De 360°-werknemer

boek

Jan Blommaert en Paul Mutsaers en Hans Siebers

De sociolinguïstiek is en wetenschappelijk onderzoeksveld waarin het taalgebruik en haar onderlinge relatie met sociologische fenomenen onder de loep wordt genomen. In dit boekje neemt professor Jan Blommaert samen met enkele collega’s het statuut en de evolutie van het concept ‘werknemer’ onder de loep. Ze trachten een beeld te schetsen van hoe het statuut van arbeid en van werknemer stilaan onderworpen wordt aan economische wetmatigheden die het welzijn van de mens als zelfbeschikkend individu ondermijnt.

De auteurs starten met een sterke nadruk op arbeid als recht. Zowel volgens de grondwet als volgens het Europese Sociale Handvest als in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, beschouwt men werk als een fundamenteel onvervreemdbaar recht. Dit is veelal gekoppeld aan het recht op organisatie van arbeid, vakvereniging, collectief overleg over de arbeidsorganisatie, respect en waardigheid op de werkvloer en gelijke behandeling. De werkende heeft ook recht op een aantal vruchten van die arbeid, een billijk loon. Een wezenlijk verschil met andere historische perioden en/of gebieden waar vele individuen onderworpen werden aan slavernij, lijfeigenschap, het horige-statuut, etc. De grondleggers van onze hedendaagse economie zagen arbeid in de eerste plaats als middel in de opbouw van een menswaardig bestaan. Van Adam Smith tot Karl Marx kwam men minstens tot deze consensus dat arbeid diende om menselijke vrijheid te verwerven die ze buiten de arbeid konden beleven. Arbeid werd gezien als een middel tot zelfontplooiing. Een middel om zich niet enkel in basisbehoeften maar ook in de diverse individuele ontwikkelingbehoeften te voorzien. Werk werd een middel tot een beter leven.

Aangezien het een grondrecht betreft dienen overheden dit te beschermen en toe te zien op de onbelemmerde uitvoering ervan. Het arbeidsbeleid dat vroeger focuste op volledige tewerkstelling is echter bijgesteld, we bevinden ons op dit ogenblik in een samenlevingsmodel waarin een maximaal deel van de bevolking aan de slag is, met een buffer aan werklozen; een ‘natuurlijk werkloosheidsvolume’ dat naargelang de noden van de arbeidsmarkt kan aangesproken worden. Werkloosheid heeft enkele logische economische effecten. Een neerwaartse druk op de lonen volgend uit de wet van vraag en aanbod.

De auteurs verwijzen naar het Fordisme dat stelt: er moeten voldoende mensen aan de slag zijn, om het consumptieniveau op peil te houden en voldoende belastinggelden te kunnen innen, om onder andere de sociale kosten (zoals werkloosheid) te kunnen betalen. Door een andere kapitalistische wet, deze van de maximalisering van de winst, worden we echter opgezadeld met het perverse effect dat onze vorm van economie altijd werkloosheid produceert. Om aan de wet van winstmaximalisatie te voldoen, hanteert men immers allerhande technieken die werkloosheid in de hand werken: productiviteit opdrijven, (meer tegen minder geld), technologische vernieuwing, delokaliseren naar lage loonlanden en afslanking van arbeidskracht. Deze ‘elasticiteit’ in de tewerkstelling, zoals het in het boek heet, het selectief afdanken en werven van arbeidskrachten, wordt een cruciaal middel in de winstmaximalisatie.

Ondertussen ontwikkelde de EU het concept ‘flexicurity’. Het is een eufemisme aldus de auteurs en combineert de termen ‘flexibele arbeid’ en ‘job security’. Met deze stapt men volledig af van de doelstelling van volledige tewerkstelling. Men moet flexibel mensen kunnen ontslaan en aannemen om de competitiviteit veilig te stellen, lees ‘meer winst halen dan de concurrent.’ Aangezien de loonkosten de grootste hap uit het budget zijn van bedrijven, kunnen die maar beter beperkt worden. De EU definieert dit als de kern van het flexicuritymodel. De auteurs vatten dit concept samen in vier punten en werken deze verder uit doorheen het boek met talloze recente voorbeelden uit verschillende Europese landen.

