Het atheďstisch woordenboek

boek

Paul Cliteur en Dirk Verhofstadt

Het is alweer zo’n twintig jaar geleden dat ik als Leidse student filosofie contact opnam met Paul Cliteur om eens tentamen te doen over wijsgerig atheďsme. Niet dat Cliteur daar als jurist college over gaf, maar ik kende artikelen van Cliteur die wezen op diens atheďsme. Atheďsme werd niet onderwezen in het Leidse filosofie curriculum, ook niet door Herman Philipse die daar destijds doceerde (hij deed atheďsme erbij als hobby). Cliteur stond mij vriendelijk te woord en we spraken af dat ik een literatuurtentamen zou doen over drie boek, te weten Atheism. The Case Against God van George H. Smith, Why I am not a Christian van Bertrand Russell en The Ethics of Belief van W.K. Clifford. Ik weet niet meer wat voor cijfer ik kreeg voor het mondeling tentamen, maar ik vind mijzelf thans terug in Het atheďstisch woordenboek: ‘Ten aanzien van het concept atheďsme gaat Van den Berg uit van een ruimere opvatting dan gebruikelijk is bij andere auteurs. Dat wil zeggen dat hij onder atheďsme niet alleen een kritische houding verstaat tegenover de god van de monotheďstische traditie, maar tegenover alle goden. En zelfs niet alleen alle goden, maar ook bovennatuurlijke wezens als elfjes, dwergen en andere ongeloofwaardige entiteiten.’

Het is tekenend dat er in academica zelden expliciet aandacht wordt besteed aan atheďsme. In mijn colleges filosofie doe ik dat trouwens wel. Steevast komt er dan protest met de beschuldiging dat ik niet objectief zou zijn, maar subjectief mijn mening verkondig. Ik citeer uit een cursusevaluatie: ‘I did not always agree with the method of teaching. It is narrow minded that religion and alternative medicine is bullshit unless there is proof. You can personally believe this, but you should not pose this as a fact’. ‘Religious education should be abolished’, ‘I personally do not think you should say that as a teacher.’ Atheďsme is echter geen mening. Atheďsme is ofwel correct ofwel incorrect. En het goede antwoord is: correct. Het bestaan van God is ook geen mening, maar een existentiële claim waarvoor geen plausibele argumenten kunnen worden aangedragen. Verhofstadt en Cliteur citeren de definitie van atheďsme van Vermeersch: ‘Een atheďst is iemand die geen god erkent, of sterker nog, uitdrukkelijk bevestigt dat er geen god bestaat.’

Atheďsme komt slechts zelden expliciet aan de orde in het onderwijs, vermoedelijk omdat het leidt tot heftige discussies die men liever wil vermijden. Dat is een zwaktebod. Gebrek aan aandacht voor atheďsme is een tekortkoming van het onderwijs. Sterker nog: onderwijs dat niet leidt tot atheďsme faalt in het bijbrengen van kritische denken. Het atheďstisch woordenboek kan helpen deze lacune te dichten. Het gaat erom dat atheďsme wordt gezien als de uitgangspositie. Atheďsme is niet iets om je voor te schamen of dat je op fluistertoon hoeft uit te spreken. Dat niet atheďsten zich hoeven te verdedigen waarom ze niet in een god geloven, maar gelovigen waarom ze dat wel doen. En, sterker nog, dat het sociaal vreemd wordt gevonden als iemand beweert gelovig te zijn. Immers, geloven betekent (ik parafraseer Karel van ’t Reve) dingen voor waar aannemen waarvan je wel kunt nagaan dat het niet zo is. Als iemand opmerkt gelovig te zijn, dan zou dat moeten leiden tot een diskwalificatie als serieuze gesprekspartner. Hoe kun je iemand serieus nemen die dingen voor waar aanneemt op basis van argumenten die al honderden jaren geleden weerlegd zijn? (1) Het kan niet zo zijn dat mensen onwetend zijn: kennis over atheďsme is breed voorhanden. Richard Dawkins boek The God Delusion (2006) – de ‘Bijbel’ van het atheďsme – is zelfs een internationale bestseller. Het woordenboek van Cliteur en Verhofstadt vat de belangrijkste aspecten van atheďsme helder en toegankelijk samen. Atheďsme op een presenteerblad. Dit boek maakt het nog weer een stap moeilijker om gelovigen serieus te nemen.

