La crise et après?

boek vrijdag 27 februari 2009

Jacques Attali

De bankencrisis die uiteindelijk leidde tot een wereldwijde economische recessie zorgt voor een heropleving van het ideologische debat. Na de val van de Berlijnse Muur beweerde Francis Fukuyama nog dat de liberale democratie als finale overwinnaar uit de strijd tussen de ideeën gekomen was. Een controversiële stelling maar die in die periode graag geloofd werd door tal van politici en intellectuelen. Het leidde bij sommigen onder hen tot een zekere zelfgenoegzaamheid en een adoratie van de absolute vrije markt waarvan de zogenaamde neoliberalen en libertariërs de politieke exponent zijn. Intussen weten we dat Fukuyama ongelijk had. Met de terreuraanslagen van 9/11, de opmars van China en India, de toenemende globalisering, de grote migratiebewegingen, de groeiende impact van religieus orthodoxe bewegingen en de ecologische rampspoed kwam de liberale democratie onder vuur te liggen. In zijn boek De terugkeer van de geschiedenis wees Robert Kagan al op de heropleving van de natiestaat, de autocratische krachten in Rusland en China, de sterke anti-Amerikaanse en antiwesterse gevoelens in moslimlanden waar fundamentalisten steeds meer veld winnen. Maar dat was nog maar klein bier tegenover de recente economische en sociale drama’s die bijna unisono worden toegeschreven aan het liberalisme en de vrije markt.

Het liberalisme staat wereldwijd onder druk waarbij voortdurend een amalgaam wordt gemaakt tussen liberalisme en wild kapitalisme, tussen individualisme en egoïsme, tussen humanisme en de dogmatiek van het marktfundamentalisme. Want wie de oorzaken van de wereldwijde crisis goed analyseert beseft dat het hier niet gaat om een evident gevolg van het liberalisme, individualisme of humanisme, maar van een onverschillige graaicultuur die pas mogelijk werd toen men de staat sinds de jaren negentig op tal van terreinen terugdrong. Deze evolutie wordt uitstekend verwoord in het boek La crise, et après? van de Franse economist en schrijver Jacques Attali. ‘Hoe zijn we tot dit gekomen? De wereld gaf de indruk dat het goed ging’, aldus de auteur, en nu zijn we beland ‘in een planetaire depressie, de ergste sinds 80 jaar’. Wat volgt is een vlijmscherpe analyse en grote verontwaardiging over de gang van zaken in de economische en financiële sector, in het bijzonder in de Verenigde Staten. Wat we vandaag meemaken, niet alleen de ineenstorting van de banken, maar ook de talloze sluitingen van grote en kleine bedrijven, is een rechtstreeks gevolg van een totaal gedereguleerde markt waarin een kleine elite zich via speculatie heeft verrijkt ten koste van de rest van de burgers, de spaarders, de arbeiders en dus ook van de gezinnen.

Sinds begin september 2008 is alle vertrouwen in het economische systeem omgeslagen in regelrechte paniek. De ineenstorting van ons bancair en verzekeringssysteem werd verhinderd door massale nationalisaties met publiek geld. Op die manier springt de overheid nu in om blunders van CEO’s in de private sector op te vangen en te vermijden dat miljoenen spaarders hun spaargeld zouden verliezen. Maar eigenlijk hebben die overheden daarvoor de middelen niet en gaan ook zij nu diep in het rood. Attali voorspelt dat deze depressie wel twee, vijf, misschien zelfs tien jaar kan duren met als grootste risico dat het publiek ons politiek systeem in vraag zal stellen zolang men de ‘golem’ van de markten niet kan bedwingen. De essentie van het probleem is volgens de auteur immers het gegroeide onevenwicht tussen de markt en de rechtstaat. Uiteraard hebben we ook vroeger financiële crisissen gekend, en Attali verwijst zelfs naar de beruchte ‘tulpencrisis’ in de 17de eeuw toen men enorm ging speculeren op tulpenbollen. Op een bepaald ogenblik werd de waarde van één zo’n bol gelijkgesteld met een heuse woning. Daarna sloeg de paniek toe en werden de bloembollen weer van de hand gedaan, wat leidde tot een ineenstorting van de markt en tal van faillissementen. Hetzelfde gebeurt vandaag, maar dan wel op een planetaire schaal.

