A Mind & Itís Time

boek

Joshua L. Cherniss

Ik ontdekte het werk van Isaiah Berlin ((1909-1997) vier jaar geleden toen ik een exemplaar van Het kromme hout waaruit de mens gemaakt is leende. De essays spraken me zodanig aan dat ik besloot Berlin's andere gebundelde studies aan te schaffen. Sindsdien herlees ik zijn werk regelmatig. De onafgebroken reflectie op de kernvragen uit de filosofie, het plaatsen van (onbekende) filosofen in een grotere ideeŽnhistorische context, de vaak verhelderende categorisering van denkers, de steeds terugkerende dialectiek , de associatieve schrijfstijl; de ontdekking van Berlin was voor mij ''alsof het hele historische landschap plotseling door een zonne¨straal werd verlicht'', zoals de Britse jurist en liberaal politicus Lord James Bryce eens zei na een gesprek waarin de beroemde historicus Lord Acton zijn geschiedtheorie uit de doeken deed.

Toch maakte twijfel zich kortstondig van mij meester toen ik Christopher Hitchens's recensie van Ignatieff's Isaiah Berlin: A Life teruglas. Hitchens noemde Berlin in zijn recensie in de London Review of Books (november 1998) een ''fabled synthesiser'', ''a skilled ventriloquist for other thinkers'', iemand die zeer bekwaam is in ''proposing wobbly antitheses'' maar ''never broke any really original ground in the field of ideas''. Berlin zei zelf eens: ''I talk about other people. I examine their views. But what about me?'' Maar originaliteit en vernieuwing zijn zeer betrekkelijke (en romantische) termen in de ideeŽngeschiedenis, wierp ik Hitchens in een denkbeeldig debat tegen. ''To exact of every man who writes that he should say something new,'' schreef Doctor Johnson, ''would be to reduce authors to a small number''.

Zij die ideeŽn bestuderen zijn niet als Plato, Aristoteles, Kant, Hegel of Marx. Het gaat hen niet primair om het ontwikkelen van nieuwe theorieŽn of het geven van schijnbaar definitieve antwoorden op wijsgerige problemen, maar om het ontwaren van patronen en 'relaties' tussen ons denken en handelen. Dat is in de kern 'onorigineel'. In zijn studie IdeeŽn en Mensen schrijft de Amerikaanse historicus Crane Brinton dat het de taak van de ideeŽnhistoricus is om ''ideeŽn te volgen op hun vaak slingerende paden van de studeerkamer of binnenkamer naar de mark des levens, de woonhuizen, fabrieken, vergaderzalen, ministeries, gerechtshoven...en slagvelden.''

Oude gedachten opnieuw duiden, ze herleiden, er een nieuw licht op werpen, of ze in een nieuw jasje hijsen (wat al een hele kunst is), dat is originaliteit in deze lezing. Als originaliteit een nieuw licht werpen op bestaande ideeŽn behelst, dan is Isaiah Berlin, vanaf 1957 'Sir', hoogst origineel. En wie het uitstekende boek A Mind and Its Time. The Development of Isaiah Berlin's Political Thought van Joshua Cherniss, promovendus in de politieke theorie aan Harvard University, ziet die gedachte bevestigd. Cherniss typeert Berlin zowel als een product van de eeuw waarin hij leefde als een unieke denker die zich op eigenzinnige wijze op de ideeŽngeschiedenis stortte.

Wie Berlin wil begrijpen moet erkennen dat hij zowel een politieke als een apolitieke denker was. Berlin richtte zich op de belangrijkste politiek-filosofische vraagstukken; vrijheid, gelijkheid, ethiek, moraal, populisme, pluralisme, utopisme, fascisme, Verlichting, Romantiek enzovoort. Maar, stelt Cherniss in het eerste hoofdstuk, de 'actie-reactie politiek', de politiek als instrument voor de inrichting van een samenleving, interesseerde hem nauwelijks. Zo vervulden de gebeurtenissen in de aanloop naar en tijdens de Tweede Wereldoorlog Berlin met afschuw, maar hij voelde geen verplichting om zich in de strijd te werpen. In een interview met Michael Ignatieff voor de BBC (begin jaren negentig, aan het eind van zijn leven) zei Berlin dat hij nooit een man van ''daily events'' was geweest, maar zich vooral interesseerde in ''the more prevalent aspects of the human world,'' de onderwerpen waar de ideeŽnhistoricus zich mee bezig houdt.