Ik lees doorgaans geen woordenboeken. Het atheďstisch woordenboek van filosofen Paul Cliteur en Dirk Verhofstadt is het eerste woordenboek dat ik van kaft tot kaft heb gelezen. En met plezier. Het boek is fraai geďllustreerd, wat het boek een plezierige uitstraling geeft. Er zit veel humor in het vlot geschreven boek. Religie is hilarisch absurd, als er geen slachtoffers zouden vallen door religie zou het een eeuwen durende soap zijn, een freakshow van de rede. Een voorbeeld van zo’n absurditeit is het verhaal van Tanya Rosenblit. En we hoeven hiervoor (helaas) niet terug naar de duistere middeleeuwen, maar naar het jaar 2011. Tanya zit in een bus in Jerusalem. Bij een bushalte staat een groepje ultraorthodoxe (=misogyne) mannen, Haredim genaamd. De mannen willen niet dat er en vrouw voor hen zit en eisen dat zij achterin de bus plaats neemt. Tanya, als een moderne Rosa Parks, weigert. De politie moet eraan te pas komen. Die adviseert haar naar achter te verzitten. Tanya weigert. Uiteindelijk rijdt de bus door, zonder de boze vrouwenhaters. Het is angstaanjagend te bedenken dat de Haredim ook vertegenwoordigd zijn in het Israëlische parlement.

Of het verhaal van die jurkmans die de banvloek uitspreekt over een boek en de auteur daarvan vogelvrij verklaart. Die moslim is Khomeini en het boek is The Satanic Verses van Salman Rushdie. Het angstaanjagende is dat Khomeini niet werd uitgelachen of uitgejouwd, maar dat er waanzinnigen zijn die bereid zijn de daad bij het woord te voegen en de schrijver best zouden willen doden. Rushdie leeft sindsdien onder permanente beveiliging. Er zijn vertalers en een uitgever van zijn werk, die geen bescherming hadden, vermoord. Door deze daden van theoterrorisme en de angst waar dit toe leidt gijzelt de islam de vrijheid van expressie. Of dat er elk jaar twee miljoen mensen naar Lourdes gaan in de hoop op genezing van een ziekte of kwaal. Filosoof Vermeersch merkt over de zogenaamde wonderlijke genezingen snedig op: ‘maar nog nooit is er een eenarmige teruggekeerd met een tweede arm. Laat staan dat er een dode zou opgestaan zijn.’ Twee miljoen mensen die naar Lourdes gaan, jaarlijks. Ik hoop maar – tegen beter weten in – dat het pure nieuwsgierigheid is en dat ze er niet echt in geloven. Mijn geloof in de redelijkheid van mensen is (bijna?) net zo naďef als het geloof in de irrationaliteit van gelovigen.

Het boek is eigenlijk geen woordenboek. Eerder een abecedarium van atheďsme. De auteurs hebben lemma’s met begrippen en personen die in de ogen van de auteurs belangrijk zijn voor het atheďsme (of juist het tegenovergestelde) alfabetisch geordend. Het woordenboek is niet uitputtend, maar een handleiding voor het contemporaine religiedebat. De titel van het boek is pretentieus, niet ‘een’ woordenboek, maar ‘het’ atheďstisch woordenboek. In mijn boekenkast vond ik een stoffig bijbels woordenboek terug. Dat bevat gortdroge opsomming van Bijbelse namen en plaatsen – het is geen kritische denkoefening. Het atheďstisch woordenboek is dan wel van een heel ander kaliber. Dit boek verschaft heel wat meer leesplezier en inzicht. Het boek is een leesbare inleiding in atheďsme en (religie)filosofie. Er zijn uitgebreidere atheďstische woordenboeken. Zoals Tom Flynn, The Encyclopedia of Unbelief (die al jaren op mijn wish list staat) en het prachtige boek van Bill Cooke Dictionary of Atheďsm, Scepticism & Humanism. De auteurs hebben een lemma opgenomen ‘encyclopedieën en overzichtswerken van atheďsme’, waarin de voorgenoemde boeken ook op voorkomen, evenals mijn eigen boek Hoe komen we van religie af? Een ongemakkelijke liberale paradox.