In het flexicuritymodel moet de werknemer zich voortdurend aanpassen aan wisselende conjuncturen. Men werkt een aantal jaren voor een bedrijf, maar bij reorganisatie bijvoorbeeld moet men zich verplaatsen naar een andere werkomgeving. Men moet flexibel zijn, zich dus permanent aanpassen aan onzekere tewerkstelling, het ene moment in de textielsector, het volgende in de vleesindustrie, daarna in de autoverkoop… Dit nieuwe arbeidsmodel moet dan ondersteund worden door een nieuw onderwijsmodel genaamd ‘life-long learning’. De werknemer moet zich bij elke verschuiving herscholen en nieuwe competenties op doen. De EU werkte hiervoor een compleet nieuw model uit van hoger onderwijs dat uitsluitend ten dienste staat van de behoeften van de flexibele arbeidsmarkt. Waarbij de enige finaliteit de aanvoer is aan hooggeschoolde (en dus zeer productieve) arbeidskrachten voor een instabiele arbeidsmarkt

Binnen dit flexibiliteitsconcept, moet de werknemer ook bereid zijn de verwachting op te geven van steeds verbeterende arbeidsvoorwaarden zoals loonstijging en/of verlof, ziekteverzekering en pensioen. Men moet begrijpen dat dit alles niet meer automatisch voortkomt uit de loopbaanontwikkeling. Bij verschuiving moet men aanvaarden dat men loon en sociale voordelen verliest, en dat naargelang conjunctuurveranderingen men loonverlies kan leiden. Het loon dat men vandaag bij een bedrijf verdient kan 2.000 euro zijn maar als het bedrijf de productiviteit wil verhogen omwille van de concurrentiekracht (zie boven) dan moet je aanvaarden dat dit morgen slechts 1.600 euro zal zijn. In België had men al Carrefour dat mensen ontsloeg en ze daarna terug aannam aan lagere arbeidsvoorwaarden, nu plant ook Dexia honderden mensen te ontslaan om vervolgens honderden nieuwe werkkrachten in dienst te nemen, uiteraard aan lagere lonen en met minder sociale rechten.

Die sociale rechten worden onderworpen aan de conjuncturele wisselingen die bepaald worden door de afzetmarkt van de producten, dus door winstmarges ten dienste van de aandeelhouders. Deze rechten zijn niet meer verbonden aan het feit van arbeid zelf. Ze zijn voorwaardelijk. Wie alsnog zijn sociale rechten wil realiseren, moet enerzijds zichzelf blijvend ombouwen tot een competitief element in de arbeidsmarkt, men moet er voor zorgen dat men steeds opnieuw aan de slag kan gaan in goed betaalde banen, en men moet zijn materiële welstand privatiseren. Een pensioen zal voornamelijk moeten bestaan uit privégelden die men op de private kapitaalmarkt kan investeren, met alle gekende risico’s, dit geld ook voor ziektekosten, verzekeringen en uiteraard de eigen werkloosheidsuitkering in tijden van werkloosheid.

De overheid verbindt zich in het flexicuritymodel tot de afbouw van deze automatismen, zo schrijven de auteurs. Zo kunnen de loonkosten voor bedrijven zo laag mogelijk blijven en zullen er permanente, krachtige stimulansen zijn om mensen ‘actief’ te houden. In dit model riskeert men immers regelrechte armoede wanneer men zijn werk verliest. Werkloosheidsuitkeringen zullen minimaal en kortlopend zijn, de zorgverzekering dreigt weg te vallen, de pensioenkas wordt niet langer aangevuld… De werknemer moet dus zo snel mogelijk weer aan de slag aan eender welke voorwaarden en sociale rechten. In dit model wordt werkloosheid niet langer gezien als een vorm van slachtofferschap maar wordt het bestraft.