Berlin's werk dient vooral gezien te worden als een Weltanschauung. De vorming hiervan begon in het Oxford van de jaren dertig. Cherniss legt in scherpe bewoordingen uit hoe Berlin vroeg in aanraking kwam met het toen dominante filosofisch Realisme. Deze stroming gaat uit van twee zaken: dat er een tastbare, materiŽle wereld (existence) bestaat, en dat objecten in die tastbare wereld 'onafhankelijk' (independent) zijn, dat wil zeggen dat ze op zichzelf bestaan ongeacht de gedachten, gevoelens en sentimenten van de mens erover. Bomen bestaan en het gegeven dat ze bestaan en bepaalde eigenschappen hebben (wortels, bladeren etc.) staat los van elk menselijk oordeel. John Cook Wilson (1849-1915), professor in de logica, introduceerde het realisme in Oxford; G.E. Moore en Bertrand Russell deden hetzelfde in Cambridge.

Berlin ging ver mee in de antimetafysische, empirische overtuigingen van de Realisten. Hij omarmde, zo schrijft Cherniss, ''their general denial of anything that professed to give information about the world as a result of pure thought, their suspicion of the a priori and necessary connections which [Berlin] associated with scepticism towards dogma...''. Berlin had niet voor niets grote bewondering voor de taalfilosoof J.L. Austin. Austin was niet doctrinair en probeerde geen alomvattend systeem te ontwikkelen om filosofische vraagstukken mee op te lossen. Deze antipathie tegen het ontwikkelen van filosofische 'straightjackets' zou Berlin altijd houden.

Het scepticisme deed Berlin, hoe kon het ook anders, bij David Hume uitkomen. In de late jaren dertig had Berlin zelfs het plan opgevat om een boek over hem te schrijven. Het werk zou er helaas nooit komen, maar Hume's epistemologie en antimetafysica nestelden zich permanent in Berlin's (nog verre van gerijpte) denken. Hume beargumenteerde dat er geen finaliteit van kennen bestaat, oftewel dat de mens via de rede (inductie) geen definitieve, op zichzelf staande kennis kan verkrijgen. Hume's principe berust op het idee van oorzaak en gevolg als bron van kennis. Een voorbeeld: als een man op een onbewoond eiland een zakhorloge vindt, dan zal hij concluderen dat er ooit eerder een mens op het eiland moet zijn geweest.

Het verband tussen het ene feit en het feit dat daar uit wordt afgeleid, oorzaak en gevolg, wordt kennis genoemd. Deze kennis vloeit niet a priori voort uit de menselijke rede, maar uit de ervaring in de breedste zin van het woord. Hume confronteerde de filosofie zo met een bijna onoplosbaar probleem, namelijk dat de mens in wezen niets kan 'weten'. Hoe kan de mens immers kennis vergaren van een objectieve orde der dingen, als alle kennis slechts uit onze eigen ervaring voortvloeit? Voor Berlin zou ''[Hume's] rejection of the idea of a common reason'' een centrale rol gaan spelen in zijn opvattingen over vrijheid, pluralisme, Verlichting en Romantiek.

Na de Oxford Realists en Hume te hebben besproken - accuraat maar ietwat droog - richt Cherniss zich op Karl Marx, over wie Berlin verrassend genoeg zijn eerste echte politiek-historische werk zou schrijven. Het in 1939 verschenen Karl Marx: His Life and Environment deed Berlin niet alleen Marx zťlf bestuderen; het maakte, allereerst, in Berlin een onverzadigbare interesse voor de ideeŽngeschiedenis los en gaf hem de gelegenheid ''to climb out into a different [...] universe from that of Oxford academic philosophy''. Daarnaast, schrijft Cherniss, bracht de studie het monisme (en rationalisme en utopisme) onder zijn aandacht, de gedachte dat het 'foute' oneindig en veelvormig is en het 'goede' wordt gekenmerkt door harmonieuze eenheid. Berlin's studie van Marx vormde zo de brug naar de filosofie en geschiedenis van ideeŽn.