Het is niet een puur atheďstisch woordenboek. De auteurs hebben een uitgesproken normatieve signatuur. Atheďsme an sich is primair een kentheoretische positie. Cliteur en Verhofstadt hebben met name een morele interesse in religie. Zij menen dat religie voornamelijk een obstakel is voor de moraal en de liberale samenleving. Het doet mij denken aan de uitspraak van de fysicus en Nobelprijswinnaar Steven Weinberg – die overigens niet in Het atheďstisch woordenboek genoemd word: “Religion is an insult to human dignity. Without it you would have good people doing good things and evil people doing evil things. But for good people to do evil things, that takes religion.” Atheďsme is op zichzelf geen normatieve positie. Er kunnen immorele atheďsten zijn of immorele atheďstische regimes. Dat is niet wat de auteurs voor ogen staat. De auteurs zijn liberaal en humanist voor wie atheďsme een deel is van hun ideologische winkelmandje – ze zijn het dan ook roerend met elkaar eens. Een correctere titel zou daarom geweest zijn Atheďstisch-humanistisch woordenboek. Dat sluit aan bij de benaming van Vrijdenkersvereniging De Vrije Gedachte die zich afficheert als atheďstisch-humanistisch. Humanisme is de wereld- en levensbeschouwing die de autonomie van de individuele mens centraal stelt en uitgaat van de kritische rede. Humanisme omvat zodoende atheďsme, maar het is veel breder dan dat. De auteurs houden zich bij hun gekozen leest en wijden niet uit over aanverwante begrippen als vrijdenken, secularisme, humanisme en scepticisme. (2) Wel is er veel aandacht in het boek voor mensenrechten.

‘In vele landen is atheďsme een halsmisdaad’ zo betogen de auteurs in het voorwoord. Zowat mijn hele vriendenkring bestaat derhalve uit ‘misdadigers’ die, in een ander politiek klimaat, of elders op deze planeet, zouden worden onderdrukt of vermoord. Het is beangstigend om daar bij stil te staan. Dat er een dergelijk boek überhaupt kan verschijnen in Nederland en België, zelfs zonder dat er ook maar een rimpeltje van protest klinkt, geeft aan dat het met de secularisering van deze samenlevingen goed gesteld is. Nog tot enkele decennia geleden zou dat niet zo gemakkelijk zijn gegaan. Toch maken de auteurs het er zich (te) gemakkelijk van af door het heetste hangijzer te negeren: de Mohammedcartoons. Zo heeft de Deense cartoonist Kurt Westergaard geen eigen lemma, en zijn de beruchte Mohammed-cartoons niet in het boek opgenomen, terwijl het boek wel rijkelijk is geďllustreerd, inclusief enkele andere cartoons. De auteurs breken een lans voor de vrijheid van expressie en betogen dat deze nooit mag worden ingedamd, mits er geen sprake is van dreigen met geweld. Ook honen zij de politiek correcte elite die pleit voor zelfcensuur wanneer het islamkritiek betreft omdat moslims zo’n grote mond hebben wanneer hun religie op de korrel wordt genomen.

Ik kan heel goed begrijpen dat de auteurs hun leven niet in de waagschaal willen leggen door de beruchte cartoon op te nemen, maar daardoor maken zij zich wel schuldig aan datgene wat zij anderen nu juist verwijten. Een optie ware geweest om wel over de cartoons te schrijven en gewoon eerlijk te bekennen dat ze de cartoons niet durfden te publiceren. In het lemma over de liberale denker Karl Popper, auteur van het liberale standaardwerk The Open Society and Its Enemies dat een pleidooi is voor een samenleving met een zo groot mogelijke vrijheid van expressie, staat een verontrustende anekdote over Popper: hij weigerde ten tijde van de Rushdie affaire een petitie te tekenen ten faveure van Rushdie en voor een zo groot mogelijke vrijheid van expressie. Ik moet bekennen dat ik de weigering van Popper het liefst onder het tapijt zou willen vegen, want het is totaal in contradictie met zijn eigen filosofie van The Open Society. Popper betoogt dat de vrijheid van expressie niet mag worden misbruikt, wat hemzelf tot een ‘enemy of the open society’ maakt. Popper schrijft: ‘few of us wish to defend the offence Rushdie has committed against religious believers, and the harm he has done.’ Maar dat is de omgekeerde wereld! Popper neemt het op voor Khomeini. Ongelofelijk. Ik heb hier de neiging om te gaan psychologiseren en te gaan speculeren of Popper die op dat moment in de 90 is, niet meer helder kan denken.