Dit is wat we in Europa op grote schaal zien gebeuren aldus de auteurs, en men verwijst terecht naar de ‘working poor’ van de meest competitieve economie van Europa: Duitsland. Mensen krijgen zo’n laag loon uitbetaald dat het onmogelijk is in de basisbehoeften te voorzien en zo is men genoodzaakt twee of meer jobs aan te nemen. Ook in België steunen bevindingen van het Steunpunt voor Armoedebestrijding deze stelling. Al enkele jaren klinkt bij hen de noodkreet dat het hebben van werk geen bescherming meer biedt tegen armoede. Dit heeft schrijnende situaties tot gevolg waar vooral kinderen het slachtoffer zijn.

Het betekent immers dat ouders die meer dan voltijds werken niet meer in staat zijn om voor hun kinderen de nodige aandacht en persoonlijke interactie te voorzien. Het betekent stresserende situaties voor ouders die ondanks de vele gepresteerde uren de kosten niet gedekt krijgen, wat opnieuw nefaste gevolgen heeft voor de kinderen en de relationele verhoudingen binnen het gezin. Het betekent beperkte slaagkansen in onderwijs voor deze kinderen door voeding en zorg van lage kwaliteit. Zo is de armoedecirkel rond wanneer ze als jongvolwassene met veelal een laag diploma hun weg zoeken op diezelfde arbeidsmarkt.

De auteurs maken zich zorgen dat de rechten van de werkende bevolking worden afgebouwd in naam van clichés als ‘daadkracht’, ‘doorgrijpen’, ‘moedige beslissingen nemen’, ‘saneren’ en ‘moderniseren van de arbeidsmarkt’. Vooral omdat deze worden gepresenteerd als noodzakelijke middelen voor verdere economische groei terwijl er, los van virtuele groeicijfers aangejaagd door speculatie op de vastgoedmarkt , van groei nauwelijks sprake is. Men stelt zich de vraag of dit aan de niet voldoende geflexibiliseerde werkenden ligt of aan het kortetermijndenken ten dienste van de financiële elites die de langetermijnperspectieven op economische groei en bedrijfsontwikkeling ondergraven.

Voor economische groei is kennisontwikkeling immers van groot belang, die is mogelijk niet gebaat bij van bovenaf afgedwongen jobhopping. Er zijn langdurige en stabiele arbeidsverhoudingen nodig om tot expertiseontwikkeling te komen. Deze stelling wordt bijgetreden door professor Hans De Witte, die in zijn onderzoek verwijst naar de dalende productiviteit van werknemers bij jobonzekerheid. De auteurs vrezen dan ook dat Flexicurity eerder door politiek-ideologische dan door economische motieven wordt ingegeven. Het economische argument is immers niet houdbaar. In de periode dat men arbeid als een grondrecht beschouwde, zag men dit als een middel tot individuele bevrijding.

Deze koppeling van arbeid aan vrijheid maakte dat de arbeidende mens zich sterk inzette voor economische groei. De welvaartstaat berustte op een coalitie tussen werkgevers en werknemers uitgedrukt in collectief overleg over arbeidsverhoudingen. Beide partijen gingen uit van het engagement van de ander. Het belang voor de ondernemer was winstmaximalisatie, die kon bereikt worden door de inzet van de gemotiveerde arbeidskracht. Deze laatste had daardoor de mogelijkheid een menswaardig bestaan te verwerven. Er was dus een gemeenschappelijk belang, werknemers begrepen het streven naar winstmaximalisatie en ondernemers beseften dat hiervoor duurzame arbeidsvoorwaarden dienden geschapen te worden.

In het flexicuritymodel bestaat deze coalitie niet meer aldus de auteurs. Het ‘algemeen’ belang is nog wel economische groei maar het is niet meer ‘algemeen’. Economische groei wordt niet langer in verband gebracht met het scheppen en vrijwaren van een goede samenleving. “De enige finaliteit van economische groei is nu winstmaximalisatie, niets anders. Groei staat nu voor verhoogde concurrentiekracht, die men moet realiseren door de productiviteit te verhogen en de arbeidskosten zo laag mogelijk te houden. We zien in de laatste decennia dus een heel interessante verschuiving in de betekenis van het begrip ‘groei’. Waar het tot voor kort het argument was voor de uitbouw van de welvaartstaat, is het nu het argument geworden tegen de welvaartstaat en voor flexicurity,” aldus de auteurs.