Tijdens zijn studie van Marx, voornamelijk in de London Library, ontdekte Berlin ook de Russische denkers, over wie hij later een reeks essays zou schrijven. De voornaamste van deze denkers, en aan wie Berlin zich ook spiegelde, was Alexander Herzen (1812-1870). Herzen combineerde idealisme met scepticisme en keerde zich fel tegen historisch determinisme - ''geschiedenis kent geen libretto'', stelde hij eens. Hij voorzag Berlin zo van ammunitie voor zijn latere kritiek op Hegel en denkers als E.H. Carr, Auguste Comte, Oswald Spengler en Arnold Toynbee, die er allen een theorie van historische onvermijdelijkheid op na hielden. Herzen, net als Kant, zag dergelijke ideeŽn als een gevaar voor het idee van menselijke wil en verantwoordelijkheid. Met dit uitgangspunt zou Berlin zijn gedachten over vrijheid verder uitwerken.

Naast Herzen stuitte Berlin ook op de minder bekende Nikolay Mikhailovsky and Pjotr Lavrovich Lavrov, twee 'gematigde populisten'. Beide denkers vond Berlin ''morally admirable'' en hun gedachten over determinisme en materialistisch reductionisme (een vorm van filosofisch monisme. Het omvat het Cartesiaanse idee dat alle fenomenen, ideeŽn, theorieŽn geschiedenis etc., slechts een optelsom zijn van hun afzonderlijke delen) Lavrov karakteriseerde de geschiedenis als een reeks unieke gebeurtenissen waarin vele waarden en betekenissen gevonden kunnen worden. Mikhailovsky betoogde op zijn beurt dat ''there is no system of philosophy which treats the individual with such withering contempt and cold cruelty as the system of Hegel.'' Berlin ging hierin mee en schreef een essay over Hegel dat later in de bundel Freedom and its betrayel, Six Enemies of human liberty gepubliceerd zou worden.

In de hoofdstukken Against 'Engineers of Human Souls': Berlin's Anti-Managerial Liberalism, The Road to Liberty en The Inner Citadel: Berlin's conception of Liberty toont Cherniss eruditie en gevoel voor samenhang. Het hoofdstuk over de Engineers of Human Souls, nota bene een uitspraak van Stalin, is een rijke tekst en plaatst Berlin's denken op uitstekende wijze in de context van de Europese intellectuele stromingen van na de oorlog. In de jaren veertig heerste de opvatting dat de naoorlogse wereld een 'geplande wereld' zou worden. Er kwam verzet - de violist Joseph Szigeti schreef een in 1947 een artikel in The Saturday Review met de even ironische als rake titel ''The Art of Unplanning'' - maar het kwaad was al geschied. 'Planning', het onvermijdelijke gevolg van het idee van maakbaarheid, kreeg geleidelijk aan dezelfde reputatie als laissez-faire economie in de negentiende eeuw.

Voor de filosofie had deze loyaliteitsverandering grote gevolgen. Intellectuelen, onder wie Karl Mannheim, E.H. Carr, Sidney Webb (de Condorcet van de twintigste eeuw) en anderen, vielen het liberalisme dat zich richtte op de pluraliteit van waarden en ideeŽn af. Deze vorm van liberalisme belichaamde voor velen ''an enervating lack of conviction''. De geplande wereld had zekerheid, of beter, 'waarheid' nodig. Feiten, formules, modellen, daar moeten op koersen, zo klonk het. De planners, die volgens Berlin in wezen Claude Henry Saint-Simon en August Comte in praktijk brachten, wilden de politiek net zo inrichten als de natuurwetenschappen, en dat betekende kennisopbouw, wetenschap als panacee en ''the control of policy by a technocratic elite possessed of 'expert knowledge' ''.