Een ander vergelijkingspunt is volgens Attali de crisis tijdens de eerste helft van 1929 toen de Amerikaanse schuldenberg zo hoog werd dat plots paniek uitbrak onder beleggers en investeerders. Dat jaar gingen 4.000 banken failliet en viel een kwart van de bevolking zonder werk. Elk land probeerde toen zijn eigen markt veilig te stellen met protectionistische maatregelen. De crisis duurde jaren en zorgde mee voor een groot wantrouwen onder de bevolking in de democratie, waardoor totalitaire denkbeelden succesvol werden. Het was de later zo verguisde Britse econoom John Maynard Keynes die de beurskrach van 1929 en de daarop volgende recessie toeschreef aan een gebrek aan regels en controle op de financiële markten. Nochtans was Keynes zelf een groot voorstander van de vrije markt, maar hij besefte dat die enkel goed kon functioneren als de overheid toeziet en regels stelt. Hij pleitte ook als eerste voor een soort supranationale bank. Zijn ideeën werden in 1944 doorgevoerd op de Conferentie van Bretton Woods waar men de basis legde voor het naoorlogse financiële systeem die een jaar later uitmondde in het Internationaal Monetair Fonds (IMF) dat mee tot taak had te waken over de stabiliteit van het stelsel. Vanaf de jaren tachtig werd onder impuls van neoliberale denkers de impact van de overheid fors afgebouwd en begon het IMF met de toepassing van de zogenaamde ‘Washington Consensus’: het vrijmaken van financiële markten, het inperken van de rol van de staat en meer flexibiliteit in de arbeid.

Jacques Attali geeft nadien een gedetailleerd overzicht van de manier waarop de leiding van grote financiële ondernemingen tewerk gingen. Het verminderen van hun reserves van meer dan 10% in de jaren ’50 tot nauwelijks 0,2% in 2001, het steeds sneller toekennen van kredieten aan minder solvabele ontleners, het speculatief opblazen van hun omzet en daaraan gekoppeld het opstrijken van enorme bonussen. En de overheid trok zich niet alleen terug, maar moedigde het kopen op krediet net aan (tegen rentevoeten tot 15% en zelfs 34% in geval van laattijdige terugbetaling). Niet alleen de gezinnen gingen met hun kredietkaarten steeds meer in het rood, dat deden ook tal van ondernemingen met steeds risicovollere beleggingen. Een goed staaltje van de negatieve impact van een terugtrekkende overheid geeft Attali aan de hand van de ratingbureaus die spaarders en investeerders moesten inlichten over het beleid en de solvabiliteit van bedrijven. Dat zouden onafhankelijke en onomkoopbare bedrijven moeten zijn. In feite gaat het om een oligopolie van drie grote private agentschappen die er belang bij hebben om zoveel mogelijk hun klanten ter wille te zijn, met alle gevolgen van dien. De ratingagentschappen Moody’s en Fitch werden in 2007 en 2008 beschuldigd van fraude en misleiding. Op vijf jaar tijd, van 2002 tot 2007, zijn de inkomsten van die drie firma’s verdubbeld van 3 tot 6 miljard dollar. Juist op die cruciale positie zou een overheid of een door de overheid gecontroleerde instantie moeten toezien op een correcte en onafhankelijke toewijzing van de ratings.

Uiteindelijk groeiden de private schulden van de Amerikanen in 2007 tot een absolute recordhoogte. Iedereen zag dit, maar niemand greep in. Al in 2005 zag men de eerste tekenen dat mensen hun hypothecaire lening voor de aankoop van hun woning niet meer konden terug betalen. In juli 2007 verloren al meer dan twee miljoen Amerikanen hierdoor hun woning en stortte de markt in elkaar. De gevolgen deinden evenwel uit naar de gehele wereld, want zowat alle banken hadden belegd in dergelijke risicovolle zaken. Vanaf dan ging het snel. Attali beschrijft als in een thriller hoe de dominostenen een voor een vallen. In september 2007 raakte de Britse Northern Rock in de problemen en werd gered door de Bank van Engeland. Enkele weken later kondigden UBS en Citibank aan dat ze in zware moeilijkheden zaten. In maart 2008 dreigde de investeringsbank Bear Stearns over kop te gaan. Eind juni was het de beurt aan AIG, de grootste verzekeringsmaatschappij ter wereld die opkeek tegen een gigantische schuldenberg en op 6 september kondigde Lehman Brothers, een van de grootste investeringsbanken in de wereld, aan dat het meer dan 600 miljard dollar schulden had. De overheid moest ingrijpen om een totale ineenstorting van het systeem te voorkomen en pompte miljarden dollars en euro’s in de wankelende bedrijven, om te voorkomen dat miljoenen spaarders, waaronder talloze gepensioneerden, al hun geld zouden verliezen, dat miljoenen werknemers hun baan zouden verliezen en dat het failliet van de ene bank tal van andere banken en bedrijven in de afgrond zou meesleuren.