Internationale economische verhoudingen zouden hieraan ten grondslag liggen. Men moet immers concurreren met Chinese en Braziliaanse bedrijven. De Europese arbeider moet dus armer worden en zijn leven minder veilig, om bedrijfswinsten in Europa op peil te houden ten bate van aandeelhouders. Dit leidt tot een nieuw mensbeeld. Arbeid was een middel om de veelzijdigheid van het menselijke wezen optimaal tot zijn recht te laten komen zowel in arbeid als daarbuiten. Menselijk geluk werd gezien als de vervolmaking van de mens. Ook onderwijs was hierop gericht. In navolging van wat Nussbaum in haar werken schrijft, vermelden de auteurs dat scholing en zeker de middelbare scholing erop gericht was de mens niet alleen te ontwikkelen in bepaalde beroepsvaardigheden, maar ook op andere vlakken, vandaar lessen in aardrijkskunde, geschiedenis, literatuur, kunst en muziek, met andere woorden, ‘The Liberal Arts’ die in de humaniora (de dingen die ons meer mens maken), werden aangeleerd en gelukkig hier nog steeds een plek vinden.

In navolging van bepaalde Angelsaksische onderwijssystemen en dan voornamelijk het Amerikaanse bestaat de EU Lissabonstrategie in het omvormen van het Europese onderwijs naar een arbeidsgericht onderwijs. Dit heeft nefaste gevolgen. Niet voor niets stappen opkomende economieën als India over naar een onderwijs dat net niet arbeidsmarkt gericht is, omdat dit geen toekomst in zich draagt enkel een bestendiging van de huidige realiteit. Ook wetenschappelijk onderzoek of beter fondsen voor wetenschappelijk onderzoek richten zich op bestaande economische concepten en worden enkel nog uitbesteed aan projecten die hierin een meerwaarde leveren. Dit verengt het wetenschappelijk onderzoek zodanig dat men net het omgekeerde zal bekomen van wat men wenst.

Het menselijk ideaal van de complete en veelzijdige mens die recht heeft op geluk en een goed leven, werd langzaam opgebouwd. De auteurs beschouwen de naoorlogse Europese welvaartstaat als het hoogtepunt in de realisatie van dit mensbeeld, waaraan een lange periode voorafging waarin de mens, de grote massa, als loonslaaf werd gezien, als menselijke grondstof in een lasser faire-economie. Dat de term menselijke grondstof of ‘human resources’ vroeger de woede opriep van zovele hervormers, die de mens niet louter zagen als een product voor arbeid, die de reductionistische visie van mens als arbeider vernederend vonden, nu positieve connotaties oproept is frappant. Het verlichte mensbeeld is vervangen door een nieuw, een beeld waarin de enige bestaansreden erin bestaat betaalde arbeid te verrichten ten voordele van competitieve economieën.

“Als we de eufemismen even wegkrabben, (…) werken ten voordele van de winsten van de ondernemingen waarin we werken. Of nog beter; werken om de inkomsten van de aandeelhouders van deze ondernemingen te verzekeren en daarbij moeten we, zoals we eerder hebben gezien, bereid zijn een deel van ons eigen inkomen en welzijn op te offeren.” (p.24) Dit boek roept sterke vragen op over het hoe en waarom van bepaalde hervormingen zowel op Europees vlak als op nationaal vlak. Het roept vragen op voor liberalen die het zelfbeschikkingsrecht van het individu als hoogste goed beschouwen. Het roept vragen op voor mensen die de standpunten van Adam Smith bijtreden die economie beschouwde als een middel om zich te ontdoen van de ketenen van loonslavernij, onwetendheid en onderdrukking. Een vrije markt moest leiden tot een goede samenleving en niet tot een herverdeling van winsten in het voordeel van ondernemers en aandeelhouders.