Het nieuwe credo stond lijnrecht tegenover de gedachte dat politiek een botsing is van met elkaar onverenigbare waarden. Er heerste juist de overtuiging dat waarden en meningen ofwel juist ofwel onjuist zijn, en dat goed of kwaad, rechtvaardig of onrechtvaardig, daar niets mee te maken hebben. Pluralisme, waarvan de aanhangers waarden in het hart van de politiek plaatsen, vormde een obstakel op de weg naar harmonieuze, rationeel ingerichte samenleving. Raymond Aron betoogde later in zijn essay The Future of Secular Religions dat deze doctrine ''[took] the place of the faith that is no more, placing the salvation of mankind in this world, in the more or less distant future, and in the form of a social order yet to be invented''.

Andere die zich verzetten tegen de verwetenschappelijking en rationalisering van de politiek waren Hayek, de altijd scherpe Lionel Trilling en Aldous Huxley. Die laatste waarschuwde er in zijn beroemde Brave New World voor dat''the pursuit of efficiency would generate a new totalitarianism in which the all powerful executive of political bosses and their army of managers control a population of slaves who do not have to be coerced because they love their servitude''. Berlin bevond zich in hetzelfde kamp als Huxley, Trilling, Hayek en Aron. Tussen 1949 en 1953 richtte Berlin zijn pijlen voornamelijk op wat we ook nu nog 'managerialism' en 'scientism' noemen.

In zijn essay Political Ideas in the Twentieth Century formuleerde Berlin zijn eigen bezwaren tegen de 'plannersgeest'. Cherniss schrijft: ''[Berlin] focused on what he claimed was a novel , dangerous idea which had become to dominate twentieth-century thought...The novelty was to regard the remorseless pressure of unanswered questions as ''a species of psychological malaise, needing [...] a remedy''. Words and ideas were to be ''so adjusted as to involve as little friction as possible between, and within, individuals...'' The trend of such an order was ''to reduce all issues to technical problems''.

In Immanuel Kant vond Berlin een bondgenoot. Het monisme van Kant zou Berlin nooit aantrekken, maar de opvattingen over menselijke waardigheid van de filosoof uit KŲnigsberg sloegen wel aan. Kant verwierp het idee dat een individu een middel kan zijn om een bepaald doel, dat niet zijn eigen is, te bereiken. Deze gedachte over het individu noemt heet zelfdeterminatie (compos mentis!), het vermogen tot het maken van onafhankelijke keuzes (waar de moraal bij staat of valt) die absoluut zijn, dat wil zeggen dat ze waardevol op zichzelf zijn. Het werd Berlin's wapen tegen, zoals hij het in zijn essay over Montesquieu schrijft, ''all the great managers of society, all those who confidently and tidily arrange the destinies of others''. Deze oppositionele houding ten opzichte van de naoorlogse planners en positivisten verklaart ook zijn verwerping van de 19de eeuwse vooruitgangsdenkers wiens optimisme hij ''wildly irritating'' vond. Cherniss wijst er op dat Berlin een onderscheid maakt tussen wetenschap en rede, twee termen die vandaag nog wel eens als synoniem worden gezien. ''Reason is but choosing'', schreef Milton al in zijn Areopagitica. De rede is noch een godheid die de mens de weg naar verlossing wijst (zoals Robbespierre dacht), noch een graadmeter voor het 'juiste' als tegenovergesteld aan het 'onjuiste'. Die laatste gedachte zou immers onherroepelijk een omverwerping van de twee steunpilaren van de politiek, waarden en ideeŽn, rechtvaardigen. Een bescheiden voetnoot: wie de politiek van vandaag volgt met het oog van de ideeŽnhistoricus, moet het opvallen dat de 'planners geest' noch alom aanwezig is. De taal van het overgrote deel van de politici is waardevrij (en daardoor vol jargon en risicoloze gemeenplaatsen) omdat ze er een monistische filosofie op na houden: frictie en conflict zijn per definitie slecht en dienen vermeden te worden; consensus en harmonie zijn de graadmeters van succes en dienen boven alles nagestreefd te worden. Nobele gedachte in de ogen van de leek, maar in wezen is het een voortzetting van het idee dat er juiste en onjuiste, rationele en irrationele, politiek bestaat.