Een geweldig lemma is ‘Ammonieten’. De auteurs hebben hun eigen opvattingen verstopt, zoals ook Didero, D’Holbach en Voltaire hun uitgesproken meningen verstopten in onopvallende lemma’s van hun Encyclopedie. Na eerst uitgelegd te hebben dat de Ammonieten een verdwenen godsdienstige groep was in de 17de eeuw v.o.t. die de god Moloch aanbaden door middel van kinderoffers, doen zij een mind blowing gedachtenexperiment. Stel dat de Ammonieten vandaag de dag nog zouden bestaan, zouden we dan ook respect voor hun gebruiken moeten hebben? Moloch schrijft voor ‘dat bij kinderen op de derde dag na de geboorte een oorlel moet worden afgesneden en een A op hun voorhoofd getatoeëerd. Zo ziet iedereen dat die kinderen tot de Ammonietische godsdienst behoren. Ook kennen de Ammonieten curieuze spijswetten die hen verbieden bepaalde dieren te eten. En de dieren die zij wel mogen eten moeten op rituele wijze worden geslacht. […] Al deze vreemde zeden en gewoonten worden overigens getolereerd in moderne samenlevingen. Die kennen ‘godsdienstvrijheid’ tenslotte. De Ammonieten mogen hun kinderen dus een beetje verminken, zij mogen hun kinderen in isolement van de gemeenschap opvoeden en voor hen wordt ook een uitzondering gemaakt op de dieren- en welzijnswet die een diervriendelijke wijze van de slacht voorschrijft.’ De parabel gaat verder met hoe de samenleving de radicale Ammonieten accommodeert. De les van deze parabel is dat een open samenleving geen uitzondering moet maken voor (religieuze) groepen om zich niet aan de algemene regels te houden. Tolerantie voor intolerantie, stellen de auteurs, leidt alleen tot nog meer intolerantie.

Er wordt in de samenleving gediscussieerd, dunkt mij, over twee onderwijskundige zaken. Ten eerste zijn veel mensen (ten onrechte zoals ik betoog in Hoe komen we van religie af) van mening dat kinderen kennis dienen te hebben van religie (de zogenaamde wereldreligies) en ten tweede dat kinderen burgerschapsonderwijs moeten krijgen, zodat zij begrijpen in wat voor samenleving wij leven (een liberale democratische rechtstaat) en wat de basale waarden van deze samenleving zijn (de mensenrechten en de vrijheid van het individu). Het atheďstisch woordenboek zou hiervoor als leerboek gebruikt kunnen worden, in de hoogste klassen HAVO/VWO. Dit woordenboek leert namelijk veel over godsdiensten (met name de abrahamistische godsdiensten), over de filosofie van religie/atheďsme, over ethiek, mensenrechten en maatschappelijk relevante thema’s als acceptatie van homoseksualiteit en de vrijheid van expressie. Daarnaast biedt dit boek een grote hoeveelheid culturele bagage. Zowel grote denkers uit het zogenaamde canon (zoals Spinoza, Mill, Epicurus, Feuerbach) komen aan de orde als contemporaine Belgische en Nederlandse intellectuelen die deelnemen aan het debat over atheďsme.

Dit boek focust meer op begrip over religie dan over detailkennis van de religie. Maar er komt genoeg kennis over de Bijbel en geschiedenis van het christendom boven water. Zoals dat de pausen steevast kiezen voor de verkeerde kant van morele problemen: voor slavernij, tegen de vrijheid van expressie, voor inquisitie, tegen abortus, tegen het homohuwelijk, tegen euthanasie, tegen vrouwenemancipatie. Of over het virulente antisemitisme van Luther die zelfs opriep tot het vermoorden van Joden. Of over de moordenaar Calvijn die zijn collega Servet liet vermoorden. Lezend over al deze criminaliteit van de georganiseerde religie (of beter gezegd: georganiseerde misdaad) kan ik niet anders dan met een gevoel van walging en minachting naar religie kijken. Het is ongelofelijk dat mensen nog gelovig zijn als zij zouden weten wat zij aanhangen. De vraag is: mag je onwetend zijn? Het antwoord is nee. Het atheďstisch woordenboek is een introductie in filosoferen en religiefilosofie. Ik denk dat het tijd is, de hoogste tijd, dat men in onderwijsland kritisch leren denken serieus gaat nemen en ook het hete hangijzer van religie moet behandelen. Want het is toch te zot voor woorden dat mensen (hoger) onderwijs gevolg hebben en nog steeds gelovig zijn?

