. Deze houding staat haaks op de kantiaanse gedachte dat de morele rechtsgeldigheid van een actie kan worden afgemeten aan de morele wenselijkheid om het te veralgemenen. De VS wanen zich vrijgesteld aan de universele regels voor oorlogsvoering maar dat zijn ze niet.

In een volgend hoofdstuk onderzoekt Barber of oorlogen tegen schurkenstaten wel doeltreffend kunnen zijn. Hij citeert Churchill die stelde dat eenmaal men een oorlog begint slaaf wordt van onvoorspelbare en onbeheersbare gebeurtenissen. De situatie in Irak bewijst de juistheid van deze stelling. Terwijl de Amerikanen verwacht hadden onthaald te worden als ‘bevrijders’ ziet de bevolking hen als ‘onderdrukkers’. De ‘preventieve’ oorlog kost de VS nu enorm veel: financieel, doden onder Amerikanen en Irakeese burgers, sabotages die de olieproductie vertragen, de vernieling van kostbare musea en bibliotheken, verstoorde betrekkingen met de VN, Europese bondgenoten en natuurlijk met de moslimwereld. En het ergste is dat er geen enkele zekerheid op vrede bestaat. Cynisch is daarbij dat veel van de wapens die de Amerikanen nu opsporen en willen vernietigen door henzelf geleverd werden (zoals ze ook de moedjahedien in Afghanistan hebben bevoorraad met wapens).

De auteur gaat vervolgens nogal kunstmatig in op het gebrek aan democratie ingevolge het kapitalisme en de globalisering. Hier komt hij opnieuw bij de kern van zijn vorige boek Jihad versus McWorld. Fundamentalisten van de vrije markt houden geen rekening met democratische wetten en komen door de globalisering steeds minder onder het regulerend toezicht van de democratische natiestaat. De grote boosdoener voor Barber is de privatisering die zorgt voor een afbraak van de openbare sector. Hier overtuigt de auteur niet. Het begrip ‘privatisering’ ongenuanceerd koppelen aan een vermindering aan democratie en, in het kader van dit boek, indirect met terrorisme is helemaal verkeerd. Tal van privatiseringen zijn werkelijke verbeteringen. Het is maar als een privatisering van overheidsdiensten leidt tot private monopolies dat mistoestanden gebeuren. De gedachtegang van Barber is hier trouwens niet logisch. De wapens die de zogenaamde schurkenstaten en terroristen in handen hadden en hebben werden geleverd met de uitdrukkelijke goedkeuring van de politieke overheid in de VS.

De vorming van een democratie is een kwestie van een lang proces en kan niet zomaar opgelegd worden via een ‘preventieve’ oorlog. Ook de VS zelf hebben er 150 jaar over gedaan om tot een democratische staatsstructuur te komen. Daarbij zullen landen maar democratisch worden binnen hun culturele tradities. Barber verwerpt hiermee de idee dat men landen zomaar een ‘amerikaanse’ democratie kan opleggen. Een voorbeeld zijn de kledingsvoorschriften die in islamitische landen bijzonder streng lijken maar in feite ook in de geschiedenis van westerse democratieën voorkwamen. De auteur begeeft zich hier op een cultuurrelativistisch discours. Hij lijkt te vergeten dat dergelijke voorschriften in tal van islamitische landen juist de voorbije decennia strenger werden. Zo wijst hij ook op het belang van onderwijs maar vergeet dat ook hier de normen strenger werden en tal van kinderen in strenge moslimlanden alleen de bepalingen van de koran aanleren. Dat zegt de auteur wel indirect door te verwijzen naar de Saoudi’s die blijkbaar fors investeren in hun streng religieus getint onderwijs.

Barber wijst er op dat het in Irak en Afghanistan grondig misloopt. Veel van de beloofde humanitaire hulp aan Afghanistan is er niet gekomen waardoor het land dreigt te vervallen in een soort narco-terroristische staat. Er moet hulp komen van de wereldgemeenschap, een ‘CivWorld’ die een soort mondiaal burgerschap verdedigt. De auteur verwijst naar initiatieven van actieve mensen in de zogenaamde aniglobalisatie-beweging, het Wereld Sociaal Forum en burgerbewegingen als ‘MoveOn’. Hij droomt van een wereld waarin we naast artsen zonder grenzen en terroristen zonder grenzen ook burgers zonder grenzen zouden kennen. Als voorbeeld van een dergelijk actief burgerschap verwijst hij naar Michael Moore (die de Oscaruitreiking 2003 verstoorde door te protesteren tegen de oorlog) en… jawel, Abu Jahjah in België (sic). Hij noemt ze de burgerlijke alternatieven voor het terrorisme. “Als zij falen, zal de angst zegevieren, en als angst overwint, triomfeert het terrorisme”, aldus Barber. En angst zorgt ervoor dat een overheid zijn inwoners niet langer als burgers aanziet maar als onderdanen. Actief burgerschap dus als wapen tegen angst en als middel om de democratie te versterken.


Recensie door Dirk Verhofstadt (verhofstadt.dirk@pandora.be)

Benjamin Barber, Het rijk van de angst, Ambo, 2003

Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be