De beste hoofdstukken uit A Mind of Itís Time zijn die over vrijheid. Uiterst secuur traceert Cherniss de invloeden op Berlin's opvattingen over positieve en negatieve vrijheid, die hij optekende in zijn bekendste werk Two Concepts of Liberty (waarin hij voortborduurde op werken van Bosanquet, T.H. Green, L.T. Hobhouse en anderen). In de The Inner Citadel beschrijft Cherniss Berlin's keuze voor negatieve vrijheid als ware vrijheid. Allereerst: waarom verhief Berlin vrijheid tot zijn belangrijkste object van studie? Cherniss noemt voor twee hand liggende redenen: (hij had er goed aan gedaan om daar een persoonlijke, het meemaken van de uitbraak van de Russische Revolutie als kleine jongen, aan toe te voegen) een politieke - hij bespeurde een aanval, zoals hierboven geschetst, op individuele vrijheid - en een filosofische - Berlin zag vrijheid als een absolute voorwaarde voor menselijkheid.

Om te begrijpen waarom Berlin negatieve vrijheid als ware vrijheid zag, moeten we ons tot de Romantiek van de late achttiende en vroege negentiende eeuw wenden. De Romantiek speelde namelijk de rol van agitator in Berlin's opvattingen over vrijheid. In Political Ideas in the Romantic Age identificeert Berlin de romantiek met de opvatting dat vrijheid moet worden omvat door een idee of gericht moet zijn op een hoger doel. De romantische gedachte berust op het idee dat ons handelen wordt bepaald door een 'transcendent ik' waar naar geluisterd dient te worden. Alleen dan kan 'echte' vrijheid bereikt worden. Berlin dacht hier heel anders over.

Zijn ''untidy liberalism'', zoals hij het eens in een lezing omschreef, steunt op het idee van negatieve vrijheid: de afwezigheid van dwang, het wegnemen van obstakels, het verzet tegen onderdrukking. Positieve vrijheid daarentegen bevat een rechtvaardiging voor onderdrukking (al stelt Berlin niet dat het onvermijdelijk is). Deze perversie van vrijheid, schrijft Cherniss ''...arose...through a transformation in the conception of the self, which ''turned self-mastery into despotism and the destruction of individual liberty. Parts of the self were real, some not. Only the real, rational, spiritual or noumenal self could be free. Making an individual act in his best interest was therefore not really coercion - since acting rationally was what the individual truly willed. Freedom thus came to mean being guided towards doing what one should do.''

Positieve vrijheid kan niet zonder een nog te bereiken doel - ''the belief that liberty [can] exist only in a condition of open-endedness''. Valt het doel of streven weg, dan kan er geen echte vrijheid bestaan. Het individu in deze lezing is een onderdeel van en ondergeschikt aan een 'hogere sfeer', een ''higher end''. Berlin zag dat positieve vrijheid wordt gekenmerkt door drie uitgangspunten: 1. dat er een objectieve morele orde bestaat (daar zou Berlin nog mee in kunnen stemmen daar hij geen moreel relativist was), 2. er is een hoger en een lager 'ik' binnen het individu. De onderdrukking van het 'lagere' ik leidt tot morele bevrijding, 3. De realiteit is een coherent en harmonieus geheel, nobele waarden kunnen niet met elkaar botsen omdat er een natuurlijke harmonie bestaat waar al deze waarden onderdeel van zijn.