Filosoof Etienne Vermeersch schrijft: ‘Ondanks de zwakheid van alle godsbewijzen, ondanks de afwezigheid van elke waarneming die op het bestaan van God zou kunnen wijzen en van elke aanduiding dat er leven na de dood is, stellen we toch vast dat ook in de eenentwintigste eeuw nog honderden miljoenen mensen (misschien bijna twee miljard) in het bestaan van die God geloven.’ Ik ben van mening dat het een falen van onderwijs is wanneer studenten niet atheďst zijn. Dat betekent namelijk dat leerlingen en studenten ofwel niet kritisch kunnen nadenken, ofwel dat kritisch nadenken niet toepassen op hun eigen religie. Ik denk daarom dat Het atheďstisch woordenboek een prachtig handvat is voor onderwijs over religie. Als essentieel leesvoer voor alle middelbare scholieren raad ik, naast Het atheďstisch woordenboek, het bondige boekje Atheďsme van Etienne Vermeersch aan. (3) Dat is een toegankelijk geschreven scherpe verdediging van atheďsme. Wie na het lezen van dat boekje nog gelooft doet er goed aan het boekje nog maar eens van vooraf aan te lezen. In het lemma over Dirk Verhofstadt staat: ‘Het onderwijs is van belang omdat het mensen opvoedt tot vrije en kritische burgers. Het kind heeft een recht op gratis en openbaar onderwijs. Dit moet erop gericht zijn kinderen kennis en vaardigheden bij te brengen zodat ze later ook zelf keuzes kunnen maken. Liberalen staan ook kritisch tegenover scholen die geen kritische burgers voortbrengen maar ‘gelovigen’.’

Dat religie niet alleen maar mooie dingen brengt (al is het niet duidelijk wat die goede en mooie dingen zouden zijn – of zijn dat gebouwen als de Dom in Utrecht of De Sint Pieter in Rome die gebouwd zijn met het geld van aflaten?), maar ook bron kan zijn voor geweld en terrorisme is de motivering van de auteurs om hun woordenboek te schrijven. Het atheďstisch woordenboek is een moreel appčl om religie serieus te nemen en waakzaam te zijn voor de gevaarlijke kanten daarvan, los van het feit dat geen van de waarheidsclaims te funderen valt. Een cruciale term hierin is de term (van Paul Cliteur) theoterrorisme: ‘terrorisme gebaseerd op het godsbeeld van de drie monotheďstische godsdiensten (maar ook hindoeďsme).’ Bij het lemma ‘haatzaaien’ staat de volgende passage: ‘Dat mensen met een lichamelijke handicap een extra bescherming krijgen voor de wet, is waarschijnlijk weinig controversieel.’ Bij het lemma Freud staat: ‘Freud vergeleek godsdienstige theorieën met illusies, zelfs met waanideeën. Zo noemde hij godsdienst ook wel eens een collectieve waan.’

Richard Dawkins is die mening ook toegedaan, zoals hij ook in de titel van zijn atheďstische bestseller duidelijk maakt The God Delusion. En ook de essayist Rudy Kousbroek is van mening dat religie een ziekte is. Enfin, als religie een geestelijke handicap is, zou het dan wel extra bescherming mogen hebben? Ik beantwoord deze vraag maar gelijk zelf: Nee. Niet de ziekte dient te worden gekoesterd, maar de patiënt. Gelovigen zijn patiënten die besmet zijn met de mentale ziekte en mentale afwijking van religie. (Deze heftige bewoordingen zijn voor mijn conto). Kousbroek schrijft dat er maar één uitweg is uit het moeras van het geloof: ‘en dat is dat alle partijen hun kop onder de kraan houden en zeggen: we geloven niet meer. Weg met die onzin!’ Of de remedie van Kousbroek helpt valt te bezien. Doorgaans is er geen kruid tegen gewassen en is voorkomen beter dan genezen. Het implementeren van Het atheďstisch woordenboek in het onderwijs zou daar zeker aan bij kunnen dragen.