Niet alleen Amerika werd daardoor getroffen. Attali wijst erop dat in China de woningmarkt in elkaar stort waardoor tal van fabrieken hun deuren moeten sluiten. IJsland stond aan de rand van het totale failliet en moest door het IMF gered worden. En in Europa zijn alle banken getroffen, wat leidde tot een reeks nationalisaties of grote overheidsparticipaties. Iedereen beseft dat een echte Europese aanpak nodig is maar noch de toenmalige Europese voorzitter Sarkozy, noch de Europese Commissie slaagden erin om een globale Europese aanpak op de rails te zetten. Het gevolg was ‘eigen bank eerst’ gevolgd door een opstoot van nationalistisch protectionisme, in het bijzonder in de auto-industrie. ‘Sommigen denken dat het ergste voorbij is’, schrijft Attali, maar dat klopt volgens hem niet. De economische crisis is nog maar pas begonnen en kan zelfs uitdraaien op een crisis van ons politiek en financieel systeem waarbij de vrije markt als ideologie onder vuur komt te liggen. Zeker in die landen waar de overheid zich al te ver heeft teruggetrokken. De auteur verwijst bijvoorbeeld naar studenten in de VS die niet langer in staat zijn om leningen aan te gaan teneinde hun studies verder te zetten. Ziedaar het gevolg van het terugtrekken van de overheid uit het onderwijs, waardoor in de eerste plaats de zwakkeren en minderbedeelden uit de boot vallen.

Attali vat het als volgt samen: ‘Een kleine groep mensen heeft zonder dat het zelf rijkdom produceerde, in alle legaliteit en zonder controle, een belangrijk deel van de geproduceerde waarde ingepalmd.’ Diezelfde groep liet zich nadien nog eens formidabele premies en bonussen uitbetalen en dit ten koste van de werknemers, de consumenten, de ondernemers en de spaarders. Zijn waarschuwing is dan ook niet mals: ‘Als dit legaal is, dan heeft een systeem dat een dergelijke aberratie toestaat geen reden van bestaan meer.’ En hij besluit: ‘Een democratie heeft een vrije markt nodig omdat er geen politieke vrijheid kan bestaan zonder economische vrijheid. En de markt die niet onfeilbaar, niet juist en zelfs niet efficiënt is, heeft democratie nodig.’ Er zijn dus spelregels nodig en systemen om die te controleren. Dat kan in deze geglobaliseerde wereld niet langer voor één bepaald land, want de markt kent geen grenzen meer, maar moet planetair toegepast worden. Een pleidooi dus voor een planetaire rechtstaat. Alleen zo zullen we in staat zijn de wereldwijde markten te reguleren. Europa moet dit alvast toepassen op heel haar grondgebied want als de Europese Unie dat niet doet dan zal het ook niet toegepast worden door bijvoorbeeld de G-20.

Dit boek is geschreven vanuit een grote verontwaardiging en woede hoe het toch zover is kunnen komen. De ontmanteling van de minimale controlemechanismen door de overheid en een blinde adoratie van de vrije markt sinds de jaren ’80 heeft geleid tot een financieel en economisch drama waarvan we nog steeds niet alle gevolgen kennen. Attali richt zijn aanklacht tegen de graaicultuur en hebzucht van een losgeslagen kapitalisme dat steeds meer dogmatische trekken begon te vertonen. Dat een teveel aan staat kan leiden tot vreselijke menselijke drama’s weten we uit een verder verleden, dat een gebrek aan staat evenzeer rampspoedig kan zijn, voelen we nu. Liberalen moeten zich dus niet alleen afzetten tegenover neomarxisten en collectivisten, maar ook tegen neoliberalen en libertariërs.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Jacques Attali, La crise, et après?, Fayard, 2008

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be