Zij die positieve vrijheid onvoorwaardelijk boven negatieve vrijheid plaatsen miskennen de Kantiaanse gedachte dat vrijheid een doel op zichzelf is, ongeacht de consequenties. Berlin heeft gelijk als hij zegt dat positieve vrijheid in de kern de vrijheid van het individu opoffert. Zijn kritiek gaat daarom ook verder dan alleen een waarschuwing voor totalitarisme. Positieve vrijheid veronderstelt een 'macht' - het veronderstelt immers een handelen - buiten het individu die hem in staat stelt om vrijer te zijn. Dat 'in staat stellen' kent echter een expansief karakter. Het hoeft niet per se tot totalitarisme te leiden, maar het neigt wel naar wat 'sluipend despotisme' zou kunnen worden genoemd: een zich alsmaar uitbreidende macht, de staat, die haar handelen rechtvaardigt door een beroep te doen op een nog te bereiken doel (vooruitgangsdenkers plegen hetzelfde te zeggen). Met Kant zette Berlin hier tegenover dat keuze, goed of fout en ongeacht de gevolgen, een fundamentele eigenschap is van de menselijke , morele natuur. ''...pursuing ends for their own sakes by deliberate acts of choice - which alone makes nobility noble and sacrifices sacrifices,'' dat is een niet weg te denken voorwaarde voor vrijheid.

Het sterke hoofdstuk Berlin's Conception of Liberty vormt Cherniss' slotakkoord. Daarna volgt een enigszins saaie, en voor de handliggende conclusie. Veel academici lijken het woord 'ik' te moeten willen vermijden en dat is zonde. Recent las ik de gebundelde essays (Egotists, a Book of Supermen en Iconoclasts, a book of dramatists, beiden aan het begin van de twintigste eeuw gepubliceerd) van de Amerikaanse musicoloog en pianist James Huneker. Huneker vertelt niet alleen over de literaire werken van Stendhal, BarrŤs, Anatole France, Ibsen, Strindberg en anderen maar neemt ze als aanleiding om persoonlijke reflecties op te tekenen. Waarom, vraagt hij zich af, lees ik wat ik lees? Waarom spreken deze auteurs mij aan? De persoonlijke stijl van Huneker maakt zijn studies spannender en versterkt het gevoel van 'urgentie', dat wil zeggen het idee dat zijn boeken niet net zo goed door iemand anders geschreven hadden kunnen worden, bij de lezer.

Desalniettemin is Cherniss' intellectuele biografie - ''an exercise'', zo benadrukt de auteur in zijn voorwoord - een zeer onderhoudend en scherp geschreven boek. Cherniss omschrijft Berlin precies zoals hij was. Bovenal was Berlin sceptisch (een erfenis van David Hume) ten opzichte van de menselijke rede en stond hij wantrouwend tegenover schijnbaar soterische doctrines van naÔeve vooruitgangsdenkers. In zijn conclusie, tot slot, plaatst Cherniss Berlin in een ideeŽnhistorische context. Welke denkers kunnen we, naast Kant, zijn bondgenoten noemen? Alexander Herzen, dat staat vast. En ook, schrijft Cherniss, Mill, Tocqueville, Benjamin Constant, Machiavelli, Montesquieu, Giambattista Vico, Herder en, in zekere zin, Hayek. Zonder meer Ivan Turgenev, de gematigde liberaal. Zeker ook Raymond Aron, de aartsvijand van mythe en illusie, de Scylla en Charibdis van de naoorlogse Franse politiek.

Ik zou daar de Britten Lord Acton en Walter Bagehot aan toe willen voegen. De laatste werd eens omschreven als ''a moderate Liberal, rather between sizes in politicsótoo conservative for many Liberals and too liberal for many Conservative'', een omschrijving die ook Berlin zou karakteriseren. Tot slot is ook Lionel Trilling, literair criticus en essayist, een geestverwant te noemen. Berlin en hij delen in ieder geval dezelfde gematigdheid. Richard Sennett wierp Trilling eens tegen dat hij nooit stelling nam, ''...you are always in between'', waarop Trilling antwoordde: ''Between is the only honest place to be''. Berlin, ''ever wary of final positions'', zou hetzelfde hebben gezegd.


Recensie door Daniel Boomsma

Joshua L. Cherniss, A Mind & It's Time, The Development of Isaiah Berlin's Political Thought, Oxford University Press, 2013

Links
mailto:daniel_boomsma@hotmail.com
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be