Bij het lemma Schopenhauer staat hierover een fraai citaat uit Over godsdienst (1851): ‘Wanneer iemand namelijk in zijn vroegste jeugd bepaalde fundamentele opvattingen en leerstellingen met ongewone plechtigheid en de allerdiepste, nooit geziene ernst herhaaldelijk krijgt voorgeschoteld, waarbij de mogelijkheid van twijfel volstrekt genegeerd of alleen ter sprake wordt gebracht om hem te brandmerken als de eerste stap op weg naar het eeuwige verderf, dan zal dat zo’n diepe indruk maken dat het hem in de regel, dat wil zeggen in bijna alle gevallen, net zo moeilijk zal vallen aan die dogma’s te twijfelen als aan zijn eigen existentie, zodat er nauwelijks één op de vele duizenden voldoende geesteskracht zal bezitten om zich ernstig en oprecht af te vragen: is dat wel waar?’ In samenlevingen waar er veel sociale en politieke druk is om te geloven kan ik me het nog wel voorstellen, maar hoe kan het – in godsnaam – dat er in vrije samenlevingen met een hoog onderwijsniveau met alle informatie (in bibliotheken, in boekhandels, op internet, bij lezingen, zelfs op tv) voor handen nog mensen zijn die geloven? Er zijn allerlei theorieën over de psychologie van geloven, één ervan is de mementheorie van Dawkins en Dennett die beweren dat memen stukjes informatie zijn die van hersenen naar hersenen wordt gekopieerd, zonder dat deze waar hoeven te zijn en zonder dat deze goed hoeven te zijn voor de drager. Niet god is een mysterie; maar de vraag waarom mensen in God geloven is een mysterie.

Het atheďstisch woordenboek is een post 9/11 (2001) boek. De grote religieuze terroristische aanslag (het standaard voorbeeld van theoterrorisme) bracht een cesuur teweeg in de atheďstische literatuur. Na 9/11 kwam er een nieuwe hoeveelheid religiekritiek en atheďsme pleidooien die tezamen te boek staan als het Nieuwe Atheďsme (met als bekendste vertegenwoordigers Dawkins, Dennett, Harris, Hitchens, Stenger en Grayling). Cliteur en Verhofstadt timmeren aan de weg met secularisme, atheďsme en liberalisme. Verhofstadt publiceerde zijn boek Atheďsme als basis voor de moraal en Cliteur publiceerde een doorwrocht pleidooi voor secularisme in The Secular Outlook. Het zijn niet nieuwe argumenten voor atheďsme, maar de relevantie van religiekritiek is een stuk actueler geworden door de reële dreiging van theoterrorisme. Religie is een actueel probleem in de wereld. Religie is een potentiële dreiging van de vrijheid van het individu, niet alleen in theocratieën als Iran en Saoedi Arabië (en ik ben van mening dat we ook een plicht hebben om voor de onderdrukten daar op te komen), maar ook voor de zogenaamde vrije wereld. De vrijheid van expressie staat in de post 9/11 wereld onder druk, zowel door de reële dreiging van geweld door moslims als door de roep om zelfcensuur en matiging van de politiek correcte intellectuelen.

Ik haal ter conclusie nog een keer Kousbroek aan met een rechtstreekse oproep aan gelovigen: En nu de kop onder de koude kraan houden en ophouden met die onzin!


Recensie door Floris van den Berg

De recensent is filosoof en dus atheďst. Hij is auteur van onder andere ‘Hoe komen we van religie af? Een ongemakkelijke liberale paradox’ en ‘Beter weten. Filosofie van het ecohumanisme’.

Voetnoten:

(1) Er bestaat het fenomeen ‘deelrationaliteit’, dat wil zeggen dat mensen heel slim en intelligent kunnen zijn op een bepaald (vak)gebeid en ronduit dom en naďef wanneer het gaat over religie of bijgeloof (zoals homeopathie). Filosofie is het streven naar het uitbannen van deelrationaliteit, zowel bij de filosoof zelf, als in het algemeen, in de samenleving. Het atheďstisch woordenboek is een geneesmiddel voor deelrationaliteit.

(2) Zie voor een uitleg van deze begrippen en hun onderlinge samenhang mijn boek Beter weten. Filosofie van het ecohumanisme.

(3) Etienne Vermeersch, Atheďsme, De essentie, Antwerpen, 2010.

Paul Cliteur; Dirk Verhofstadt, Het atheďstisch woordenboek, Houtekiet, Antwerpen/Utrecht, 2015, 366 pgs.

Links
mailto:florisvandenberg@dds.nl
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be