De auteurs roepen op om ons te hoeden tegen een depolitisering van de economie, wat men algemeen verstaat onder de term neoliberalisme. Ze waarschuwen ook voor het doortrekken van een exclusief economische logica door alle sectoren die door de economie worden beïnvloed. Dit is de arbeidssector maar ook onderwijs. Anders wordt het hele leven van de mens gedepolitiseerd en onderworpen aan louter economische criteria, drijfveren en procedures. Het leven zal dan immers enkel nog gestalte krijgen in een concurrentielogica. Dan eindigen we in het principe van de eindeloze concurrentie. Dit kan enkel leiden tot situaties waarin enkele winnaars velen doen verliezen, want elke winner heeft een loser nodig. Dit principe stelt men ons voor als de enige relevante hedendaagse levensfilosofie.

Dit leidt tot zeer perverse effecten waarin concurrentie tot in het extreme wordt uitgespeeld. Zo worden arbeidskandidaten van hetzelfde niveau met dezelfde capaciteiten op andere vlakken uitgespeeld en worden uiteindelijk alle facetten in de waagschaal gegooid, de hobby’s, het aantal kinderen, of men al dan niet getrouwd is, hoe men zich gedraagt, of men rookt of niet, kortom elk aspect van de mens wordt gezien met betrekking tot de arbeidsprestaties en gebruikt als criterium om het lot op de arbeidsmarkt verder te bepalen, kortom een 360° werknemer.

Ook stelt ze de kapitalistische mythes in vraag rond ‘de rationele consument’. Laagwaardige producten, mensonwaardig geproduceerde producten, de consument zou er komaf mee maken in een echt vrije markt utopie waar de consument meester is. Niets blijkt minder waar. Mensen zijn massaal onderhevig aan hun instincten en evolutionair geprogrammeerde gedragspatronen. Bovendien zijn ze vatbaar voor agressieve marketingstrategieën. De beste manier om je tegen consumentisme te beschermen is je TV buiten gooien en je hoeden voor alles wat naar media ruikt, anders is beïnvloeding onvermijdelijk en dan nog. De auteurs halen o.a. Coca Cola aan als voorbeeld van een objectief extreem slecht en ongezond product dat miljarden aan winsten oplevert, dit naast hamburgers van fastfoodketens, sigaretten, SUV’s, etc. Hoe meer mensen deze producten kopen hoe harder dit effect versterkt. Mensen zijn kuddedieren, als een reclamecampagne zich toespitst op hoeveel gebruikers ze reeds hebben, dan kan je er de donder op zeggen dat na ieder reclameblok het aantal klanten stijgt.

Het boek is een terechte oproep aan diezelfde consument om bewuster te worden van het eigen gedrag, maar ook een oproep aan werkgevers om het belang van arbeid als emancipatorisch middel te vrijwaren van te groot winstbejag bij aandeelhouders en speculanten. Het is een vraag naar een bewustwording om het menselijke in onze samenleving terug in het vizier te nemen, te kijken hoe er zoveel mogelijk welvaart kan zijn voor zoveel mogelijk mensen maar wel op een duurzame manier. Het zijn vragen die meer dan ooit relevant zijn en actueel. Onze democratisch verworven rechten op menswaardige arbeid aan een billijk loon, met als ultieme doel te komen tot zelfontplooiing mag niet te grabbel worden gegooid, omdat men het in andere landen zoals China en Bangladesh niet te nauw neemt met de mens tout court. Integendeel meer dan ooit moeten we ijveren voor een verdere uitbouw van sociale rechten in deze landen. Hopelijk kan dit kritische relaas ons opnieuw doen beseffen dat we niet leven om te werken maar werken om te leven.


Recensie door Sara De Mulder

Jan Blommaert, Paul Mutsaers en Hans Siebers, De 360°-werknemer, EPO, 2012

Links
mailto:Sara.DeMulder@UGent.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be